ECLI:NL:PHR:2026:340

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
31 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
25/00952
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 27 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor doodslag door samendrukkend geweld op hals bij zwaar geïntoxiceerd slachtoffer

De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden wegens doodslag op zijn partner, die overleed na het toepassen van samendrukkend geweld op haar hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was met GHB en alcohol.

Het hof baseerde zijn oordeel op uitgebreid forensisch en toxicologisch onderzoek, waaruit bleek dat het slachtoffer zowel letsels had die duiden op verwurging als een hoge, mogelijk dodelijke GHB-concentratie. Deskundigen stelden dat het geweld op de hals bij leven was toegepast en geschikt was om de dood te veroorzaken, en dat het overlijden waarschijnlijker door het geweld dan door de intoxicatie was veroorzaakt.

De verdediging stelde een alternatieve verklaring voor, waarin het geweld onbedoeld zou zijn toegebracht, maar het hof verwierp dit op grond van de ernst en aard van de letsels, de gedragingen van de verdachte na het overlijden en de verklaringen van deskundigen en getuigen.

De Hoge Raad concludeert dat het hof het causaal verband en het voorwaardelijk opzet van de verdachte voldoende heeft gemotiveerd en dat de bewezenverklaring van doodslag niet onbegrijpelijk is. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor doodslag met een gevangenisstraf van acht jaar en zes maanden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00952
Zitting31 maart 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 12 maart 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-003130-22), wegens “doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren en zes maanden, met aftrek overeenkomstig art. 27 Sr Pro. Het hof heeft daarnaast de gevangenneming van de verdachte bevolen en beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals omschreven in het bestreden arrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Uitgaande van de vaststellingen van het hof in het bestreden arrest draait het in deze strafzaak om het volgende. Op 9 april 2020 is [slachtoffer] , de partner van de verdachte, dood aangetroffen in hun woning te [plaats] , nadat zij samen met de verdachte gedurende meerdere dagen (onder meer) grote hoeveelheden GHB en lachgas heeft gebruikt. Uit de bevindingen van de deskundigen die het lichaam van [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) hebben onderzocht, volgt dat de dood van het slachtoffer zowel verklaard kan worden op traumatische als op toxicologische gronden. Uit het toxicologisch onderzoek volgt dat de bij het slachtoffer gemeten GHB-concentratie een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis GHB dan bij personen die aan diezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden. Daarnaast blijkt uit het onderzoek van de pathologen dat het intreden van de dood ook verklaard kan worden door samendrukkend geweld op de hals van de verdachte. Het hof heeft vastgesteld dat er naast de verdachte en het slachtoffer geen derden in hun woning aanwezig zijn geweest op de dag dat het slachtoffer overleed, en dat door de deskundigen is verklaard dat een scenario waarin het slachtoffer zichzelf het geconstateerde letsel aan de hals heeft toegebracht, onaannemelijk is. Het hof concludeert daaruit dat de verdachte degene is geweest die het geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast.
2.2
Het hof acht het aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door de verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt. Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat de gedragingen van de verdachte (het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals) kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard, zodat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Het hof verwerpt het door de verdediging geschetste alternatieve scenario, inhoudende dat de verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust heeft samengedrukt of toegesnoerd. [1]
2.3
In cassatie wordt niet betwist dat de verdachte geweld heeft toegepast op de hals van het slachtoffer. Wel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof dat de dood van het slachtoffer aan de verdachte kan worden toegerekend
(middel 1), tegen de verwerping door het hof van het door de verdediging geschetste alternatieve scenario
(middel 3)en tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer
(middel 2). [2]
2.4
Hieronder geef ik eerst de bewezenverklaring en de bewijsvoering door het hof integraal weer. Bij de bespreking van de middelen zal ik voor het overzicht regelmatig passages uit de bewijsvoering opnieuw citeren.

3.Bewezenverklaring en bewijsvoering

3.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij op of omstreeks 09 april 2020 te [plaats] , [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door op het hoofd en de hals van die [slachtoffer] een of meer vorm(en) van geweld toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde persoon is overleden.”
3.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met overneming van voetnoten):

Bewijsmiddelen [3]
Inleiding
Niet ter discussie staat dat verdachte en het slachtoffer dagen achter elkaar (vanaf zondag 5 april 2020 tot en met donderdag 9 april 2020) samen veel drugs (in het bijzonder amfetamine en grote hoeveelheden GHB) en daarnaast (veel) lachgas hebben gebruikt. In de avond van woensdag 8 april 2020 en in de nacht van woensdag 8 op donderdag 9 april 2020 hebben beiden ook alcohol gedronken.
Dit gebruik heeft plaatsgevonden in één van de ruimtes in de woning aan [a-straat 1] in [plaats] , in het proces-verbaal aangeduid als “de kantine”. [4]
Uit de verklaringen van verdachte [5] en de bevindingen van het onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer [6] volgt dat zij op woensdag 8 april 2020 nog in leven was.
Het hof zal daarom hierna enkel ingaan op de (relevante) gebeurtenissen van ná 8 april 2020.
Feiten en omstandigheden op donderdag 9 april 2020
Uit onderzoek aan de telefoon van het slachtoffer (een Samsung Galaxy S10) volgt dat daarmee – voor zover relevant – op donderdag 9 april 2020 de volgende handelingen zijn verricht:
- om 00.00 uur is een WhatsAppbericht gelezen [7] ;
- om 02.11 uur is het toestel ontgrendeld, en is onder andere de Marktplaatsapplicatie gebruikt;
- om 09.09 uur registreerde de telefoon surfgedrag dat gekoppeld is aan de activiteitentijdslijn van
Google;
- om 12.43 uur is het toestel uitgeschakeld door handelen van de gebruiker. Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer haar telefoon zelf heeft uitgezet omdat zij geen zin had om [naam 4]
[het hof begrijpt: haar ex-partner, [naam 4] ]te woord te staan die op dat moment belde; [8]
- om 18.09 uur is het toestel weer ingeschakeld;
- tussen 18.47 uur en 18.53 uur is er in totaal negen keer een foutief toestelwachtwoord opgegeven. Verdachte heeft verklaard dat hij op dat moment probeerde in de telefoon van het slachtoffer te komen zodat hij het nummer van de huisarts kon opzoeken. [9]
Op 9 april 2020 tussen 18.56 uur en 19.20 uur is op de laptop (een Apple MacBook) via
Googlegezocht naar de zoekterm “huisarts [plaats] ”. [10] Verdachte heeft verklaard dat hij degene is geweest die deze handeling heeft verricht. [11]
Op 9 april 2020 om 19.14 uur heeft verdachte met de vaste telefoonlijn naar huisarts [naam 5] gebeld. [12] Verdachte belde naar eigen zeggen voor advies naar de huisarts, nadat hij had geconstateerd dat het slachtoffer niet meer reageerde, ook niet op pijnprikkels, en dat zij er “rood, blauw of misschien wel paars” uitzag en koud was. Verdachte heeft de huisarts niet gesproken. [13]
Uit de verklaring van verdachte volgt verder dat hij zag dat er bloed op het shirt van het slachtoffer zat. Hij heeft het shirtje en broekje van het slachtoffer vervolgens uitgetrokken, een ander shirt en een ander broekje gepakt en deze bij haar aangedaan. Tijdens het omkleden voelde het slachtoffer volgens verdachte “hard”, “klam” en “heel stijf”, en het was alsof zij “tegendruk” gaf. [14]
De politie heeft geconstateerd dat er over de rand van de wasmand een wit topje en een kussensloop hingen. Aan de voorzijde van het topje zat bloed. [15]
Ook zag verdachte dat er bloed op het onderlaken van het bed zat. Hij heeft het beddengoed daarom in de wasmachine gedaan en de wasmachine aangezet. [16]
De politie heeft geconstateerd dat de wasmachine ingeschakeld was. De stand van de wasmachine stond op: “Snel & Mix” en “40 graden”, de status stond op “einde”.
