ECLI:NL:PHR:2025:232

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
17 februari 2025
Zaaknummer
23/01510
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake motivering oplegging ontnemingsmaatregel in gewoontewitwassenzaak

In deze zaak heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland bevestigd waarin de betrokkene werd veroordeeld voor gewoontewitwassen. De rechtbank had het wederrechtelijk voordeel vastgesteld op €129.800 en een ontnemingsmaatregel opgelegd van €124.800, waarbij een compensatie voor overschrijding van de redelijke termijn was verwerkt.

De betrokkene stelde in cassatie dat de motivering van de oplegging van de ontnemingsmaatregel tekortschiet omdat niet duidelijk is gemaakt waarom het gewoontewitwassen heeft geleid tot wederrechtelijk voordeel. De verdediging betoogde dat dit niet zonder meer volgt en dat de rechtbank onvoldoende inzicht gaf in de betrokken strafbare feiten.

De procureur-generaal concludeert dat het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de omvang van het wederrechtelijk voordeel onderbouwd met een uitgebreide kasopstelling en de ontnemingsmaatregel gegrond op artikel 36e lid 3 Sr. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging. De conclusie is derhalve tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen wegens gebrek aan feitelijke grondslag voor het middel over de motivering van de ontnemingsmaatregel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/01510 P

Zitting18 februari 2025
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Bij arrest van 14 april 2023 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 25 november 2021 met aanvulling van gronden bevestigd.
2. Bij het genoemde vonnis had de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk voordeel wordt geschat, vastgesteld op € 129.800,00, en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van € 124.800,00 ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel (waarbij een overschrijding van de redelijke termijn is gecompenseerd door de betalingsverplichting te verminderen met € 5.000,-).
3. Er bestaat – met inbegrip van de voorliggende zaak – samenhang tussen de zaken [medeverdachte 7] (23/01465), [betrokkene] (23/01510 P), [medeverdachte 2] (23/01511), [medeverdachte 2] (23/01513 P), [medeverdachte 3] (23/01593), [medeverdachte 4] (23/01604), [medeverdachte 5] (23/01614), [medeverdachte 5] (23/01616 P). In al deze zaken zal ik vandaag concluderen. In de zaak tegen [medeverdachte 6] (23/01582), waarin geen middelen zijn ingediend, heeft de Hoge Raad op 14 november 2023 reeds arrest gewezen.
4. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. D.J.M. Dammers, indertijd advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

5. Met het middel betoogt de steller ervan dat de motivering van de oplegging van de ontnemingsmaatregel tekortschiet nu de rechtbank in het door het hof bevestigde vonnis uitsluitend heeft overwogen dat het feit waarvoor de betrokkene in de strafzaak is veroordeeld – gewoontewitwassen – een vijfde categorie-feit betreft, maar niet heeft uiteengezet om welke reden aannemelijk is dat dit gewoontewitwassen ertoe heeft geleid dat de betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Dit knelt volgens de steller van het middel te meer omdat gewoontewitwassen niet zonder meer met zich brengt dat daardoor wederrechtelijk voordeel wordt verkregen en evenmin inzichtelijk is of de rechtbank anders oog heeft gehad op ‘andere strafbare feiten’ als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr.

De bespreking van het middel

6. Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. De rechtbank heeft de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel – in cassatie onbetwist – becijferd aan de hand van een uitgebreide kasopstelling en de oplegging van de ontnemingsmaatregel gegrond op artikel 36e lid 3 Sr. In dit verband heeft de rechtbank overwogen: “
Bij gebrek aan aantoonbare legale inkomsten en bij gebrek aan enig andersluidende verklaring van de veroordeelde, acht de rechtbank het aannemelijk dat de veroordeelde haar uitgaven enkel heeft kunnen doen met geld dat zij door middel van (andere) strafbare feiten tot haar beschikking had.

Slotsom

7. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
8. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG