ECLI:NL:PHR:2026:287

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
24/01096
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a SrArt. 421 Sr (oud)Art. 422 Sr (oud)Art. 423 Sr (oud)Art. 68 Sr
Verwijzingen
23 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling toepasselijkheid recidiveregeling art. 43a Sr bij veroordeling in Curaçao

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Den Haag waarin verdachte is veroordeeld voor afpersing, poging tot afpersing en overtreding van de WWM. De verdachte werd onder meer veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden. Het middel klaagt dat de door het Gerecht te Curaçao uitgesproken eerdere gevangenisstraf ten onrechte is betrokken bij de straftoemeting op grond van art. 43a Sr.

De conclusie van de procureur-generaal stelt dat art. 43a Sr alleen van toepassing is op eerdere onherroepelijke veroordelingen door een strafrechter in Nederland of in een andere lidstaat van de EU. Curaçao is een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden en geen EU-lidstaat, zodat de eerdere veroordeling in Curaçao niet onder art. 43a Sr valt.

Desondanks oordeelt de conclusie dat cassatie niet tot vernietiging hoeft te leiden omdat het hof binnen het wettelijke strafmaximum vrij stond de eerdere veroordeling mee te wegen bij de strafoplegging. De conclusie beveelt verwerping van het cassatieberoep, met een mogelijke vermindering van de straf bij overschrijding van de redelijke termijn.

De conclusie bevat een uitgebreide analyse van de wetsgeschiedenis van de recidiveregeling, de staatsrechtelijke positie van Curaçao, en de Europese regelgeving die de toepassing van recidive op eerdere veroordelingen in EU-lidstaten regelt. De slotsom is dat art. 43a Sr niet van toepassing is op veroordelingen in Curaçao, maar dat dit niet leidt tot cassatie van het vonnis.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de eerdere veroordeling in Curaçao niet onder art. 43a Sr valt, maar dat het hof deze binnen het strafmaximum mocht meewegen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01096
Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag [1] heeft in zijn arrest van 15 maart 2024 het vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 december 2022 – onder aanvulling van gronden – bevestigd. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens
- onder 1 primair “afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”;
- onder 2 “poging tot afpersing, terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan” en
- onder 3 “handelen in strijd met art. 26 lid 1 van Pro de WWM en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met art. 26 lid 1 van Pro de WWM” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof een omgebouwd gaspistool en vier (kogel)patronen onttrokken aan het verkeer verklaard en de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
1.2
Namens de verdachte heeft A.A. Franken, ten tijde van het indienen van de schriftuur advocaat in Arnhem, één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt over de onder 1 bewezenverklaarde strafverzwaringsgrond en/of dat een door het Gerecht te Curaçao uitgesproken veroordeling tot gevangenisstraf ten onrechte ten nadele van de verdachte is betrokken bij de straftoemeting.
2.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 24 september 2019 tot en met 30 april 2020 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen, door bedreiging met geweld [benadeelde] heeft gedwongen tot:
- de afgifte van een geldbedrag van (in totaal) 20.000 euro, toebehorende aan die [benadeelde] , door:
- naar het theehuis ’' [A] " van die [benadeelde] te gaan en
- voor de bar in het theehuis op een rij te gaan staan en op de bar te slaan en
- met harde stem tegen die [benadeelde] te zeggen: 'met ons systeem is niets mis gegaan' en 'ik
benvan [B] en jij moet 80.000 euro betalen' en 'jij moet betalen' en 'als je naar de politie gaat is het probleem nog niet opgelost' en dichtbij die [benadeelde] te staan en te zeggen: 'je gaat betalen anders heb je een groot probleem', en
- aldus een bedreigende en intimiderende overtalsituatie te doen ontstaan, en
- vervolgens meerdere keren naar het theehuis " [A] " te gaan om geld op te eisen en op te halen,
terwijl tijdens het plegen van dit misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan”.
2.5
Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit bevat het bevestigde vonnis onder meer het volgende bewijsmiddel:
“9. Het geschrift, te weten een uittreksel Justitiële Documentatie op grond van de Landsverordening/Wet op de Justitiële documentatie van 6 december 2022 ten name van de verdachte, voor zover inhoudende:
Parket Eerste Aanleg Curaçao.
Diefstal, door twee of meer verenigde personen gepleegd, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging niet geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijker te maken.
Onherroepelijk 02 februari 2012.
Gevangenisstraf 6 jaar, met aftrek van het voorarrest.
Bij ministeriële beschikking d.d. 29-01-15 m.i.v. 31-1-2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld.”
2.6
Ten aanzien van de opgelegde straf bevat het door het hof bevestigde vonnis onder meer de volgende overwegingen:

Strafblad
De rechtbank heeft rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie op grond van de Landsverordening/Wet op de Justitiële documentatie, gedateerd 6 december 2022. Daaruit volgt dat de verdachte voorafgaand aan het begaan van het onder 1. primair bewezen verklaarde eerder op Curaçao op 2 februari 2012 is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf. Deze veroordeling is onherroepelijk. De verdachte heeft zich binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van voormelde veroordeling wederom schuldig gemaakt aan soortgelijke misdrijven. De termijn van vijf jaar kan worden verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens van zijn vrijheid is beroofd. Bij ministeriële beschikking van 29 januari 2015 is de verdachte met ingang van 31 januari 2015 voorwaardelijk in vrijheid gesteld. De rechtbank weegt deze omstandigheid met inachtneming van art. 43a Sr ten nadele van de verdachte mee bij de straftoemeting.
[…]
Strafmodaliteit en strafmaat
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank de eerdere veroordelingen van verdachte voor vergelijkbare strafbare feiten mee. In strafmatigende zin wordt meegewogen dat de afpersing van [benadeelde] ongeveer drie jaar geleden heeft plaatsgevonden. Ook het gegeven dat feit 1 een relatief minder ernstige vorm van afpersing betreft, nu daadwerkelijk geweld en/of concrete verbale bedreigingen zijn uitgebleven, werkt strafmatigend en leidt tot een afwijking van de eis.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting.”
2.7
De vraag die in het middel wordt opgeworpen, is of een door het Gerecht in Curaçao uitgesproken veroordeling strekkende tot gevangenisstraf kan gelden als een “vroegere veroordeling” in de zin van art. 43a Sr.
2.8
Art. 43a Sr luidt:
“De op een misdrijf gestelde tijdelijke gevangenisstraf of hechtenis kan, onverminderd artikel 10, met een derde worden verhoogd indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert een vroegere veroordeling van de schuldige tot gevangenisstraf wegens een daaraan soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan. De termijn van vijf jaren wordt verlengd met de tijd waarin de veroordeelde rechtens zijn vrijheid is ontnomen.” [2]
2.9
Tot de invoering van art. 43a Sr op 1 februari 2006 bevatte het Wetboek van Strafrecht de volgende bepalingen:
- Art. 421 (oud) Sr:
“De in de artikelen 105, 174, 208-212, 216-222bis, 225-229, 310-312, 315, 317, 318, 321-323, 326-332, 341, 343, 344, 359, 361, 366, 373, laatste lid, 402, 416, 417, 420bis en 420ter bepaalde gevangenisstraf kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige hetzij een tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij een wegens diefstal, verduistering, heling, het opzettelijk voordeel trekken uit de opbrengst van enig door misdrijf verkregen goed, bedrog of witwassen krachtens de militaire wetten opgelegde straf, geheel of ten dele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering van die straf nog niet is verjaard.”
- Art. 422 (oud) Sr:
“De in de artikelen 108, eerste lid, 109, 110, 115, eerste lid, 116, 141, 181, 182, 287, 290, 291, 293, eerste lid, 296, 300-303, 381, 382, 395 en 396 bepaalde gevangenisstraf, alsmede de tijdelijke gevangenisstraf op te leggen krachtens de artikelen 92, 108, tweede lid, 115, tweede lid, 288 en 289, kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige hetzij een tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf, hetzij een wegens gewelddadig verzet tegen of mishandeling van meerderen of schildwachten, of van geweldenarijen tegen personen krachtens de militaire wetten opgelegde straf geheel of ten dele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering van die straf nog niet is verjaard.”
- art. 423 (oud) Sr:
“De in de artikelen 111-113, 117-119, 261-271, 418 en 419 bepaalde gevangenisstraf of hechtenis kan met een derde worden verhoogd, indien tijdens het plegen van het misdrijf nog geen vijf jaren zijn verlopen sedert de schuldige een tegen hem wegens een der in die artikelen omschreven misdrijven uitgesproken gevangenisstraf geheel of ten dele heeft ondergaan, of sedert die straf hem geheel is kwijtgescholden; of indien tijdens het plegen van het misdrijf het recht tot uitvoering van die straf nog niet is verjaard.”
2.1
De art. 421-423 (oud) Sr zagen blijkens hun redactie klaarblijkelijk op recidive van specifieke Nederlandse strafbepalingen. In de wetsgeschiedenis [3] zie ik ook geen aanknopingspunten om aan te nemen dat deze bepalingen ook van toepassing waren op eerdere veroordelingen uitgesproken door een rechter in Curaçao, dat toen nog een koloniale bezitting van het Koninkrijk met een eigen wetboek van strafrecht was. [4] Ik wijs er in dit verband op dat art. 2 van Pro het Nederlandse Wetboek van Strafrecht uit 1886 vermeldde dat “[d]e Nederlandsche strafwet […] toepasselijk [is] op ieder die zich
binnen het rijk in Europa[mijn cursivering, D.P.] aan eenig strafbaar feit schuldig maakt”. [5] Het ging destijds dus om verschillende rechtsstelsels met eigen strafbepalingen, zodat niet voor de hand ligt dat de recidiveregeling van art. 421-423 (oud) Sr ook gold in een situatie waar de eerdere veroordeling zag op in Curaçao gepleegde en berechte strafbare feiten.
2.11
Dit vermoeden wordt versterkt door het feit dat het – door de steller van het middel in de schriftuur aangehaalde – art. 68 Sr Pro destijds wel expliciteerde dat het verbod op het tweemaal vervolgen voor hetzelfde feit niet alleen gold als sprake is van een eerdere onherroepelijke beslissing “den Nederlandschen rechter” maar ook ingeval sprake was van een onherroepelijke beslissing “den rechter in de koloniën en bezittingen van het rijk in andere werelddelen”. [6] Art. 68 Sr Pro is daarna steeds aangepast bij staatkundige veranderingen binnen ons Koninkrijk. Zo is in 1965 de voornoemde zinssnede vervangen door “van de rechter in Nederland, Suriname of de Nederlandse Antillen”. [7] Het lijkt me dat ingeval de wetgever had gewild dat de recidivebepalingen van art. 421-423 (oud) Sr ook een dergelijke ruime reikwijdte hadden, zij dit op eenzelfde wijze had geëxpliciteerd en aangepast.
2.12
Wat betekent dit nu voor het toepassingsbereik van de recidiveregeling neergelegd in art. 43a Sr? Toen op 1 februari 2006 met inwerkingtreding van de wet tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994, in verband met de herijking van een aantal wettelijke strafmaxima art. 421-423 Sr zijn vervallen en daarvoor art. 43a Sr in de plaats is gekomen, [8] was Curaçao deel van de Nederlandse Antillen; een
zelfstandig landbinnen het Koninkrijk der Nederlanden. [9] Art. 43a Sr hield een veralgemenisering van de recidiveregeling van art. 421-423 (oud) Sr in. [10] Aanleiding van deze wetswijziging was de motie Nicolaï, Van Oven en Van de Camp, [11] waarin tot uitdrukking werd gebracht “dat bij het bepalen van de strafhoogte nadrukkelijker rekening moet worden gehouden met de recidive” en aan de regering werd verzocht “een voorstel te doen om recidive als algemene strafverzwaringsgrond op te nemen in het Wetboek van Strafrecht, waarbij aan de rechter een motiveringsplicht wordt opgelegd”. Ik zie in de wettekst noch de wetsgeschiedenis van art. 43a Sr – mede gezien hetgeen ik in het vorige randnummer uiteen het gezet – aanknopingspunten voor de stelling dat deze veralgemenisering naast betrekking op veroordelingen van een Nederlandse rechter ook betrekking heeft op veroordelingen van soortgelijke misdrijven door een strafrechter in Curaçao.
2.13
Ook de latere wijziging ten aanzien van het toepassingsbereik van art. 43a Sr in 2010 leidt niet tot een ander oordeel. In het op 1 juli 2010 [12] ingevoerde art. 78c Sr wordt aan “een voorafgegane of vroegere veroordeling wegens een strafbaar feit” (zoals bedoeld in art. 43a Sr) gelijkgesteld “een voorafgegane of vroegere onherroepelijke veroordeling door een strafrechter in een andere lidstaat van de Europese Unie wegens soortgelijke feiten”. Dit artikel is ingevoerd ter implementatie van het kaderbesluit nr. 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 dat lidstaten verplichtte, te bewerkstelligen dat in een strafrechtelijke procedure tegen een verdachte rekening wordt gehouden met vroegere strafrechtelijke veroordelingen tegen die verdachte uitgesproken in andere EU-lidstaten en tevens dat aan dergelijke veroordelingen vergelijkbare rechtsgevolgen worden verbonden als aan nationale veroordelingen. [13] In de memorie van toelichting op deze wet wordt door de wetgever het standpunt ingenomen dat “[v]oor zover in de bestaande wettelijke bepalingen niet expliciet wordt verwezen naar veroordelingen door een buitenlandse rechter – zoals het geval is in artikel 43c Sr – […] het ervoor [moet] worden gehouden dat de werkingssfeer van deze artikelen zich beperkt tot vroegere veroordelingen uitgesproken door een Nederlandse strafrechter”. [14]
2.14
Op basis van het voorgaande meen ik dat art. 43a Sr enkel van toepassing is ingeval sprake is van een onherroepelijke vroegere veroordeling tot een gevangenisstraf door 1) een strafrechter in Nederland of 2) een strafrechter in een andere lidstaat van de EU. Curaçao is ingevolge art. 1 van Pro het Statuut een zelfstandig land binnen het Koninkrijk der Nederlanden en de strafrechter in Curaçao is derhalve geen strafrechter in Nederland. Voorts is Curaçao ingevolge art. 198 VWEU Pro in combinatie met bijlage II bij dit verdrag een ‘overzees gebied’ en dus geen EU-lidstaat. De slotsom luidt dus dat een veroordeling van het Gerecht in Curaçao niet over de band van art. 43a Sr tot verhoging van de op een strafbepaling gestelde wettelijke maximum gevangenisstraf of hechtenis kan leiden.
2.15
Voor het onderhavige cassatieberoep betekent het voorgaande dat het middel terecht is voorgesteld. Echter, cassatie kan mijns inziens achterwege blijven bij een gebrek aan belang. De aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van 12 maanden ligt ver beneden de maximale gevangenisstraf van 16 jaar die geldt voor de meerdaadse samenloop van de bewezenverklaarde afpersing in vereniging, poging tot afpersing in vereniging en het voorhanden hebben van een vuurwapen. [15] Dat het hof in de strafmotivering de eerdere veroordeling van het Gerecht in Curaçao ten nadele van de verdachte heeft meegewogen, maakt dit niet anders. Ook zonder toepassing van art. 43a Sr stond het de rechter immers vrij om – binnen het wettelijke strafmaximum – deze omstandigheid ten nadele van de verdachte mee te wegen bij vaststelling van de hoogte van de aan hem opgelegde gevangenisstraf. [16] In dit verband is van belang dat het hof (ook) de beschikking had over justitiële gegevens uit Sint Maarten, Curaçao, Bonaire, Sint Eustatius en Saba betreffende de verdachte, die in een aparte databank bij de Justitiële informatiedienst (JustID) zijn opgeslagen. [17]

