ECLI:NL:PHR:2025:939

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
2 september 2025
Zaaknummer
23/02996
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor witwassen met betrekking tot Apple producten en de beoordeling van voorwaardelijk opzet

In deze zaak is het cassatieberoep ingesteld door de verdachte, die eerder door het gerechtshof 's-Hertogenbosch was veroordeeld voor witwassen. Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. De verdachte was veroordeeld voor het witwassen van een aanzienlijke hoeveelheid Apple producten, waaronder iPhones en MacBooks, die hij had aangeschaft met geld waarvan hij wist dat het afkomstig was uit een misdrijf. De verdachte had een gevangenisstraf van 81 dagen opgelegd gekregen, met aftrek van voorarrest.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, T.N.B.M. Spronken, heeft in zijn conclusie de bewijsklacht van de verdachte verworpen. De verdachte had één middel van cassatie voorgesteld, gericht tegen de motivering van de bewezenverklaring, met name het oordeel van het hof over het voorwaardelijk opzet van de verdachte. De rechtbank had vastgesteld dat de verdachte de aankopen had gedaan met gelden die uit misdrijf afkomstig waren, maar de vraag was of hij wetenschap had van die criminele herkomst. De rechtbank oordeelde dat de verdachte wel voorwaardelijk opzet had op het witwassen, gezien de omstandigheden waaronder hij de pinpas had ontvangen en de wijze waarop hij de aankopen had gedaan.

De Hoge Raad merkte op dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak was overschreden, maar besloot dat er geen verdere rechtsgevolgen aan verbonden hoefden te worden. De conclusie van de Procureur-Generaal strekte tot verwerping van het beroep, wat betekent dat de eerdere veroordeling van de verdachte in stand blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02996
Zitting9 september 2025
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 26 juli 2023 het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant bevestigd, met uitzondering van de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij. In dat vonnis is de verdachte veroordeeld voor onder 1 en 2 telkens “witwassen, meermalen gepleegd”. Het hof heeft de verdachte voor die feiten een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 81 dagen, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof een beslissing genomen over de vordering van de benadeelde partij.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaten M.J. van Berlo en R.J. Baumgardt hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het middel richt zich tegen de motivering van de bewezenverklaring en klaagt in het bijzonder over het oordeel van het hof dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op het witwassen.
2.2
De door het hof bevestigde bewezenverklaring van de rechtbank houdt in dat de verdachte:

feit 1
op meerdere tijdstippen op 7 mei 2018 te [plaats] meerdere voorwerpen te weten een hoeveelheid Apple iPhones en Apple MacBooks met een totale waarde van € 29.001,-, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, immers heeft hij bij filialen van [A] en [B] voornoemde voorwerpen aangeschaft en betaald middels een bankpas en de daarbij behorende pincode terwijl hij wist dat het geld waarmee voornoemde voorwerpen zijn aangeschaft en betaald, onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf;
feit 2
op meerdere tijdstippen op 8 mei 2018 te [plaats] een hoeveelheid geld van in totaal
€ 9.950-, heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geld onmiddellijk of middellijk, afkomstig was uit enig misdrijf.”
2.3
Deze bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende twee verklaringen van de verdachte:

11.6
Het proces-verbaal van verhoor verdachte, pagina 228 tot en met 229, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb op 8 mei 2018 rond 08.00 uur meerdere malen gepind bij een ING pinautomaat in [plaats] . Ik denk dat ik ongeveer 4 keer een bedrag van 2500,00 euro heb gepind, dus 10.000 euro in totaal. Ik heb zoveel geld gepind omdat ik een aantal Iphones en laptops moest kopen. Ik heb een Iranese contactpersoon die Iphones en laptops inkoopt. Ik koop via een andere zakenrelatie die goederen en die verkoop ik met winstmarge door aan die Iraniër. Ik wil de naam van de Iraniër en de zakenrelatie niet noemen. Ik heb gepind met een oranje ING pinpas. Deze pinpas heb ik gekregen van een neef van [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] is een zakenrelatie van mij. Ik weet niet hoe die neef heet, maar ik noem hem [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] woont in [plaats] maar ik weet niet op welk adres hij woont. Waar [medeverdachte 2] woont weet ik ook niet. Op een gegeven moment nam [medeverdachte 1] contact met mij op om zaken met mij te doen met die Iraniër. [medeverdachte 1] wilde investeren in de Iphones en laptops omdat hij het geld er voor had. [medeverdachte 1] vroeg aan mij of ik een ING rekening had waar hij het geld naar toe kon sturen. Ik had dat niet dus heb ik via die neef [medeverdachte 2] een ING bankpas gekregen om geld te pinnen en inkopen te doen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] heb ik niet meer. [medeverdachte 1] heeft mij de pincode gegeven van de pinpas. Ik heb met deze pinpas niet alleen in [plaats] gepind. Ik ben ook in [plaats] geweest bij de [A] op 7 mei 2018. Bij de [A] op de [a-straat] heb ik laptops en Iphones gekocht. Die goederen heb ik met die ING bankpas afgerekend. Ik heb wel gevraagd bij [medeverdachte 1] hoe dat zat, maar [medeverdachte 1] zei dat het van zijn zakenrelatie afkwam. De goederen die ik bij de [A] heb gekocht heb ik verkocht aan de Iraniër en daar heb ik 3000,00 voor gekregen en [medeverdachte 1] de rest.
11.7
De verklaring van verdachte ter zitting van 16 februari 2020, inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik ben bij de [A] en bij de [B] in [plaats] geweest. Ik had niet eerder met geld van [medeverdachte 1] Apple producten gekocht. Ik had wel eens eerder zaken met hem gedaan. Dat was niet eerder voor zo’n hoog bedrag. Ik ken [medeverdachte 1] via een andere zakenrelatie en uit de uitgaanswereld. [medeverdachte 1] benaderde mij omdat hij wilde investeren. Ik zou voor 40.000,00 inkopen doen voor [medeverdachte 1] . Ik heb [medeverdachte 1] niet gevraagd hoe hij aan die 40.000 euro komt. Ik ging ervan uit dat het zijn geld was. Op het moment dat ik de pinpas kreeg. heb ik geen onderzoek gedaan. Ik ging ervan uit dat een zakenrelatie niet dit soort kunstjes uithaalt. Ik heb bij de [A] aan de [a-straat] een bon laten opmaken op de naam die op de pinpas stond. Ik heb toen een willekeurig adres op gegeven, niet mijn eigen adres of dat van [medeverdachte 1] . Ik heb een adres verzonnen. Het kan zo zijn dat ik ook bij de [A] op het station ben geweest. Als het ene filiaal de producten niet heeft, loop ik naar het andere filiaal. Ik heb de pinpas twee dagen in mijn bezit gehad omdat ik de dag erna ook nog contant geld wilde pinnen om inkopen te doen.”
2.4
De door het hof overgenomen bewijsoverweging van de rechtbank over het voorwaardelijk opzet luidt als volgt:
“Met het vorenstaande staat vast dat verdachte de door hem verrichtte aankopen heeft gedaan met gelden die uit misdrijf, te weten factuurfraude, afkomstig waren. De vraag is of verdachte wetenschap had van die criminele herkomst (opzetwitwassen) of dat hij dit redelijkerwijs had moeten vermoeden (schuldwitwassen).
Voorwaardelijk opzet
Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid dat verdachte betrokken is geweest bij de factuurfraude of dat hij willens en wetens het geld dat afkomstig was uit dit misdrijf heeft witgewassen door bedragen van de rekening te pinnen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte wel voorwaardelijk opzet gehad op het witwassen. Daartoe neemt de rechtbank de volgende omstandigheden in aanmerking.