De wasmachine was gevuld met een theedoek, een kussensloop, een dekbedovertrek, een gastendoekje en drie hoeslakens. De goederen voelden vochtig aan. [17]
Verder heeft verdachte verklaard dat hij na het omkleden van het slachtoffer en het verschonen van het beddengoed in afwachting van de ouders van [slachtoffer] en de politie nog wat heeft opgeruimd door de gebruikte lachgasballonnen en wat andere rommel onder de bank in de kantine te schuiven. [18]
Door de medewerkers van de afdeling Forensische Opsporing is onderzoek in de woning aan [a-straat 1] verricht. Op een aantal foto's die naar aanleiding van dit onderzoek in de garage van de woning zijn gemaakt, is een lachgas-cilinder zichtbaar. Die cilinder was afgedekt met een doek. De wijze van aantreffen maakte op de verbalisant een zorgvuldig opgeruimde indruk waarvoor de tijd was genomen. [19]
Vijftig minuten nadat verdachte het nummer van de huisarts had opgezocht (maar deze niet had gesproken), om 20.04 uur, heeft verdachte [20] zijn ouders gebeld. [21] Hij heeft verklaard dat hij op dat moment al wist dat het slachtoffer was overleden. [22]
Omstreeks 20.05 uur heeft verdachte gebeld naar het alarmnummer 112. Tijdens het gesprek met de centralist van de meldkamer heeft verdachte gezegd dat zijn vrouw raar deed, dat ze heel slecht ademde en dat het leek alsof ze blauw zag. Verder heeft verdachte gezegd dat ze buiten bewustzijn leek en dat hij haar middenrif niet meer op en neer zag gaan. [23]
Om 20.08 uur kreeg getuige [getuige 1] als burgerhulpverlener een melding van een reanimatie. Hij is ter plaatse gegaan en liep achter een man aan de woning binnen, naar een kamer waar het helemaal donker was. Naast het bed lag een vrouw op de grond. [getuige 1] heeft de man gevraagd een lamp aan te doen. Toen hij de reanimatie wilde starten, constateerde hij dat de vrouw ijskoud aanvoelde, dat haar arm stijf was en dat ze een gestuwd bovenlichaam had. [24]
De politie arriveerde omstreeks 20.15 uur. Zij zagen in de slaapkamer het levenloze lichaam van een vrouw liggen. Van de ambulancemedewerkers hoorden zij dat reanimeren geen zin meer had omdat het slachtoffer al was overleden en koud aanvoelde.
Omstreeks 21.30 uur arriveerde de huisarts [naam 3] . Na onderzoek aan het slachtoffer deelde de huisarts mee dat hij gelet op het aantal bevindingen geen verklaring van natuurlijk overlijden wilde afgeven en hij de zaak wilde overdragen aan een forensisch arts. [25]
Op 9 april 2020 omstreeks 22.00 uur is door de politie forensisch onderzoek verricht. De verbalisanten zagen dat het slachtoffer forse stuwing in het gezicht en de hals vertoonde. Verder zagen zij dat er bloed in het rechterneusgat zichtbaar was en dat er twee bloedspoortjes vanaf de neus naar het rechteroor liepen. Ook zagen de verbalisanten in de huid van het hoofd petechiae (puntbloedingen) en vibices (puntvormige veranderingen). De verbalisanten constateerden dat de temperatuur van het slachtoffer op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur 27.3 °C bedroeg bij een omgevingstemperatuur van 18.0 °C. Bij een afname van ongeveer 10.0 °C, uitgaande van een normale lichaamstemperatuur van 37.0 °C, zou het postmortale interval volgens de verbalisanten zeer waarschijnlijk aanzienlijk groter zijn dan de tijd tussen de melding van het overlijden en het uitvoeren van de meting.
Op basis van de gemeten temperatuur van het slachtoffer, de omgevingstemperatuur en het geschatte gewicht van het slachtoffer, is geconcludeerd dat het tijdstip van overlijden hoogstwaarschijnlijk tussen donderdag 9 april 2020 om 05.30 uur en donderdag 9 april 2020 om 14.30 uur heeft gelegen. [26]
Het slachtoffer is geïdentificeerd als [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1980. [27]
Forensische bevindingen
Op 10 april 2020 omstreeks 01.18 uur heeft schouwarts [naam 1] in het bijzijn van de politie een lijkschouw verricht. Bij deze schouw werden diverse hematomen en huidbeschadigingen op de linkerzijde van het voorhoofd en bij de haargrens geconstateerd. Daarnaast vertoonde het gelaat forse stuwing en had het slachtoffer petechiae in de slijm-/bindvliezen van beide ogen, in het oogwit van het linkeroog en in de slijmvliezen in de mond. [28]
Op 11 april 2020 heeft patholoog [deskundige 1] samen met patholoog [naam 2] sectie verricht op het lichaam van het slachtoffer. De voorlopige conclusie naar aanleiding van deze sectie houdt in dat het intreden van de dood van het slachtoffer verklaard kan worden door het volgende:
1. Uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging).
Bij de sectie werden inwendige letsels (bloeduitstortingen) in de schuine halsspieren beiderzijds vastgesteld, reikend tot aan beide sleutelbeenderen.
Ook werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwing vastgesteld. Deze letsels/bevindingen zijn ontstaan ten gevolge van uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Samendrukkend geweld op de hals leidt doorgaans tot zuurstofgebrek in de hersenen (cerebrale hypoxie).
2. (Samen)drukken van de mond en neus (smoren).
Bij de sectie werden letsels aan de neus en de onderlip vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend geweld (zoals door stoten, vallen, slaan, tegen iets aankomen), (samen)drukken van de mond en neus (smoren) of een combinatie van voornoemde oorzaken.
3. Mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg).
Bij de sectie werden uitwendige letsels van de borst vastgesteld. Deze letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, mogelijk deels comprimerend geweld en deels zuigend geweld (zuigen aan de borstklieren).
Hiermee wordt gedacht aan drukuitoefening (traumatische mechanische compressie) op de borst zoals door stompen, zitten, duwen tegen de borst. Dit kan hebben geleid tot zuurstofgebrek en de dood.
De combinatie van geweld op de mond/neus (smoren) en drukuitoefening op de borst (traumatische mechanische compressie) kan gelijktijdig hebben plaatsgehad, ook wel
‘burking’genoemd. [29]
Teneinde een toxicologische mede-doodsoorzaak of beïnvloeding te onderzoeken, is een toxicologisch onderzoek uitgevoerd.
Uit het rapport van toxicoloog [deskundige 3] volgt dat in het lichaamsmateriaal van het slachtoffer de volgende stoffen zijn aangetoond:
• Ethanol (alcohol): 0,86 mg/ml in het femoraalbloed.
De gemeten ethanolconcentratie in het femoraalbloed is een concentratie waarbij, bij een gematigde gebruiker, onder andere opgewektheid, enige ontremming, verhoogde spraakzaamheid, verstoorde waarneming en vertraagde reactietijd kunnen optreden;
• GHB: 530 mg/l.
De gemeten GHB-concentratie in het femoraalbloed is een hoge concentratie waarbij toxische verschijnselen kunnen optreden, waaronder diepe coma-achtige slaap. Gelijktijdig gebruik van dempende stoffen (GHB en ethanol) leidt tot een sterker dempend effect op het centraal zenuwstelsel dan de stoffen afzonderlijk doen. In dit geval kunnen de effecten van GHB worden versterkt door de aanwezigheid van ethanol;
• Benzodiazepinen: diazepam en omzettingsproduct desmethyldiazepam in lage concentraties (0,019 mg/l en 0,013 mg/l);
• Amfetamine in een lage concentratie.
De toxicoloog heeft verder het volgende gerapporteerd.
In het hartbloed is een aanwijzing verkregen voor de aanwezigheid van salicylzuur (dat is een stof met een pijnstillende, koortsverlagende, ontstekingsremmende werking), maar het is niet met zekerheid in het hartbloed aangetoond. Er zijn geen aanwijzingen verkregen voor de aanwezigheid van andere geneesmiddelen, drugs en/of bestrijdingsmiddelen.
De gemeten GHB-concentratie is volgens de toxicoloog een concentratie die beter past bij GHB-concentraties die zijn gemeten bij personen die zijn overleden aan een GHB-overdosis dan bij GHB-concentraties gemeten bij personen die niet zijn overleden.
De effecten zijn echter afhankelijk van de mate van gewenning aan GHB. De toxicoloog concludeert dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel, en kan bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak het overlijden verklaren. [30]
Uit het definitieve sectierapport van 11 september 2020 van patholoog [deskundige 1] volgt onder andere het volgende. [31]
Bij sectie werden tekenen van bij leven ontwikkelde stuwingsverschijnselen vastgesteld, met rood-paarse verkleuring van het gelaat en de hals, talrijke puntvormige bloeduitstortingen (petechiae) onderhuids in het gelaat, grotere bloeduitstortingen (ecchymosen) in de bindvliezen en het oogwit boven- en onderwaarts beiderzijds en puntvormige bloeduitstortingen in het tandvlees rechtsboven.
Doorgaans worden stuwingsverschijnselen (petechiae en ecchymosen en rode verkleuring van het gelaat en de hals) opgeleverd door:
- bij leven doorgemaakt uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging). De halsspierbloedingen passen hier ook goed bij;
- een plotse (acute) hartdood (maar daar was gezien de sectiebevindingen geen sprake van), en
- intensieve reanimatie door medici (maar daar was gezien de verkregen informatie geen sprake van).
Bij leven opgelopen samendrukkend geweld op de hals (verwurging) dient, mede gezien de halsspierbloedingen en de uitgebreidheid van de stuwingsverschijnselen, daarom als oorzaak voor de stuwingsverschijnselen te worden overwogen.
Indien dat aan de orde is geweest, wordt verwurging aangewezen als (mede)oorzaak van of als bijdrage aan het overlijden.
[deskundige 1] heeft verder gerapporteerd dat, indien er geen sprake is geweest van samendrukkend geweld op de hals (verwurging) als oorzaak van de stuwingsverschijnselen, het volgende als zeldzame, maar niet uitgesloten oorzaak moet worden overwogen (mede gelet op de houding van de overledene (rondom kort na het overlijden) en de uitkomsten van het uitgebreid toxicologisch onderzoek).
In het licht van de omstandigheden dat:
- de overledene gezien de uitkomst van het toxicologisch onderzoek bij leven/rondom het overlijden onder invloed van dempende stoffen is geweest (dat, al of niet gecombineerd met de hoofdletsels, tot een verminderd bewustzijn kan hebben geleid);
- de overledene in deze toestand mogelijk gedurende een bepaalde tijd in verminderd bewustzijn en in een bepaalde houding heeft gelegen (posturale asfyxie: bijvoorbeeld rugligging of buikligging met omlaag afhangen van het hoofd/de hals (denk bijvoorbeeld aan met het hoofd langs de rand van een bank of bed, waarmee ook de distributie van lijkvlekken kan worden verklaard; echter de uitgebreidheid van de beiderzijds in de hals vastgestelde bloeduitstortingen past daar niet goed bij)), en
- er mogelijk sprake is geweest van gebruik van aspirine (aspirine is niet met zekerheid aanwezig geacht door de toxicoloog; aspirine heeft mede een effect op de bloedplaatjes waardoor bloedverdunning kan zijn ontstaan en daardoor de uitgebreidheid en grootte van de petechiae en ecchymosen (enigszins) kan zijn beïnvloed); kan het gehele beeld van stuwing ook worden verklaard zonder dat er sprake geweest is van samendrukkend geweld (verwurging) als oorzaak.
De patholoog vat haar bevindingen als volgt samen.
Het intreden van de dood kan goed en volledig worden verklaard op toxicologische gronden, namelijk door de effecten van een hoge concentratie GHB.
Het overlijden kan op grond van de sectiebevindingen echter op traumatische gronden, namelijk door samendrukkend geweld op de hals (verwurging), niet worden uitgesloten. Vanwege het totale beeld van letsels/bevindingen die bij leven waren ontstaan (waaronder kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën), die niet kunnen worden verklaard op grond van een intoxicatie, gaat voor wat betreft de doodsoorzaak de voorkeur in het onderhavige geval uit naar geweldpleging door een andere persoon door middel van samendrukkend, toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon (waarbij GHB-intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad).
Naast de hiervoor weergegeven bevindingen heeft de patholoog tijdens de sectie talloze overige letsels vastgesteld:
• Letsels hoofd uitwendig (voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd: letsels
A,B, C en N):
A:Aan het voorhoofd links en deels aan het behaarde hoofd links waren er 3 letsels bestaande uit roodbruine tot zwarte huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen met plaatselijk indroging en geringe oppervlakkige huidbeschadiging. De grootste was maximaal 2 bij 1,1 centimeter. Wonddateringsonderzoek toonde aan dat dit letsel vitaal was (dus bij leven opgeleverd) met een reactie passend bij een meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.
B:Verspreid aan de neus waren circa 14 kleine oppervlakkige huidbeschadigingen met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen, maximaal circa 0,3 bij 0,1 centimeter.
C: In het slijmvlies van de onderlip (onder de lipriem) en daarnaast rechts waren in totaal 3 bloeduitstortingen.
N: Aan het behaarde hoofd links, aan het voorhoofd links, doorlopend tot aan het linkeroor voorwaarts, was er letsel met een bepaald patroon. Het betrof een gebied van circa 20 bij 7,5 centimeter met daarin circa 37 oppervlakkige krasvormige huidbeschadigingen van circa 4 bij 0,1 centimeter met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen. Ze lagen op een onderlinge afstand van circa 0,2-1,4 centimeter en verliepen iets schuin op de lengteas van het lichaam. Wonddateringsonderzoek van dit letsel toonde geen overtuigende kenmerken van vitaal (bij leven opgeleverd) letsel, maar wel lichtmicroscopisch plaatselijk uitgetreden rode bloedcellen (extravasatie van erythrocyten). Macroscopisch was bij sectie evident vitaal letsel zichtbaar. De uitkomst van wonddateringsonderzoek van dit letsel is dus niet in lijn met datgene dat macroscopisch is vastgesteld (mogelijke oorzaken van deze discrepantie zijn: inadequate bemonstering van het letsel of rondom het overlijden ontstaan letsel met
• daardoor uitblijven van zichtbare wondreactie). Letsel hoofd inwendig: in relatie met de letsels
Aen
Nwas er een uitgebreide bloeduitstorting binnenwaarts in de schedelhuid links, in het botvlies en in een groot deel van de linkerslaapspier.
• Letsels romp: er waren aan de borst, buik en de rechter bil enkele huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, maximaal circa 6,2 bij 2 centimeter.
• Letsels hals inwendig: inwendig waren in beide schuine halsspieren in lengterichting verlopende vrijwel over de gehele lengten van die spieren verlopende bloeduitstortingen, reikend tot aan beide sleutelbeenderen en hoog tot onder de kaaklijnen. Ook in de spieren langs en voorwaarts van de halswervels waren enkele bloeduitstortingen.
• Letsels ledematen: verspreid aan de ledematen (strek- en buigzijde, zij- en binnenwaarts) waren talloze rode, paarse, blauwe, groene huidverkleuringen en 1 gele huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstortingen (hematomen). Wonddateringsonderzoek van letsel aan de strekzijde van de rechteronderarm toonde een vitaal (bij leven ontstaan) letsel met een reactie passend bij meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.
Deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet drukkend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, tegen iets aankomen) en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.
Ten aanzien van de letsels aan het behaarde hoofd en voorhoofd (letsels
Aen
N), die tot aan de binnenzijde van de schedelhuid en tot in het botvlies van het schedeldak en de linkerslaapspier reikten, heeft de patholoog opgemerkt dat deze letsels bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet tevens drukkend geweld zoals door hevig slaan (al of niet met een voorwerp, zie in dat kader ook het typisch patroon van letsel
N) of hevig vallen (waarbij gezien letsel
Nhevig vallen op een structuur met een bepaald patroon dient te worden overwogen). Deze letsels hebben niet geleid tot letsels inwendig in de schedelholte en zijn niet van belang voor de dood, maar kunnen wel geleid hebben tot bewustzijnsstoornissen.
In een aanvullend rapport van 2 februari 2021 heeft de toxicoloog nog het volgende opgemerkt. Op basis van de snelheid van de klaring van GHB
[het hof begrijpt: de snelheid waarmee het lichaam het middel verwerkt]past de hoogte van de gemeten concentratie bij een inname in de uren voorafgaand aan het overlijden van het slachtoffer en niet bij een inname van GHB tijdens de dag(en) daarvoor. [32]
Naar aanleiding van nader onderzoek naar de bevindingen van de patholoog en de toxicoloog heeft professor [deskundige 2] , forensisch patholoog, in zijn rapport van 16 juni 2021 het volgende geconcludeerd. [33] Zowel GHB als alcohol heeft een cardiorespiratoir onderdrukkend effect
[het hof begrijpt: een onderdrukkend effect op het hart en de ademhaling]. GHB heeft een nauwe toxische marge en een snel effect na inname. De aangetroffen GHB-concentratie in dit geval is, conform de NFI-rapportage, zeker van dien aard om het overlijden te kunnen verklaren. Er kan aldus worden besloten dat de vastgestelde GHB-concentratie, indien deze al niet fataal was, op zijn minst ernstige symptomen met een indaling van het bewustzijn moet hebben veroorzaakt. De combinatie van de vastgestelde letsels kan op zich de dood veroorzaken volgens de mechanismen van smoring, geweld op de hals, dooddrukking of een combinatie van deze mechanismen. In dit geval kan noch worden uitgesloten, noch worden bewezen, dat deze mechanismen hebben bijgedragen tot de dood. Desalniettemin kan, op basis van de huidige, aan de deskundigen beschikbaar gestelde elementen in het dossier, onvoldoende alternatieve verklaring worden gegeven voor de stuwingsverschijnselen en traumatische letsels, zoals vastgesteld bij de inwendige lijkschouwing.
Verhoren van de deskundigen tijdens de zitting van 14 januari 2022
Op de zitting van de rechtbank van 14 januari 2022 zijn de deskundigen [deskundige 1] , [deskundige 2] , [deskundige 3] en [deskundige 4] zeer uitvoerig gehoord over hun bevindingen. De verklaringen van de deskundigen op de zitting houden – voor zover relevant – het volgende in. [34]
Deskundige [deskundige 1] heeft meermalen benadrukt dat, waar het gaat om de vraag naar de oorzaak van de letsels, naar het geheel van de letsels moet worden gekeken en dat deze niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld. [35]
De verschillende vaststellingen moeten met elkaar in verband worden gebracht om daarvoor een logische, aanvaardbare en in de wetenschappelijke literatuur erkende verklaring te vinden, aldus ook deskundige [deskundige 4] . [36]
Volgens deskundige [deskundige 2] mag de discussie over de oorzaak van de bloedingen in de halsspieren niet los worden gezien van de begeleidende fenomenen, zoals de stuwingsverschijnselen: de betreffende bevindingen moeten samen worden gezien en beoordeeld. [37]
Deskundige [deskundige 4] heeft verklaard dat de halsspierbloedingen een traumatische oorsprong hebben. Hij meent dat, kijkend naar de forensische literatuur, de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen (zoals ze bij het slachtoffer beschreven en vastgesteld zijn) wordt gevormd door samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals. Bijkomende argumenten zijn de uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat. Vaak zijn er puntvormige bloedingen in oogbindvliezen maar in dit geval zijn ook puntbloedingen, petechiën, aangetroffen in de gelaatshuid. Dat wordt niet vaak gezien en wijst op een uitgesproken stuwing, veroorzaakt door hetzelfde mechanisme als waardoor halsspierbloedingen worden veroorzaakt, namelijk het toedrukken van de hals. [38] De belangrijkste reden om een stoot, een val of een stomp uit te sluiten is de aanwezigheid van puntbloedingen. Gelet op de combinatie van de halsspierbloedingen met de zeer uitgesproken stuwingsverschijnselen in het gelaat, schuift deskundige [deskundige 4] samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals als meest waarschijnlijke oorzaak naar voren, waarbij hij spreekt van hoogst waarschijnlijk, zijnde de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Daarbij kan niet gezegd worden of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging. [39]
Het kan volgens deskundige [deskundige 1] , gelet op de stuwingsverschijnselen en de bloedingen in de halsspieren, niet zo zijn dat het slachtoffer zichzelf op verschillende plaatsen in de hals heeft gebotst, zichzelf halsspierbloedingen heeft toegebracht of zichzelf heeft gewurgd. [40]
Waar [deskundige 1] in het definitieve sectierapport heeft gesteld dat “de voorkeur in het onderhavige geval uit[gaat] naar geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon”, heeft zij ter zitting van de rechtbank, gevraagd naar een mate van waarschijnlijkheid van dit scenario, verklaard: “Iedereen heeft zijn eigen schaal en woorden waarmee hij iets in waarschijnlijkheden wil uitdrukken. Ik denk dat het overduidelijk is wat [deskundige 4] en ik bedoelen: hoogst waarschijnlijk.” [41]
Over het verband tussen de halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen heeft [deskundige 1] verklaard dat ze de halsspierbloedingen ziet als een onderdeel van geweld op de hals, waarbij ook het substraat van stuwing, in dit geval petechiën en ecchymosen, is ontstaan. [42]
Deskundige [deskundige 4] heeft hierover verklaard dat de petechiën en de halsspierbloedingen eenzelfde oorzaak hebben, wat ook impliceert dat ze tegelijk of in nauw tijdsverband met elkaar zijn ontstaan. [43] Hij heeft verder verklaard dat op basis van de bloedingen in de hals niet kan worden uitgemaakt hoe krachtig het geweld is geweest. Er kan alleen worden vastgesteld dat er samendrukkend geweld tegen de hals is geweest. De effecten van die toesnoering worden weerspiegeld in de petechiën. Men sterft dus niet aan de petechiën en ook niet aan de halsspierbloedingen, maar men sterft aan de handeling die deze verschijnselen veroorzaken, namelijk het langdurig dichtknijpen van bloedvaten in de hals. Op basis van de bevindingen kan gezegd worden dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. In de literatuur spreekt men van 15 tot 30 seconden als het om geleidelijk drukken gaat; het vraagt enige tijd. Om daaraan te sterven moet men de hals minutenlang toeknijpen. Die duur kan niet uit de geconstateerde petechiën of halsspierbloedingen worden afgeleid.
Men moet de hals dichtknijpen of samendrukken tot voorbij de grens van bewusteloosheid. Als het slachtoffer al bewusteloos is, is dat geen maatstaf. Daaruit kan niet de duur of de kracht worden vastgesteld, maar wel dat het voldoende krachtig geweest kan zijn om de dood te veroorzaken of het overlijden te verklaren. [44]
Deskundige [deskundige 3] heeft verklaard dat de gemeten concentratie GHB bij het slachtoffer heel hoog is en wordt gezien bij mensen die overleden zijn. In uitzonderlijke gevallen komt deze concentratie voor bij mensen die nog leven. Op basis daarvan is de conclusie dat de concentratie GHB het overlijden kan verklaren, indien al het andere is uitgesloten. Als in dit geval een andere meer waarschijnlijke doodsoorzaak wordt vastgesteld, dan gaat dat voor zijn bevindingen. [45]
Volgens deskundige [deskundige 1] zou het slachtoffer, gelet op het pathologisch substraat (de tekenen van samendrukkend geweld op de hals), ook zonder de GHB-intoxicatie aan het samendrukkend geweld op de hals zijn overleden. [46]
Regiebijeenkomst in de appelfase op 25 januari 2024
Tijdens de regiebijeenkomst bij het hof op 25 januari 2024 heeft [deskundige 1] desgevraagd verklaard dat de kracht waarmee de letsels aan de hals zijn veroorzaakt, niet exact bepaald kan worden. Zij heeft verder verklaard dat het evident is dat er veel samendrukkend geweld is uitgeoefend op de hals, waarbij voor het slachtoffer een probleem in de hals is ontstaan. Het gaat er volgens haar om dat er behoorlijk wat kracht nodig is geweest om dit substraat te veroorzaken. [47]
Deskundigenverhoor tijdens de zitting van het hof van 6 februari 2025
De verklaring van deskundige [deskundige 1] tijdens de zitting van het hof op 6 februari 2025 houdt – voor zover relevant – het volgende in. [48]
Het door verdachte geschetste alternatieve scenario (dat door de rechtbank op pagina 16 van het vonnis is opgenomen, aangevuld en als aannemelijk is aangenomen) past volgens de deskundige niet bij de geconstateerde stuwingsverschijnselen en de letsels aan de hals, die voor het intreden van de dood van belang zijn geweest.
