Conclusie
1.Rotterdamse Grond B.V.
[eiser]en verweersters als
RGrespectievelijk
VB. Verweersters gezamenlijk worden verkort aangeduid als
RG c.s.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
het pand).
[betrokkene 1]) en AFBL Vastgoed B.V. (met als bestuurder [betrokkene 2] , hierna:
[betrokkene 2]).
[betrokkene 3]) is bestuurder van De Vijverborgh.
de ontwikkelingsovereenkomst). Daarin is onder meer het volgende bepaald:
Eigendomsverhoudingen. Splitsing. Koop.
hoofdelijk de schade te vergoeden die [eiser] lijdt doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet”.
het arrest in de hoofdzaak) en daartoe onder meer overwogen:
de rechtbank). Samengevat heeft [eiser] gevorderd dat de rechtbank:
het vonnis) heeft de rechtbank [eiser] in het ongelijk gesteld en hem in de proceskosten veroordeeld. [6] De rechtbank heeft [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn vorderingen jegens [betrokkene 1] , [holding] , [betrokkene 2] , AFBL en [betrokkene 3] , en in de huurvordering jegens RG. De rechtbank heeft de (overige) vorderingen jegens RG c.s. afgewezen (zie vonnis, rov. 4.7 en het dictum).
hof). [eiser] heeft in hoger beroep zijn eis gewijzigd en, samengevat, gevorderd veroordeling van RG c.s. tot (terug)betaling aan [eiser] van:
post A);
post B);
post C);
post D);
het arrest) heeft het hof de vorderingen van [eiser] afgewezen, het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep ten bedrage van € 24.518.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Klacht 1is gericht tegen het oordeel in rov. 6.7 dat [eiser] niet heeft voldaan aan de instructie in de hoofdzaak om op te helderen hoe de door hem gestelde schade moet worden verklaard in het licht van zijn stellingen in de hoofdzaak dat de ontwikkelingsovereenkomst eenzijdig in het voordeel van RG c.s. is opgesteld en financieel nadelig was voor [eiser] .
Klachten 2a, 2b en 2czijn gericht tegen rov. 6.6 en rov. 6.7 waarin is geoordeeld dat [eiser] , behalve voor schadepost C, voorbij is gegaan aan de instructie in de hoofdzaak om schade te vorderen die is gebaseerd op de in de hoofdzaak aangegeven vermogensvergelijking.
Klachten 3a en 3bzijn gericht tegen rov. 6.9 t/m 6.18 en bevat klachten dat het hof bij de vermogensvergelijking situatie A, respectievelijk situatie B verkeerd heeft vastgesteld.
Klachten 5a, 5b en 5czijn gericht tegen rov. 6.22 t/m 6.23 waarin het hof heeft geoordeeld dat schadepost A (gederfde huurinkomsten) niet voor toewijzing in aanmerking komt.
Klacht 6is gericht tegen rov. 6.25-6.26 waarin het hof schadepost B (uitgaven verbouwing) heeft afgewezen.
Klacht 7is gericht tegen rov. 6.31-6.32 waarin het hof schadepost D (vaste lasten) heeft afgewezen.
Klacht 8is gericht tegen het oordeel in rov. 6.34 dat niet valt in te zien dat de wanprestatie van RG c.s., het niet betalen van de waarborgsom, daadwerkelijk tot schade heeft geleid en dat [eiser] dat in elk geval niet concreet heeft gemaakt.
onder 4.2dat het oordeel van het hof in rov. 6.7 dat [eiser] niet heeft voldaan aan de “
instructie in de hoofdzaak om op te helderen hoe de door hem gestelde schade moet worden verklaard in het licht van zijn stelling in de hoofdzaak dat de overeenkomst eenzijdig in het voordeel van RG c.s. is opgesteld en financieel nadelig was voor [eiser]”, zonder nadere motivering niet voldoende en begrijpelijk gemotiveerd is, omdat [eiser] wél heeft toegelicht welke schade hij heeft geleden door de wanprestatie en de ontbinding. In de procesinleiding onder 4.2 t/m 4.6 wordt uiteengezet wat [eiser] op dit punt in hoger beroep daarover naar heeft gebracht.
