ECLI:NL:PHR:2025:62

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 februari 2025
Publicatiedatum
15 januari 2025
Zaaknummer
24/00062
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 33a lid 2 onder a SrArt. 552a SvWegenverkeerswet 1994
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep tegen beslag op personenauto wegens strafvorderlijk belang

De rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het klaagschrift van klaagster ongegrond verklaard waarin zij teruggave van haar in beslag genomen personenauto vorderde. De rechtbank oordeelde dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag, mede vanwege aanwijzingen dat een derde het voertuig bestuurde terwijl diens rijbewijs ongeldig was verklaard en hij recidiveerde.

Klaagster stelde in cassatie dat de rechtbank niet de juiste grondslag voor het beslag had vastgesteld, en dat het recidivegevaar niet meer bestond omdat de bestuurder zijn rijbewijs had teruggekregen. De Procureur-Generaal constateerde een kennelijke verschrijving in de beschikking (verwijzing naar mobiele telefoon in plaats van auto) maar achtte dit niet relevant voor het oordeel.

Verder werd het nieuwe verweer over het terugkrijgen van het rijbewijs niet in de raadkamer ingebracht en kon daarom niet in cassatie worden meegenomen. De Hoge Raad bevestigde dat het belang van strafvordering zich verzet tegen opheffing van het beslag, mede gelet op de mogelijkheid van verbeurdverklaring op grond van art. 33a lid 2 onder a Sr.

Het middel faalt en het beroep wordt verworpen. Er zijn geen ambtshalve gronden voor vernietiging van de beschikking aangetroffen.

Uitkomst: Het beroep tegen het beslag op de personenauto wordt verworpen vanwege het strafvorderlijk belang.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00062 B
Zitting4 februari 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klaagster] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de klaagster

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, heeft in haar beslissing van 18 december 2023 het klaagschrift ongegrond verklaard dat strekte tot teruggave van een blauwe Audi A3.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klaagster en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

3. Het middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave van de onder klaagster inbeslaggenomen personenauto. Daarbij wordt aangevoerd dat de rechtbank niet heeft vastgesteld wat de grondslag is van het op de personenauto gelegde beslag zodat ook niet kan worden vastgesteld of de rechtbank de juiste maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling van het klaagschrift.

4.Het klaagschrift en de beschikking van de rechtbank

4.1
Nadat op 12 oktober 2023 haar personenauto in beslag was genomen, heeft de klaagster op 14 oktober 2023 een klaagschrift ingediend en daarin aangegeven dat zij de personenauto nodig heeft om voor zichzelf en haar vier maanden oude kind te zorgen.
4.2
De rechtbank heeft in haar beschikking als volgt overwogen:
“Het beslag op de mobiele telefoon is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro. De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van de goederen kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De rechtbank stelt voorop dat liet onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingszaak te treden.
De rechtbank stelt vast dat klaagster eigenaar is van het voertuig en dus als redelijkerwijs rechthebbende kan worden aangemerkt. Dat heeft in raadkamer ook niet ter discussie gestaan. Op basis van de voorliggende stukken bestaan er naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen dat [betrokkene 1] het voertuig die dag heeft bestuurd. De verklaring die klaagster tijdens de behandeling in raadkamer heeft gegeven, maakt dit niet anders. De weging van deze verklaring is aan de strafrechter die de zaak van [betrokkene 1] uiteindelijk inhoudelijk zal behandelen. Uit de stukken blijkt dat het rijbewijs van [betrokkene 1] ongeldig is verklaard en hij meerdere malen met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Ook blijkt hieruit dat [betrokkene 1] die feiten telkens heeft gepleegd met de auto van klaagster en klaagster hiervan op de hoogte was. De kans op recidive bij teruggave van het voertuig is naar verwachting groot. Verder is het gelet op de aard van het feit en de recidive niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voertuig verbeurd zal verklaren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het klaagschrift wordt daarom ongegrond verklaard.”

5.Beoordeling van het middel

5.1
Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de rechtbank niet de grondslag heeft aangegeven voor het op de personenauto gelegde beslag. Maar de rechtbank heeft wel art. 94 Sv Pro aangewezen als grondslag voor het “op de mobiele telefoon gelegde beslag”. Het klaagschrift heeft echter uitsluitend betrekking op de in beslag genomen personenauto zodat ik het ervoor houd dat de verwijzing naar een mobiele telefoon een kennelijke verschrijving is. Ik lees de beschikking verbeterd en daarom mist de klacht in zoverre feitelijke grondslag.
5.2
De steller van het middel voert verder nog aan dat ten tijde van de raadkamerzitting van 5 [1] december 2023 “geen enkel recidivegevaar meer aan de orde was” omdat [betrokkene 1] per 29 november 2023 zijn rijbewijs had teruggekregen. Daarbij wordt een beroep gedaan op een aan de schriftuur gehechte kopie van een op naam van [betrokkene 1] gesteld rijbewijs.
5.3
Ik kan hieraan voorbijgaan, in de eerste plaats omdat op deze omstandigheid niet voor het eerst in cassatie een beroep kan worden gedaan. Uit het proces-verbaal van de zitting van de raadkamer van 4 december 2023 blijkt niet dat een hierop betrekking hebbend verweer is gevoerd. Bovendien berust de beslissing van de rechtbank afdoende op haar overweging dat het gelet op de aard van het feit niet hoogstonwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het in beslag genomen voertuig verbeurd zal verklaren. Dat is een door art. 94 Sv Pro beschermd belang van strafvordering. [2] Hieraan doet niet af dat de klaagster eigenaar is van de personenauto omdat de rechtbank ook heeft vastgesteld dat klaagster ervan op de hoogte was dat het rijbewijs van [betrokkene 1] ongeldig was verklaard en meerdere malen met politie en justitie in aanraking is gekomen wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij [betrokkene 1] gebruik had gemaakt van klaagsters auto, zodat verbeurdverklaring mogelijk zou zijn op grond van art. 33a lid 2 onder a Sr. [3]

6.Slotsom

6.1
Het middel faalt en kan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
6.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bedoeld zal zijn 4 december 20203.
2.Vgl. HR 12 januari 2016,
3.Vgl. HR 20 februari 2018,