Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
papierendie toebehoorde
naan [A] en/of [B] , heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak.”
Vordering tot schadevergoeding [B]
€ 17.624,83 (zeventienduizend zeshonderdvierentwintig euro en drieëntachtig cent) ter zake van materiële schade, waarvoor de verdachte met de mededader (s) hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
NJ2017/140 m.nt. Lindenbergh – strijd op met art. 150 Rv Pro. Daarbij komt dat de aanwezigheid van contant geld/bitcoins in een bedrijf als dat van de benadeelde partij, mede gelet op art. 68 Algemene Pro Wet inzake Rijksbelastingen, altijd in de administratie zal moeten zijn opgenomen, bijvoorbeeld in de vorm van een ‘kas’ waarin de inkomende en uitgaande contante gelden en/of bitcoins worden verantwoord. Het door de benadeelde partij overleggen van een dergelijke administratie is volgens de steller van het middel, mede gelet op art. 150 Rv Pro, dan ook geen overtrokken eis. De beslissing tot toewijzing van de vordering tot een bedrag van € 17.624,83, dan wel het impliciete oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering voor zover het de contante gelden en/of bitcoins betreft geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zou daarom onbegrijpelijk zijn, althans niet in voldoende mate met redenen zijn omkleed. Volgens de steller van het middel deelt de beslissing tot oplegging van een schadevergoedingsmaatregel voor genoemd bedrag (ten behoeve van [A] ) hetzelfde lot.
NJ2019/379 m.nt. Vellinga over de vordering van de benadeelde partij heeft de Hoge Raad onder het kopje “Beoordeling en beslissing rechter” onder meer het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
PHvK), het weggenomen contante geld (€ 17.500,-) alsmede de bitcoins (€ 40.000,-) niet voldoende is onderbouwd en dus niet is vast te stellen. Een ten behoeve van die vaststellingen noodzakelijk onderzoek levert volgens de verdediging een onevenredige belasting van het strafgeding op. Verzocht is de benadeelde partij in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Alleen de post “Fraude met bankpas [rekeningnummer 2] ” (€ 35.124,83 [5] ) is niet betwist. Verder merk ik op dat mij niet duidelijk is waarop het in de vordering van de advocaat-generaal bij het hof genoemde bedrag van € 32,624,83 precies is gebaseerd. [6]