De in de hoofdzaak aan [eiser] gegeven instructie”). In rov. 6.8 heeft het hof geconcludeerd dat [eiser] al met al onvoldoende heeft onderbouwd dat hij enige schade heeft geleden door de ontbinding, dan wel door de in de hoofdzaak vastgestelde wanprestatie van RG c.s. Het heeft daar eveneens overwogen dat het dit oordeel “
hierna nader zal toelichten”. Dat heeft het hof uitvoerig gedaan in rov. 6.9 t/m 6.32, waarin het eerst een vermogensvergelijking heeft uitgevoerd (rov. 6.9 t/m 6.19) en vervolgens de vier schadeposten A t/m D, die [eiser] in hoger beroep heeft opgevoerd (en die in het subonderdeel opnieuw worden opgevoerd) uitvoerig gemotiveerd heeft verworpen (rov. 6.20 t/m 6.32). Het subonderdeel mist dus feitelijke grondslag omdat het hof zijn oordeel wel degelijk heeft gemotiveerd. [20]
Indien een overeenkomst wordt ontbonden, dan is de partij wier tekortkoming een grond voor de ontbinding heeft opgeleverd verplicht haar wederpartij de schade te vergoeden die deze lijdt, doordat geen wederzijdse nakoming doch ontbinding van de overeenkomst plaatsvindt (artikel 6:277 lid 1 BW Pro)”.
Onder 4.17-4.18klaagt [eiser] verder dat het hof ten onrechte aan zijn betoog in MvG, nr. 4.3-4.6 voorbij is gegaan, waarin hij op grond van literatuur en rechtsspraak heeft betoogd dat naast ontbindingsschade ook wanprestatieschade voor vergoeding in aanmerking komt.
Geen schade wegens wanprestatie”). Het hof heeft dus geoordeeld dat [eiser] in principe recht heeft op vergoeding van wanprestatieschade, maar dat er in dit geval geen schade is zodat er ook niets vergoed hoeft te worden. Voor zover het subonderdeel klaagt dat het oordeel onbegrijpelijk is omdat het hof de ontbindingsschade en de wanprestatieschade afzonderlijk heeft beoordeeld, slaagt het ook niet. Een dergelijke benadering maakt niet dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De Hoge Raad heeft namelijk geoordeeld dat deze benadering (waarbij de ontbindingsschade en de wanprestatieschade afzonderlijk worden beoordeeld) niet tot wezenlijk verschillende resultaten voert (namelijk ten opzichte van de benadering waarin de ontbindingsschade tevens de wanprestatieschade omvat). [23] Het middel licht ook niet toe waarom de benadering door het hof ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk zou zijn. Het subonderdeel voert enkel in hoger beroep ingenomen stellingen aan die inhouden dat [eiser] ook wanprestatieschade mag vorderen in de schadestaatprocedure en dat hij dit inderdaad heeft gevorderd. Dat heeft het hof, zoals gezegd, allemaal niet miskend. De klachten falen.
eerste gedachtestreepje(begeleidings- en verbouwingskosten) onjuist, althans onvolledig weergeeft. [27] In de memorie van grieven is namelijk gesteld dat op grond van een notitie tussen partijen RG de begeleiding van de verbouwing op zich zou nemen “
behalve voor wat betreft de privé gedeelten”, dat “
ieder voor zich” de verbouwingen achter de voordeur zou dragen en dat de werkzaamheden aan gemeenschappelijke gedeelten in het pand
pro ratazouden worden bekostigd (MvG, nr. 2.4). Verder is door [eiser] gesteld dat in art. 3 lid 5 van Pro de ontwikkelingsovereenkomst is vastgelegd dat RG kosteloos zou zorgdragen voor de project- en bouwbegeleiding, “
behalve voor werkzaamheden in de privé gedeelten van het pand” (MvG, nr. 2.12). [28] Deze stellingen behelzen kortom dat de begeleidings- en verbouwingskosten, anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt lijkt te nemen, niet volledig zouden worden gedragen door RG c.s. Ik merk verder op dat de stellingen over deze kosten niet zijn ingenomen in het kader van de schadeposten A t/m D waarvan [eiser] in hoger beroep vergoeding heeft gevorderd (zie MvG, nrs. 5.17 en 5.18), maar slechts terloops in het kader van (inleidende) opmerkingen over de “
Achtergrond van het geschil en de vordering”. Anders gezegd, [eiser] heeft niet, zoals hem was geïnstrueerd in de hoofdzaak, een vermogensvergelijking gemaakt waarbij is toegelicht dat in situatie B ook de begeleidings- en verbouwingskosten moesten worden meegenomen.