In het onderhavige geval is sprake van een niet-normale krachtsinwerking op de hals, ook wel verwurgen genoemd.
Bij de beoordeling door de rechtbank is niet de kracht betrokken waarmee de krachtsinwerking heeft plaatsgevonden. Het onder controle houden van een persoon en het daarbij even verplaatsen van een arm tegen de hals kan dit substraat van letsels, de puntbloedingen en de stuwingseffecten niet verklaren. Er moet een substantiële krachtsinwerking zijn geweest om stuwing van deze aard te veroorzaken. [49]
Verder heeft de deskundige verklaard dat door pathologen dagelijks gevallen worden gediagnosticeerd waarbij hetzelfde substraat (bloedingen, stuwingsverschijnselen) als bij het slachtoffer in deze zaak wordt vastgesteld en er geen andere mogelijke doodsoorzaak is. In die gevallen kan worden vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals de dood heeft veroorzaakt. In het onderhavige geval is er echter nog een andere mogelijke doodsoorzaak, namelijk een oorzaak van toxicologische aard, zodat niet met zekerheid gezegd kan worden dat het samendrukkend geweld op de hals
de of de enigedoodsoorzaak is geweest. Dit neemt echter niet weg dat het samendrukkend geweld op de hals
eendoodsoorzaak is geweest bij het slachtoffer. Daarbij geldt dat de krachtsinwerking op de hals bij leven heeft plaatsgevonden en dat de hoeveelheid GHB op dat moment dus nog niet dodelijk was. [50]
Het samendrukken van de hals zorgt voor een zuurstoftekort. De hersenen kunnen dan niet genoeg zuurstof meer aan het weefsel bieden. Daardoor vallen andere organen, zoals de longen en het hart, ook uit. [51]
Naar het oordeel van de deskundige moeten de beide doodsoorzaken dan ook niet los van elkaar worden gezien: er is sprake van geweldpleging door een persoon bij een andere zwaar geïntoxiceerde persoon. [52]
Ten slotte heeft de deskundige benadrukt dat de aangetroffen (niet-dodelijke) letsels ook om een verklaring vragen. Zij heeft daarbij opgemerkt dat bij de sectie bloedingen in de linkerslaapspier en het botvlies zijn aangetoond. Dit zijn structuren die niet zomaar letsels oplopen door bijvoorbeeld tegen iets aan te vallen of tegen iets aan te komen. Daar hoort behoorlijk wat kracht bij. Het moet een stompe, botsende krachtsinwerking aan de linkerzijde van het hoofd zijn geweest.
Het geconstateerde letsel bij de neus en de lip kan ook zijn ontstaan door stomp, botsend geweld, maar het kan volgens de deskundige ook een aanwijzing zijn voor het samendrukken van de mond en neus (smoren). [53]
3.3
Het hof heeft over het bewijs voorts overwogen:

Overwegingen met betrekking tot het bewijs
Het tijdstip van overlijden
Het hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat het slachtoffer op donderdag 9 april 2020 tussen 12.43 uur (het moment dat zij haar telefoon uitschakelde) en 20.04 uur (het moment dat verdachte zijn ouders belde) is overleden.
Daarbij merkt het hof op dat het op basis van de gemeten lichaamstemperatuur van het overleden slachtoffer (27.3 °C op 9 april 2020 omstreeks 23.30 uur) aannemelijker is dat zij in de tijdsperiode kort na 12.43 uur is overleden dan dat zij in de tijdsperiode kort voor 20.04 uur is overleden.
De oorza(a)k(en) van het overlijden
Uit de bevindingen van de deskundigen volgt dat de dood van het slachtoffer vanuit medisch oogpunt zowel verklaard kan worden op traumatische als op toxicologische gronden.
Hiervoor is al aangehaald dat uit het rapport van toxicoloog [deskundige 3] blijkt dat de gemeten GHB-concentratie (530 mg/l) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden. [deskundige 3] heeft geconcludeerd dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking daarvan op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel.
Daarnaast is door patholoog [deskundige 1] gerapporteerd dat het intreden van de dood van het slachtoffer ook verklaard kan worden door uitwendig mechanisch samendrukkend geweld op de hals (verwurging), het samendrukken van de mond en neus (smoren) of mechanische traumatische asfyxie (drukuitoefening op de borst met verstikkingseffecten tot gevolg). Volgens deskundige [deskundige 4] is samendrukkend of toesnoerend geweld op de hals de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen zoals die bij het slachtoffer zijn vastgesteld. De uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat zijn bijkomende argumenten voor de stelling dat de dood van het slachtoffer in deze zaak is veroorzaakt door dergelijk samendrukkend of toesnoerend geweld.
Patholoog [deskundige 1] heeft tijdens de zitting in hoger beroep verklaard dat de beide voornoemde doodsoorzaken niet los van elkaar gezien en beoordeeld moeten worden. De oorzaken moeten volgens haar tezamen worden beoordeeld, in die zin dat sprake is geweest van geweldpleging bij een zwaar geïntoxiceerd persoon.
Het hof neemt de bevindingen en de conclusies van de deskundigen over.
Op grond daarvan stelt het hof vervolgens vast dat zich bij het slachtoffer een samendrukkende en/of toesnoerende krachtsinwerking op de hals heeft voorgedaan, terwijl zij ernstig geïntoxiceerd was met GHB en alcohol. Daarbij stelt het hof op basis van de bevindingen en verklaringen van de deskundigen vast, dat de krachtsinwerking dus bij leven heeft plaatsgevonden; er is sprake van vitaal letsel, en dat de GHB op dat moment nog niet tot haar dood kan hebben geleid.
Nu er naast verdachte en het slachtoffer geen derden in de woning zijn geweest op de dag dat het slachtoffer overleed en daarnaast door de deskundigen is verklaard dat een scenario waarbij het slachtoffer zichzelf het geconstateerde letsel aan de hals heeft toegebracht, niet aannemelijk is, moet naar het oordeel van het hof worden geconcludeerd dat verdachte degene is die het geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast.
