ECLI:NL:PHR:2025:867
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt berechting in afwezigheid ondanks vermeende detentie verdachte
De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 tot een hechtenisstraf van vier weken. In hoger beroep was de verdachte niet aanwezig, maar werd hij vertegenwoordigd door een advocaat. Het cassatiemiddel betoogde dat het hof ten onrechte buiten aanwezigheid van de verdachte had geoordeeld, omdat er voldoende aanwijzingen zouden zijn dat de verdachte gedetineerd was en het hof dit niet nader had onderzocht.
De procureur-generaal bij de Hoge Raad concludeert dat de vermelding van detentie in het proces-verbaal een kennelijke misslag betreft. Uit de stukken blijkt dat de verdachte op het juiste adres was opgeroepen en dat hij niet gedetineerd was in de relevante periode. De verdediging gaf aan dat de verdachte in Frankrijk verbleef vanwege een overlijden in de familie. Hierdoor faalt het cassatiemiddel omdat de feitelijke grondslag ontbreekt.
Ambtshalve merkt de procureur-generaal op dat de redelijke termijn voor berechting in cassatie is overschreden, maar dat dit geen aanleiding geeft tot strafvermindering zolang het arrest uiterlijk 3 oktober 2025 wordt gewezen. De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.