Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
dieaan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorde, te weten aan Stichting Hrieps, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [benadeelde] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken door omstreeks 03.15 uur in de nacht een ruit van de woning van die [benadeelde] in te gooien en vervolgens de woning binnen te gaan en naar boven te lopen – gekleed in het zwart/donker en met bivakmutsen op, in elk geval met gezichtsbedekking, en met een stok/knuppel in de handen en vervolgens aan die [benadeelde] dreigend te vragen waar het geld lag.”
I. Algemene overwegingen
Aanleiding onderzoek
Bestedingspatroon
“Van dat geld hebbenwijhet horloge gekocht.”
PHvK). Opgemerkt wordt dat het hof de juistheid van de feitelijke stelling van de verdediging dat de verdachte geld heeft ontvangen uit de verkoop van twee telefoons in het midden heeft gelaten, zodat in cassatie van de juistheid ervan dient te worden uitgegaan. [2] De totale inkomsten zouden dan – zonder de inkomsten uit gokken en de verkoop van broeken – uitkomen op een bedrag van € 13.305,-. [3] Ook zou het hof de juistheid van het standpunt van de verdediging dat de verdachte de helft van het horloge (€ 1.900,-,
PHvK) heeft betaald in het midden hebben gelaten. Volgens de steller van het middel komen de totale uitgaven die het hof ‘onverklaarbaar’ acht uit op € 2.943,- (€ 4.843,- minus € 1900,-,
PHvK). De overweging van het hof dat op generlei wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte kort na 12 mei 2019 nog over voldoende bedragen kon beschikken zou gelet op de verhouding tussen beide bedragen en het relatief geringe bedrag aan uitgaven onvoldoende zijn. Daar komt volgens de steller van het middel nog bij dat het hof verder ook geen (nadere) overwegingen heeft gewijd aan het levensonderhoud en waarom aannemelijk zou zijn dat alle voornoemde inkomsten daaraan uitgegeven zouden (moeten) zijn.
Van dat geld hebbenwijhet horloge gekocht.”). Het hof kon hier mijns inziens ongemotiveerd aan voorbij gaan.
PHvK– het zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet duidelijk is geworden wat na ontvangst van deze bedragen met dit geld is gebeurd. Daarbij betrekt het hof dat uit het politieonderzoek naar de financiële positie van de verdachte blijkt dat de verdachte over de jaren 2018 en 2019 (tot 12 mei 2019) nagenoeg niet over enig bij de Belastingdienst bekend inkomen heeft kunnen beschikken. Het hof neemt daarom aan dat de verdachte dit bedrag mede heeft aangewend om in zijn levensonderhoud in 2018 en 2019 te voorzien. Daarbij stelt het hof vast dat op generlei wijze aannemelijk is geworden dat de verdachte kort na 12 mei 2019 nog over een deel van dit bedrag kon beschikken en dat heeft aangewend voor de onder 3.7 genoemde uitgaven voor een totaalbedrag van € 4.843,-. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Dit is niet anders doordat het hof wat betreft de inkomsten van [betrokkene 4] (de partner van de verdachte) aannemelijk heeft geacht dat deze (mede) zijn aangewend om te voorzien in het levensonderhoud van de verdachte, haarzelf en hun kind.