Conclusie
ne bis in idem.Ik kom daar na het weergeven van de relevante onderdelen uit het arrest op terug.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging
Beginselen behoorlijke procesorde in verband met “hetzelfde feit”
2. Aanleiding VSO
3.Omschrijving van het geschil/de onzekerheid
5.Feiten
Dat bij de in onderdeel 1.1. genoemde vennootschappen sprake is van het niet volledig verantwoorden van een deel van de omzetten in de fiscale aangiften vennootschaps- en omzetbelasting in de jaren 2012 tot en met 2016.
6.Gevolgen
8.Invordering
Totaal wordt € 3.700.000 betaald door partij A. Op partij A rust de verplichting er voor zorg te dragen dat inzake het/de in de overeenkomst overeenkomen totaalbedrag een bedrag van € 3.000.000 binnen de wettelijke betalingstermijn van 2 weken is bijgeschreven op de rekening van de ontvanger vanaf dé datum van ondertekening van deze overeenkomst. Deze betaling is bedoeld voor de naheffing omzetbelasting 8504.86.142.B01 die voortkomt uit deze VSO. Voor de betaling van het resterende bedrag ad € 700.000 zijn separate afspraken gemaakt met de ontvanger. De afspraken worden vastgelegd in een door de ontvanger af te geven uitstelbeschikking.
- [verdachte] ( [BSN 1] ), [a-straat 1] , [plaats]
- [betrokkene 1] ( [BSN 2] ), [b-straat 1] , [plaats]
- De in onderdeel 1.1 van deze overeenkomst genoemde vennootschappen.”
eerste deelklachtwordt na een bespreking van de (per 1 januari 2021 in werking getreden) Wet franchise betoogd dat “[d]e toezichthoudende rol die [verdachte] vanuit de franchisegever heeft uitgevoerd alsook vanuit zijn positie als aandeelhouder, (…) hem nog geen (dagelijks) beleidsbepaler, directeur, bestuurder ofwel tot feitelijk leidinggevende [maakt]” (onder punt 2.7-2.11 schriftuur). De stellers van het middel nemen hier geen standpunt in dat afwijkt van het oordeel van het hof. Het hof heeft immers vastgesteld dat de bemoeienis van de verdachte meer inhield dan enkel een “toezichthoudende rol”. Dit onderdeel van het middel snijdt dan ook geen hout.
tweede deelklachtwordt betoogd dat het feitelijk leidinggeven niet uit de bewijsmiddelen kan blijken, geldt dat de klacht moet falen gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen. Ik wijs in het bijzonder op de bewijsmiddelen 6, 7 en 16, die mij voor zich lijken te spreken.