Verdachte heeft naar eigen zeggen de pinpas met de bijbehorende pincode ontvangen via een neef van een zakenrelatie. Van deze neef en zakenrelatie kent verdachte enkel de voornaam en hij beschikt niet over hun contactgegevens. De zakenrelatie, genaamd [medeverdachte 1] , zou aan hem € 40.000,00 ter beschikking hebben willen stellen, zodat verdachte een grote hoeveelheid Apple producten kon aanschaffen om deze vervolgens met winst door te verkopen aan een andere zakenrelatie, afkomstig uit Iran. Ook van deze Iraniër heeft verdachte geen aanvullende gegevens kunnen verstrekken. In plaats van het geld voor deze deal op de rekening van verdachte te laten overmaken, zou [medeverdachte 1] hebben voorgesteld om een pinpas ter beschikking te stellen aan verdachte. Dit terwijl [medeverdachte 1] op dat moment zelf in Kaapverdië verbleef. Verdachte heeft gezien dat de pinpas die hij vervolgens kreeg op naam stond van de voor hem onbekende [betrokkene 1] . Niet gebleken is dat verdachte vragen heeft gesteld aan [medeverdachte 1] over de herkomst van het geld dat [medeverdachte 1] op deze opmerkelijke wijze ter beschikking stelde voor de aanschaf van zo’n grote hoeveelheid Apple producten. Vervolgens heeft verdachte bij de [A] in [plaats] , waar hij op 7 mei 2018 voor € 16.071,00 aan Apple producten kocht, de aankoopbon op naam van [betrokkene 1] laten zetten en daarbij een willekeurig adres gebruikt. Ter zitting heeft verdachte geen plausibele verklaring kunnen geven voor deze handeling. Hij kan niet uitleggen waarom hij de aankoopbon niet op zijn eigen naam of op naam van [medeverdachte 1] heeft gezet, als degenen die betrokken waren bij de aanschaf en doorverkoop van de Apple producten aan de Iraniër. Door onder deze omstandigheden gebruik te maken van de aan hem verstrekte pinpas, heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij handelingen verrichtte met geld dat afkomstig was van enig misdrijf.
De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat sprake is van opzettelijk witwassen.”
2.5
De stellers van het middel betogen dat de vaststelling in de bewijsoverweging dat “[n]iet gebleken is dat de verdachte vragen heeft gesteld aan [medeverdachte 1] over de herkomst van het geld dat [medeverdachte 1] op deze opmerkelijke wijze ter beschikking stelde” in strijd is met de voor het bewijs gebruikte opmerking van de verdachte dat hij wel bij [medeverdachte 1] heeft gevraagd “hoe dat zat” (bewijsmiddel 6).
2.6
Ik zie die tegenstrijdigheid niet. Het is mij niet helemaal duidelijk waar de verdachte op doelt met “dat” als hij verklaart dat hij heeft gevraagd hoe “dat” zat, maar uit de context van zijn verklaring lijkt me die vraag eerder te gaan over de opmerkelijke wijze waarop de verdachte de beschikking kreeg over de pinpas en over het kopen van de laptops en Iphones. In ieder geval kan uit die opmerking niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte – anders dan in de bewijsoverweging staat – vragen heeft gesteld over de herkomst van het geld. Daar komt nog bij dat de verdachte in zijn verklaring ter zitting (bewijsmiddel 7) specifiek heeft verklaard dat hij [medeverdachte 1] “niet [heeft] gevraagd hoe hij aan die 40.000 euro komt”.
2.7
Daarnaast heeft de verdachte in zijn verklaring ter zitting (bewijsmiddel 7) ook nog verklaard dat hij ervan uitging dat het geld van [medeverdachte 1] was en dat hij ervan uitging dat een zakenrelatie niet door soort kunstjes uithaalt. Anders dan de stellers van het middel menen, maken die opmerkingen het oordeel van het hof over het voorwaardelijk opzet ook niet onbegrijpelijk. Die opmerkingen sluiten immers niet uit dat de verdachte desondanks willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij handelingen verrichtte met geld dat afkomstig was van enig misdrijf.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen meer dan 24 maanden nadat cassatie is ingesteld. Dat betekent dat inbreuk is gemaakt op het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 81 dagen en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden en is er geen aanleiding om daar enig ander rechtsgevolg aan te verbinden. [1]
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.