Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het eerste middel
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisant:
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
mededeling van verbalisanten (of één of meer van hen):
”
op het moment dathij met hem naar de betreffende woning ging en werd aangehouden; uit de bewijsmiddelen is slechts te destilleren dat de verdachte wetenschap had van het aanwezig zijn van een wapen en/of patronen
op enig moment.Ten tweede zou niet uit de bewijsmiddelen volgen een met het ‘voorhanden hebben’ verband houdende ‘beschikkingsmacht’ van de verdachte over het wapen en/of de patronen bij de medeverdachte. In dat licht brengt de steller van het middel naar voren dat 1) uit niets blijkt dat de verdachte in dezen zeggenschap of bemoeienis had, 2) in de bewijsoverweging staat dat de verdachte een wapen en/of patronen “
voor [betrokkene 3] heeft geregeld”, terwijl uit de bewijsmiddelen valt op te maken dat medeverdachte [betrokkene 3] juist degene was die heeft geprobeerd wapens te regelen, en 3) uit de gebezigde bewijsmiddelen ook niet blijkt dat de verdachte een wapen en/of patronen
voor medeverdachte [betrokkene 1]heeft geregeld. Ten derde zou, voor zover het hof conclusies met betrekking tot het bewijs van de beschikkingsmacht heeft getrokken uit de opmerking van de verdachte uit het tapgesprek van 13 december 2013, om 16.32 uur “
Ja, ik heb alles klaargemaakt”, dat volgens de steller van het middel onbegrijpelijk zijn, omdat in dat gesprek wordt gesproken over “
dingen” (meervoud). Omdat het slechts om één wapen gaat, kan “
dingen”, volgens de steller van het middel, niet zien op een vuurwapen.
geen 2” van die dingen heeft, maar “
alleen één”, waarna de verdachte vervolgens aan [betrokkene 3] heeft gevraagd of hij één voor hem gaat regelen, zodat zij er drie hebben. Uit het antwoord van [betrokkene 3] daarop – dat “
de andere rasta” ( [betrokkene 1] ) ook “
één ding” heeft, zodat zij in totaal drie hebben – in samenhang bezien met het uit de bewijsmiddelen 10 en 11 volgende gegeven dat om 17:19 uur [betrokkene 3] aan de verdachte laat weten dat hij onderweg is naar het huis (van [betrokkene 2] ) en dat zij elkaar daar zien – “
Ik ben onderweg naar het huis. Dus wij gaan met z’n allen daar ontmoeten. Ik zie jullie dan daar” c.q. “
see you guys there” – valt niet onbegrijpelijk af te leiden dat de verdachte (evenals [betrokkene 3] ) op de hoogte was van de (op zijn minst: waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen en dat zodoende de voor de bewezenverklaring van medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen vereiste ‘meer of mindere mate van bewustheid’ aanwezig was. Gelet op de nadere bewijsoverwegingen, waarin bijzondere aandacht is voor onder meer de tapgesprekken, is dat oordeel toereikend gemotiveerd.
voor [betrokkene 3] heeft geregeld” doet daar niet aan af. Evenmin doet daaraan af dat uit de bewijsvoering niet met zoveel woorden volgt dat het aangetroffen wapen
voor medeverdachte [betrokkene 1]zou zijn geregeld; een dergelijke aanvullende eis wordt niet gesteld voor het bewijs van het medeplegen van het voorhanden hebben van een wapen. De verdachte en de medeverdachte hadden reeds c.q. immers gezamenlijk de beschikking over het wapen (en de munitie) ter uitvoering van de voorbereiding van het opgevatte plan.
dingen” – naast ‘wapens’ – ook kan zien op alle aspecten die nodig zijn voor de uitvoering van (de voorbereiding van) het plan. Niet ondenkbaar is dat bijvoorbeeld wordt bedoeld ‘het wapen en de munitie’ of ‘het wapen en het “
ding” dat je
“erop zet om niet te horen”’, hetwelk aan de orde kwam in de tapgesprekken.
eendaadse samenloopvan het medeplegen van voorbereiding van een roofoverval en medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. [9] Doordat art. 55 Sr Pro in de onderhavige zaak van toepassing is, blijft het toepasselijke strafmaximum onveranderd wanneer uitsluitend het medeplegen van het voorbereiden van een overval zou zijn bewezen verklaard, zijnde een gevangenisstraf van maximaal zes jaren (vgl. art. 46 Sr Pro jo. art. 312 lid Pro 2, aanhef en onder 2, Sr). Gelet op de situatie dat de opgelegde straf (tien maanden gevangenisstraf) ver onder het strafmaximum ligt, terwijl blijkens de strafmotivering geen zelfstandige betekenis is toegekend aan het onder 2 bewezen verklaarde feit, doet zich de situatie voor dat het middel van onvoldoende belang is om cassatie te rechtvaardigen.