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt.
3.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van cassatie op 21 maart 2024 reeds twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden. Indien deze overschrijding wordt beperkt tot maximaal 1 maand kan worden volstaan met constatering daarvan. Anders zal dit dienen te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf. [18]
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep en, afhankelijk van de mate van overschrijding van de redelijke termijn, tot constatering daarvan dan wel vernietiging van de bestreden uitspraak, maar in dat geval alleen wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Rolnummer: 22-003714-22.
2.Na de invoering van deze bepaling in 2006, is “veroordeling” op 1 juli 2010 gewijzigd in: vroegere veroordeling. Dit gebeurde met de invoering van de Wet van 20 mei 2010 tot implementatie van het kaderbesluit nr. 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (PbEU L 220)
3.H.J. Smidt,
4.In 1869 is onder meer “het Wetboek van Strafregt voor de kolonie Curaçao” in werking getreden (zie Publicatieblad 1868, nummer 16, art. 1; blijkens art. 3 werd Pro met de invoering “der nieuwe Wetgeving in de kolonie Curaçao” het “wettelyk gezag van het Oud-Hollandsche en van het Romeinsche regt” afgeschaft). De term “Curaçao” werd toen gebruikt voor het geheel van de Caribische bezittingen (de term Nederlandse Antillen werd toen nog niet gebruikt; zie in dit verband F.H. van der Burg & W.J.M. Voermans,
5.Zie H.J. Smidt,
6.H.J. Smidt,
9.A.W. Heringa, L.F.M. Verhey & W. van der Woude,
15.Vgl. HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:831, r.o. 3.5.
16.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975, r.o. 3.4.
17.Terwijl binnen Europa de justitiële documentatie vrijwel geheel is gekoppeld, waardoor bij het opvragen van justitiële documentatie tevens de eventuele documentatie in andere EU-landen in beeld komt, is dat opmerkelijk genoeg niet het geval binnen het Koninkrijk. Zie hieromtrent: De uitwisseling van politiële en justitiële gegevens binnen het Koninkrijk met het accent op Bonaire, Sint Eustatius en Saba, Inspectieonderzoek van de Raad voor de rechtshandhaving naar de uitwisseling van gegevens in het kader van de opsporing binnen het Koninkrijk der Nederlanden, maart 2017, p. 40-41, te raadplegen via www.raadrechtshandhaving.com.
18.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.2 en 3.4.