Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering
Inleiding
[A-G: lees RHC]:
bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de kinderrechter wettig en overtuigend bewezen worden verklaard dat verdachte onderdeel was van de groep die zich schuldig heeft gemaakt aan de openlijke geweldpleging tegen aangever [slachtoffer] . Gelet op de verklaringen van aangever en [getuige 1] hebben alle aanwezige personen geweld gebruikt tegen de op de grond liggende jongen. De kinderrechter is dan ook van oordeel dat verdachte aan het geweld tegen aangever een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd.”
3.Het eerste middel
Dat zijn ze”) en bewijsmiddel 7 (waarin een verbalisant relateert dat hij het slachtoffer hoorde schreeuwen “
Dat zijn ze”), dan is het oordeel van het hof dat de verdachte één van de geweldplegers is geweest, bepaald niet onbegrijpelijk.
4.Het tweede middel
de andere kant op” wegrenden, in samenhang bezien met de verklaring van de beveiliger dat hij er “
gevoelsmatig” van uitging dat de jongen die hij eerder uit de uitgaansgelegenheid heeft gezet en de drie jongens die met hem waren “
hier mee te maken hadden”. In de fase van het hoger beroep heeft de beveiliger ten overstaan van de raadsheer-commissaris verklaard dat ze op ‘één of andere manier' wisten wie ze moesten hebben.