ECLI:NL:PHR:2026:154

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
5 februari 2026
Zaaknummer
24/03725
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 342 lid 2 SvArt. 432 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep in zaak medeplegen diefstal met braak

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij braak werd gepleegd. Hij kreeg een gevangenisstraf van acht weken met aftrek van voorarrest. Het cassatieberoep werd pas bijna 19 jaar na het arrest ingesteld, maar de Hoge Raad oordeelde dat de verdachte ontvankelijk was omdat hij pas in september 2024 op de hoogte werd gesteld van het arrest.

Het middel in cassatie richtte zich tegen de bewezenverklaring, met name dat deze in strijd zou zijn met art. 342 lid 2 Sv Pro en dat medeplegen niet uit de bewijsvoering zou blijken. De Hoge Raad verwierp deze klachten. De bewezenverklaring steunde op verklaringen van het slachtoffer en een medeverdachte die aangaven dat de verdachte het plan had opgevat om in te breken in auto's en dat hij de schroevendraaier aan de medeverdachte had gegeven.

De Hoge Raad benadrukte dat medeplegen niet alleen fysieke gezamenlijke uitvoering vereist, maar ook een intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht. De rechtbank had dit terecht vastgesteld. Ook het niet gebruiken van de verklaring van de verdachte door het hof was toegestaan binnen de beoordelingsvrijheid van de feitenrechter.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was dat het middel faalt en het beroep moet worden verworpen. Er werden geen ambtshalve gronden voor vernietiging gevonden. De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en bevestigde daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03725
Zitting10 februari 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 25 november 2005 door het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, [1] wegens 1 "diefstal" en 2 “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht weken, met aftrek van voorarrest.
1.2
Namens de verdachte heeft M.J. Lamers, advocaat in Utrecht , één middel van cassatie voorgesteld.

2.Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
Alvorens ik aan de bespreking van het middel toekom, zal ik stilstaan bij de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Het arrest in onderhavige zaak is namelijk gewezen op 25 november 2005, terwijl er pas op 7 oktober 2024 beroep in cassatie is ingesteld.
2.2
De verdachte is op 25 november 2005 door het gerechtshof Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, bij verstek veroordeeld. Omdat niet is gebleken dat de dagvaarding om op de terechtzitting in hoger beroep te verschijnen in persoon is gedaan of betekend, de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen en zich evenmin anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting de verdachte tevoren bekend was, gold dat het beroep in cassatie moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend is (art. 432 lid 2 Sv Pro).
2.3
Blijkens het zich in het cassatiedossier bevindende proces-verbaal van betekening in persoon van 23 september 2024 is op die dag in [plaats] , aan [a-straat 1] , de gerechtelijke brief met parketnummer 21-006579-04 aan de verdachte uitgereikt en is hem medegedeeld dat hij binnen 14 dagen beroep in cassatie kan instellen.
2.4
Uit de op 7 oktober 2024 opgemaakte akte cassatie volgt dat op die datum door de verdachte beroep in cassatie is ingesteld tegen het arrest van het hof.
2.5
Nu de verdachte beroep in cassatie heeft ingesteld binnen 14 dagen nadat hij bekend is geraakt met de uitspraak van het hof, is hij ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

3.Het middel

3.1
Het middel keert zich tegen het onder 2 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat die bewezenverklaring in strijd is met art. 342 lid 2 Sv Pro. Verder bevat het middel de klacht dat het ‘medeplegen’ niet uit de bewijsvoering blijkt.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
“hij op 13 juli 2004 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een auto, merk Peugeot, [kenteken] , heeft weggenomen twee jassen toebehorende aan [benadeelde] , waarbij zijn mededader de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door het inslaan van de rechter (voor-)portierruit van die auto.”
3.3
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte, mutatienummer PL0911/04-234809, afgesloten d.d. 13 juli 2004, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1] . medewerker Service C van politie regio Utrecht (p. 51 van het politiedossier), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [benadeelde] :
Toen ik op dinsdag 13 juli 2004 te [plaats] , omstreeks 23.00 uur terugkwam bij mijn auto, merk Peugeot, voorzien van het [kenteken] , zag ik dat het raam van het rechter voorportier was ingeslagen. Toen ik in de auto keek, zag ik dat er twee jassen waren weggenomen. Ik heb niemand toestemming gegeven genoemde goederen uit mijn auto weg te nemen en deze zich toe te eigenen.
2. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van verhoor, proces-verbaalnummer PL0913/04-234809, afgesloten d.d. 14 juli 2004. opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 2] , hoofdagent van de politie regio Utrecht (p. 58-61 van het politiedossier), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 1] :
Op de [b-straat] te [plaats] kwam ik [verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) tegen. [verdachte] kwam met het idee om in [garage] te gaan kijken en daar in auto's te gaan inbreken. Omstreeks 19.00 uur, liepen [verdachte] en ik [garage] in met de bedoeling om in auto's te gaan inbreken. Ik liep gelijk naar een witkleurige bestelbusje van het merk Peugeot. Ik haalde uit mijn zak een schroevendraaier die ik eerder van [verdachte] had gekregen. Met de schroevendraaier sloeg ik het raam aan de rechter voorzijde van het bestelbusje in. Ik zag dat het raam uit één spatte. Op het moment dat ik het raam insloeg, stond [verdachte] naast mij. In het bestelbusje lag een zwartkleurige jas en een witkleurige jas. Ik pakte de jassen en nam deze weg.”
3.4
Het middel klaagt primair dat de bewijsvoering geen ondersteuning biedt voor de betrokkenheid van verdachte bij het bewezenverklaarde. Het middel berust hiermee op de veronderstelling dat art. 342 lid 2 Sv Pro een dergelijke ‘ondersteuning’ vereist. Met die veronderstelling wordt miskend dat uit bestendige rechtspraak volgt dat art. 342 Sv Pro lid 2 de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet – zoals de steller van het middel lijkt te veronderstellen – een onderdeel daarvan. [2]
3.5
Subsidair bevat het middel de klacht dat het medeplegen niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid omdat daaruit niet blijkt van een ‘gezamenlijke uitvoering’. Daarmee wordt miskend dat die gezamenlijke uitvoering niet slechts uit fysieke handelingen behoeft te bestaan. Voor de bewezenverklaring van medeplegen volstaat immers dat de verdachte een bijdrage van intellectuele en/of materiële aard aan het delict heeft die van voldoende gewicht is. [3] Het hof heeft het bewezenverklaarde medeplegen gebaseerd op de – uit de bewijsvoering blijkende – vaststellingen dat de verdachte met idee kwam om in [garage] te gaan kijken en om in auto’s te gaan inbreken, de verdachte en medeverdachte gezamenlijk daarheen zijn gegaan met de bedoeling om in auto’s te gaan inbreken, de medeverdachte in die parkeergarage naar een wit busje van het merk Peugeot liep en met de schroevendraaier die hij eerder van de verdachte had gekregen het rechter voorraam van dat busje insloeg, terwijl de verdachte naast hem stond en de medeverdachte daaruit vervolgens twee jassen wegnam. Het hof heeft de bewezenverklaring van medeplegen zonder meer op die vaststellingen kunnen baseren.
3.6
De in het middel geponeerde klacht dat het hof de ter terechtzitting in eerste aanleg afgelegde verklaring van de verdachte niet heeft gebezigd voor het bewijs, stuit af op de vrijheid die de feitenrechter heeft in het selecteren en waarderen van het beschikbare bewijsmateriaal.
3.7
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-006579-04.
2.Vgl. HR 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BQ6144,
3.HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316,