Conclusie
1.Het cassatieberoep
De bewezenverklaring, de oplegging van de tbs-maatregel en de bruikbaarheid van de PBC-rapportage
Oplegging van straf en maatregel
Geen TBS
[A-G: 31 t/m 45]van de pleitnota hieronder als hier herhaald, ingelast en ter zitting van uw hof voorgedragen te beschouwen en uw toestemming in het proces-verbaal van deze zitting aan te tekenen op de voet van artikel 326 lid 4 Sv Pro. De genoemde alinea's zijn ook op 1 mei 2023 voorgedragen.
Bij afwijzing van dit verzoek zal ik de genoemde alinea's alsnog integraal voorgedragen. [2]
bijvoorbeeld naar een vriendin–
ook naar voren kan komen zonder psychotische symptomen: de vraag is hoe dit was tijdens en rond het ten laste gelegde, juist gelet op genoemde verklaringen van getuigen die duiden op het gegeven dat cliënt toen onder invloed was van middelen. In dit verband is de overweging in het PBC-advies van belang dat cliënt in de periode voorafgaand aan het ten laste gelegde excessief gebruik gemaakt zou hebben van alcohol en cocaïne. Uit het dossier komen–
aldus het PBC–
enkele aanwijzingen naar voren van psychotische symptomen in de periode, voorafgaande aan het ten laste gelegde. Het gaat dan om verhoogde achterdocht en het zien van zaken die er niet zouden zijn. Onderzoekers hebben de ernst en aard van dit laatste echter niet kunnen verifiëren.
of voor een belang deel onder invloed–
van een psychose tot een heftig delict kwam als het ten laste gelegde is dat belangrijke informatie voor de beantwoording van de vraag of tbs noodzakelijk is om delicten zoals ten laste gelegd te voorkomen. Als immers drugsgebruik een belangrijke oorzaak is van het delict is een behandeling die vooral op middelengebruik gericht is aangewezen. Daarvoor is tbs niet in de eerste plaats geschikt en bedoeld.
[A-G: in feitelijke aanleg worden deze termen door elkaar gebruikt, ik volsta met “nader”]onderzoek in het bestreden arrest als volgt samengevat en verworpen:
Het verzoek om nieuw gedragskundig onderzoek te laten verrichten
: “Betrokkene werkt mee aan het onderzoek en verleent toestemming aan derden om informatie over hem te verstrekken. Hij neemt actief deel aan de activiteiten op de afdeling, aan de gesprekken met het onderzoekend team en aan het psychologisch testonderzoek. Ook laat hij zich lichamelijk onderzoeken. Dit alles heeft geleid tot voldoende basis om de vragen te beantwoorden. ”
3.Bespreking van het middel
een verzoektot nader gedragskundig onderzoek, maar ook (tevens) heeft te gelden als de onderbouwing van
een verweerdat op grond van een dergelijk gebrekkig en gedateerd rapport geen tbs-maatregel kan worden opgelegd. In de toelichting wordt (onder 1.10) namelijk gesteld dat door de verdediging ter zitting is verzocht “(beknopt weergegeven) nader onderzoek te verrichten hetgeen door het hof is afgewezen.
Voorts [cursivering door mij, A-G]heeft de verdediging aangevoerd dat (beknopt weergegeven) het eerder opgestelde rapport niet alleen mankementen vertoont en onvolledig is, maar ook is verouderd, zodat dit rapport niet kan dienen als basis voor het opleggen van een TBS-maatregel”.
verweeris gevoerd, dat op basis van het gedateerde PBC-rapport geen tbs-maatregel kan worden opgelegd, kan ik niet uit de stukken afleiden. Hoogstens kan worden gezegd dat in feitelijke aanleg is
gestelddat geen tbs-maatregel dient te worden opgelegd op basis van een PBC-rapport dat bijna twee jaar oud is (zie randnr. 2.4 onder punt 29 en randnr. 2.5, eerste alinea van het citaat). Deze stelling is echter nauwelijks onderbouwd. Sterker nog, de verdediging voegt in één adem aan deze stelling toe dat ze “juridisch” niet kan betogen dat het PBC-rapport niet kan worden gebruikt. [4] Dan houdt het al snel op. Kennelijk heeft ook het hof hetgeen de verdediging heeft opgemerkt over de ouderdom van het rapport niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Het hof is immers, met de oplegging van de tbs-maatregel op basis van het beschikbare PBC-rapport, voorbijgegaan aan deze stelling van de verdediging, zonder daar ook maar één woord aan te wijden. Mij lijkt dat volkomen terecht: het gaat immers niet om een duidelijk en door argumenten geschraagd standpunt dat is voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. [5] Hetgeen de verdediging over de ouderdom van het rapport heeft opgemerkt, behoefde dan ook geen respons op grond van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Er is ook geen ander wettelijk motiveringsvoorschrift dat de rechter daartoe verplicht. Kortom, voor zover het middel steunt op de opvatting dat in feitelijke aanleg een dergelijk – als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan te merken – verweer is gevoerd, mist het feitelijke grondslag en faalt het.