Causaal verband
Om tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat het intreden van de dood van het slachtoffer volgens deskundigen zowel het gevolg kan zijn geweest van – kort gezegd – de effecten van een overdosis GHB als van het door verdachte gepleegde geweld op de hals (verwurging).
Nu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat:
1) wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel
kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;
2) dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.
Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en ECLI:NL:HR:2017:585).
Het hof overweegt in dit verband het volgende.
Door patholoog [deskundige 1] is vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van inwendige bloeduitstortingen in de schuine halsspieren aan beide zijden, reikend tot aan beide sleutelbeenderen, en van bij leven ontwikkelde tekenen van stuwing. Deze letsels (of bevindingen) zijn volgens de patholoog ontstaan ten gevolge van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Zulk geweld leidt tot zuurstofgebrek in de hersenen.
Door zuurstoftekort kan de hersenfunctie uitvallen die de andere organen (zoals de longen en het hart) aanstuurt, waardoor een slachtoffer komt te overlijden.
De patholoog heeft vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals ook in het onderhavige geval een doodsoorzaak kan zijn geweest.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.
Het hof dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer
met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.
Het hof stelt voorop dat het toegepaste geweld, het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen en staat in deze zaak overigens ook niet ter discussie.
De deskundige [deskundige 3] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten.
Hij heeft verder verklaard dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit
voorzijn bevindingen gaat.
Het hof overweegt in dit verband dat deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige 4] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was. Bovendien heeft [deskundige 1] verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals
bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.
Het hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt.
Gelet op het feit dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend.
De vraag die vervolgens door het hof moet worden beantwoord, is of verdachte opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
Opzet
Het hof is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.
Opzet bij verdachte op de dood van het slachtoffer kan echter ook worden aangenomen als sprake is van voorwaardelijk opzet. Er is sprake van voorwaardelijk opzet indien verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer als gevolg daarvan zou overlijden.
Voor de vraag of sprake is van de bewuste aanvaarding van een aanmerkelijke kans geldt dat uit de enkele omstandigheid dat de verdachte
wetenschapheeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, niet zonder meer kan volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook
bewust heeft aanvaard.
Er kan immers ook sprake zijn van bewuste schuld.
Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens aanwijzingen van het tegendeel – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg, in dit geval de dood van het slachtoffer, bewust heeft aanvaard.
Het hof overweegt het volgende.
Deskundige [deskundige 4] heeft verklaard dat op basis van de bevindingen kan worden gesteld dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Daarnaast heeft deskundige [deskundige 1] verklaard dat er “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest om het pathologisch substraat te veroorzaken. Tijdens de zitting van het hof heeft zij verklaard dat sprake geweest moet zijn van een “substantiële krachtsinwerking”. [deskundige 1] heeft verder verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.
Het hof stelt vast dat verdachte een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid. Nu het slachtoffer ten tijde van het toepassen van het geweld nog in leven was, schiep het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou overlijden.
Daarbij is het hof van oordeel dat de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals – kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Dit betekent dat verdachte naar het oordeel van het hof ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
Bespreking van het alternatieve scenario
Het hof acht het alternatieve scenario waarin verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust, dus per ongeluk, heeft samengedrukt of toegesnoerd, niet aannemelijk.
Het hof overweegt daarover het volgende.
Allereerst is van belang dat verdachte heeft verklaard zelf geen herinnering te hebben aan een gang van zaken waarbij zijn arm bij het op de bank trekken van het slachtoffer richting haar hals is verschoven en waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor een hyperextensie kan zijn veroorzaakt. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij zich
kan voorstellendat deze gang van zaken zich heeft voorgedaan.
Daarnaast merkt het hof op dat deskundige [deskundige 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel (de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen). Het even verplaatsen van een arm tegen de hals vormt geen verklaring voor het geconstateerde letsel. Er moet naar haar oordeel sprake zijn geweest van een substantiële krachtsinwerking om de vastgestelde vorm van stuwing te veroorzaken.
Verder geldt dat de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen naar het oordeel van het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.
Het hof overweegt in dit verband dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had (letsels aan haar voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd (de hierboven beschreven letsels
A, B, Cen
N) en aan haar romp en inwendige letsels aan het hoofd.
Ook deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan en zijn veroorzaakt door inwerking van mechanisch stomp botsend geweld, zoals door heftig slaan (al of niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren.
Deze letsels, in het bijzonder de inwendige letsels aan het hoofd, zijn volgens de patholoog niet ontstaan doordat het slachtoffer ergens tegenaan is gelopen of is gevallen, aangezien voor het ontstaan van deze letsels “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest. Verdachte heeft over deze letsels verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer ergens tegenaan gelopen moet zijn, maar heeft geen concrete aannemelijke verklaring voor de letsels gegeven.
Het is naar het oordeel van het hof echter onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat verdachte haar op de bank had gelegd, waarbij zijn handelen in zijn lezing de doodsoorzaak zou (kunnen) hebben opgeleverd, nog kan zijn opgestaan en zichzelf letsel zou hebben kunnen toebrengen.
Tot slot stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden, niet past bij de bevindingen van de verbalisanten. Zij hebben immers geconstateerd dat het slachtoffer op basis van de gemeten lichaamstemperatuur hoogstwaarschijnlijk tussen 05.30 uur en 14.30 uur moet zijn overleden.
In ieder geval stelt het hof vast dat er geruime tijd verstreken moet zijn tussen het moment waarop verdachte constateerde dat het slachtoffer was overleden en het moment waarop hij de hulpdiensten heeft gebeld of op andere wijze om hulp heeft gevraagd.
De bevindingen van de politie over de aangetroffen situatie in de woning van verdachte duiden er verder op dat hij die middag en avond weloverwogen en rationeel heeft gehandeld en heeft geprobeerd om sporen van hetgeen zich die dag in de woning heeft afgespeeld zo veel mogelijk te wissen.
Zo heeft verdachte niet alleen het slachtoffer verkleed, nadat ze al was overleden, en het beddengoed verschoond en in de wasmachine gedaan maar heeft hij ook de kantine opgeruimd, rotzooi in een vuilniszak gedaan en deze weggegooid in de container. Ook heeft hij een cilinder met lachgas keurig onder een doek in de garage gezet. Toen hij uiteindelijk wel 112 belde, heeft hij gedaan alsof het slachtoffer nog in leven was terwijl hij op dat moment al geruime tijd wist dat ze was overleden.
