Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Het middel
Standpunt advocaat-generaal
NJ2016/434 m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen treffend. Ik citeer:
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het meermalen telen van een grote hoeveelheid hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf en diefstal van elektriciteit. Het hof legde een gevangenisstraf van twee maanden op, waarvan één maand voorwaardelijk, en een taakstraf van 120 uur.
De bewezenverklaring steunde op verklaringen van de verdachte, proces-verbalen van politie en Liander, en buurtonderzoek. De verdediging voerde aan dat het appartement in een deel van de periode als privéhuis werd gebruikt, wat het hof niet aannam wegens gebrek aan bewijs en het ontbreken van vergunningen en inschrijvingen.
In cassatie werd aangevoerd dat de motivering van het hof omtrent de strafverzwarende omstandigheid 'in de uitoefening van een beroep of bedrijf' tekortschiet. De Hoge Raad stelt dat aan deze bewezenverklaring nadere motivering vereist is vanwege het strafverhogende karakter. De professionele wijze van aanleg van de elektriciteitsvoorziening door de verdachte is onvoldoende om deze omstandigheid te bewijzen.
Hoewel het middel terecht is voorgesteld, leidt het niet tot cassatie omdat het belang van de verdachte bij vernietiging en terugwijzing niet evident is. Wel is ambtshalve vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden, wat tot strafvermindering leidt. De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de straf en vermindert deze, en verwerpt het beroep voor het overige.
Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor wat betreft de straf en deze wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt voor het overige verworpen.