Conclusie
4.Het onherroepelijke vonnis waarbij de verbeurdverklaring is gelast
(…)
Parket bij de Hoge Raad
De rechtbank Den Haag verklaarde het beklag van klaagster gegrond en gelastte de teruggave van €4.000.000,- van een verbeurdverklaard bedrag op een bankrekening van een door verdachte gecontroleerde vennootschap. Klaagster stelde dat haar het bedrag toekomt op grond van leningen en een vordering uit unjust enrichment volgens Tsjechisch recht.
Het Openbaar Ministerie stelde dat klaagster slechts een vordering op een derde had en niet op de veroordeelde, zodat zij geen belanghebbende was in de zin van art. 552b Sv. De Hoge Raad bekeek de parlementaire geschiedenis en jurisprudentie en oordeelde dat een vordering tot terugbetaling van een bedrag niet automatisch aanspraak geeft op afgifte van het inbeslaggenomen geldbedrag.
De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank een onjuiste rechtsopvatting had door klaagster als belanghebbende aan te merken en het beklag ontvankelijk te verklaren. De zaak wordt vernietigd en terugverwezen naar de rechtbank Den Haag voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift, waarbij civielrechtelijke kwesties niet in de strafvorderlijke beklagprocedure kunnen worden beslecht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.