Conclusie
Nummer 22/04538
Inleiding
Het middel
Bewijsoverwegingen
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld tot negen maanden gevangenisstraf voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs en softdrugs. De verdachte stelde in cassatie dat de staandehouding onrechtmatig was vanwege het ontbreken van een redelijk vermoeden van schuld, waardoor bewijsuitsluiting zou moeten volgen. Het hof had geoordeeld dat er wel een redelijk vermoeden van schuld bestond op grond van waarnemingen van werknemers, het plotseling verschijnen van dure auto's bij een loods, het sluiten van een roldeur bij aankomst van controleurs en het wegrennen van de verdachte en medeverdachte.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof deze feiten en omstandigheden voldoende heeft gemotiveerd en dat de klachten over onvoldoende specificatie en het niet ingaan op de verklaring van de verdachte niet steekhoudend zijn. De verklaring van de verdachte dat zij een spelletje speelden werd door het hof niet geloofd. Daarnaast merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden, wat leidt tot vermindering van de straf.
De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest van het hof voor zover het de strafoplegging betreft, vermindering van de straf volgens de gebruikelijke maatstaf, en verwerping van het cassatieberoep voor het overige.
Uitkomst: De straf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.