eerste twee gedachtestreepjesgenoemde posten heeft het hof bovendien verworpen Het hof heeft immers geoordeeld dat in geval van uitvoering van de ontwikkelingsovereenkomst [eiser] jegens RG c.s. (alleen) aanspraak kon maken op de overeengekomen koopsom van € 1.875.000,- (zie rov. 6.9, 6.10 en 6.11). Daarin ligt niet besloten dat [eiser] recht had op begeleidings- en verbouwingskosten en de waardestijging van het pand. Deze posten betreffen geen schade ten gevolge van wanprestatie of ontbinding, maar ten gevolge van het feit dat uit de ontwikkelingsovereenkomst volgens het hof alleen volgt dat [eiser] recht heeft op betaling van de koopsom. [29] Dat oordeel is goed te volgen. De post begeleidings- en ontwikkelingskosten (eerste gedachtestreepje) zou immers, aldus ook het subonderdeel zelf, door RG c.s. niet aan [eiser] zijn betaald, maar zou hebben geleid tot herontwikkeling van het pand en zich dus hebben vertaald in een waardestijging (tweede gedachtestreepje). Het hof heeft de ontwikkelingsovereenkomst zo uitgelegd dat die waardestijging niet zou zijn betaald aan [eiser] , of anderszins aan hem ten goede zou zijn gekomen. [30] De stellingen die het subonderdeel daartegen aanvoert maken dat oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Dat de ontwikkelingsovereenkomst tot doel had een waardestijging van het pand te realiseren, zoals het subonderdeel aanvoert, maakt immers nog niet dat partijen in de ontwikkelingsovereenkomst hadden bepaald dat die waardestijging (mede) ten goede zou komen aan [eiser] . Ik lees dat in ieder geval niet in de ontwikkelingsovereenkomst, en het hof blijkbaar ook niet. [eiser] ’s stelling dat RG c.s. een misgelopen winst van 1 miljoen euro heeft geclaimd, maakt het oordeel evenmin onbegrijpelijk. Die claim van RG c.s. wijst namelijk niet op schade van [eiser] . De misgelopen winst was een (potentieel) voordeel uit de ontwikkelingsovereenkomst voor RG c.s. en niet voor [eiser] .
derde gedachtestreepje), tot slot, heeft het hof behandeld in rov. 6.30 t/m 6.32, waarin het toereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat die schadepost niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het subonderdeel bevat geen klacht dat dát oordeel ontoereikend zou zijn gemotiveerd, althans het licht in ieder geval niet toe waarom dat zo zou zijn. De klachten stuiten op het voorgaande af.
isgesplitst en er woningen
zijngerealiseerd, en doet daartoe een beroep op het ‘bijzonder uitgangspunt’ van het taxatierapport en de toelichting daarbij. Het hof heeft in rov. 6.13 zowel het ‘bijzonder uitgangspunt’ (taxatierapport, p. 3) als de toelichting daarbij (taxatierapport, p. 21) geciteerd, waarna het heeft overwogen dat “dit onderdeel van het rapport is besproken op de mondelinge behandeling”. [35] Het hof heeft vervolgens in rov. 6.14 overwogen dat [eiser] heeft aangevoerd dat bij de taxatie een nog uit te voeren verbouwing in aanmerking is genomen, maar dat het hof hem daarin niet volgt. De stellingen die het subonderdeel aanvoert zijn daarmee door het hof verworpen.
in aanvulling op het voorgaande” voor de door [eiser] gestelde schadeposten nog het volgende geldt (rov. 6.19), waarna het in rov. 6.20 e.v. schadeposten A t/m D gemotiveerd (op andere gronden) heeft verworpen. De gederfde huurinkomsten, schadepost A, waar de klachten van het subonderdeel op zien, komen dus al niet voor vergoeding in aanmerking omdat uit de vermogensvergelijking in rov. 6.12 t/m 6.18 al volgt dat [eiser] geen schade heeft geleden door de ontbinding. Aangezien de klachten tegen die overwegingen niet slagen, blijft dat oordeel overeind. Het ontbreekt dus aan belang bij de klachten van het subonderdeel die zijn gericht tegen rov. 6.22 waarin het hof op een andere, zelfstandig dragende grond heeft geoordeeld dat de gederfde huurinkomsten niet voor vergoeding in aanmerking komen, namelijk omdat het geen schade is die het gevolg is van de ontbinding van de ontwikkelingsovereenkomst.
koop van appartementen, verbouwensbegeleiding en een bijdrage in 2/3e deel in de vaste lasten” (subonderdeel onder 4.36).
geenschade heeft geleden. Voor zover het klaagt dat dat oordeel ontoereikend gemotiveerd is omdat [eiser] de schade ten gevolge van de wanprestatie heeft onderbouwd, slaagt het evenmin. In de door het subonderdeel aangedragen passage in de memorie van grieven lees ik niet dat [eiser] heeft onderbouwd welke schade hij door de wanprestatie heeft geleden. Op de aangehaalde plaats worden de vier schadeposten A t/m D uiteen gezet, die het hof uitvoerig gemotiveerd heeft verworpen in rov. 6.9 t/m 6.32. Het subonderdeel maakt overigens zelf ook niet duidelijk op welke wijze [eiser] schade door de wanprestatie heeft geleden.