Het hof ziet in het handelen van verdachte geen aanwijzingen dat hij, zoals hij heeft verklaard, vanaf het moment dat hij constateerde dat er iets niet in orde was met het slachtoffer, in een roes verkeerde.
Het hof is dan ook van oordeel dat de voornoemde omstandigheden, wanneer deze in onderling verband en samenhang worden beschouwd, verder afbreuk doen aan het alternatieve scenario van de verdediging.
Gelet op het voorgaande schuift het hof dit alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde.
Conclusie
Het hof is gelet op hetgeen hiervoor is overwogen van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk doden van het slachtoffer. De omstandigheid dat, zoals de verdediging naar voren heeft gebracht, op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld wat het motief van verdachte voor zijn handelen is geweest, doet hier niet aan af.
Vrijspraak moord
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet vaststaat dat verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft gedood. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van de primair tenlastegelegde moord.
Bewezenverklaring doodslag
Het hof acht de subsidiair ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend bewezen.”

4.Het eerste middel

4.1
Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de dood van het slachtoffer aan de verdachte kan worden toegerekend. Het middel richt zich in het bijzonder tegen de overweging van het hof dat “het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en […] aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt”.
4.2
Het middel valt uiteen in twee deelklachten, inhoudende dat:
1. het hof de verklaringen van de deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] (hierna: [deskundige 1] ) heeft gedenatureerd, althans vaststellingen doet die niet uit de tot het bewijs gebezigde verklaringen van de deskundigen kunnen worden afgeleid, nu het hof het oordeel dat de dood van het slachtoffer aan de verdachte kan worden toegerekend baseert op de vaststelling “dat deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige 4] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was” en de vaststelling dat “het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie”, terwijl de kwalificatie ‘hoogst waarschijnlijk’ door de deskundigen is verbonden aan de oorzaak van het letsel (het geweld op de hals) en niet aan het gevolg (het intreden van de dood). Deskundige [deskundige 1] zou deze verklaring in hoger beroep bovendien hebben genuanceerd.
2. het hof nader had moeten motiveren waarom niet aannemelijk is geworden dat de GHB-overdosis tot de dood heeft geleid, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat “de gemeten GHB-concentratie (530 mg/l) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden”, en “de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden”, terwijl uit die bewijsmiddelen eveneens blijkt dat “de combinatie van de vastgestelde letsels […] op zich de dood [kan] veroorzaken volgens de mechanismen van smoring, geweld op de hals, dooddrukking of een combinatie van deze mechanismen”, maar “in dit geval […] noch [kan] worden uitgesloten, noch worden bewezen, dat deze mechanismen hebben bijgedragen tot de dood”.
4.3
In cassatie wordt – zoals ik reeds besprak onder 2.3 – niet betwist dat de verdachte geweld heeft toegepast op de hals van het slachtoffer. De stellers van het middel stellen
welter discussie dat tussen het op de hals uitgeoefende geweld en het intreden van de dood van het slachtoffer een causaal verband bestaat.
4.4
Over dit causale verband overweegt het hof als volgt (reeds weergegeven onder 3.3):
“Causaal verband
Om tot een bewezenverklaring van moord dan wel doodslag te kunnen komen, moet worden vastgesteld dat een causaal verband bestaat tussen het door verdachte gepleegde geweld en het overlijden van het slachtoffer. Of er sprake is van een causaal verband wordt beoordeeld aan de hand van de vraag of het gevolg (de dood) redelijkerwijs als het gevolg van het handelen van verdachte (het geweld) aan verdachte kan worden toegerekend.
Het hof heeft hiervoor overwogen dat het intreden van de dood van het slachtoffer volgens deskundigen zowel het gevolg kan zijn geweest van – kort gezegd – de effecten van een overdosis GHB als van het door verdachte gepleegde geweld op de hals (verwurging).
Nu in dit geval niet zonder meer kan worden vastgesteld dat de gedragingen van de verdachte (het toegepaste geweld) in de keten van de gebeurtenissen een noodzakelijke factor zijn geweest voor het ingetreden gevolg (de dood), is voor het redelijkerwijs toerekenen van het gevolg aan de gedragingen van verdachte ten minste vereist dat:
1) wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel
kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, en;
2) dat ook aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door de gedragingen van de verdachte.
Bij de beoordeling daarvan kan als hulpmiddel dienen of in de gegeven omstandigheden de gedraging van de verdachte naar zijn aard geschikt is om dat gevolg teweeg te brengen en bovendien naar ervaringsregels van dien aard is dat die gedraging het vermoeden wettigt dat die heeft geleid tot het intreden van het gevolg (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BT6362 en ECLI:NL:HR:2017:585).
Het hof overweegt in dit verband het volgende.
Door patholoog [deskundige 1] is vastgesteld dat bij het slachtoffer sprake was van inwendige bloeduitstortingen in de schuine halsspieren aan beide zijden, reikend tot aan beide sleutelbeenderen, en van bij leven ontwikkelde tekenen van stuwing. Deze letsels (of bevindingen) zijn volgens de patholoog ontstaan ten gevolge van mechanisch samendrukkend geweld op de hals. Zulk geweld leidt tot zuurstofgebrek in de hersenen.
Door zuurstoftekort kan de hersenfunctie uitvallen die de andere organen (zoals de longen en het hart) aanstuurt, waardoor een slachtoffer komt te overlijden.
De patholoog heeft vastgesteld dat het samendrukkend geweld op de hals ook in het onderhavige geval een doodsoorzaak kan zijn geweest.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid.
Het hof dient vervolgens te beoordelen of aannemelijk is dat de dood van het slachtoffer
met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheiddoor de gedragingen van verdachte is veroorzaakt.
Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daarover het volgende.
Het hof stelt voorop dat het toegepaste geweld, het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals, naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen. Dit volgt uit de bevindingen van de deskundigen en staat in deze zaak overigens ook niet ter discussie.
De deskundige [deskundige 3] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten.
Hij heeft verder verklaard dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit
voorzijn bevindingen gaat.
Het hof overweegt in dit verband dat deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige 4] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was. Bovendien heeft [deskundige 1] verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie, dat de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals
bij levenheeft plaatsgevonden en dat de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.
Het hof acht het gelet op het voorgaande aannemelijk dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt.
Gelet op het feit dat het door verdachte op het slachtoffer uitgeoefende geweld een onmisbare schakel kan hebben gevormd in de gebeurtenissen die tot haar dood hebben geleid, en nu aannemelijk is dat de dood met aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het geweld is veroorzaakt, is het hof van oordeel dat de dood van het slachtoffer in redelijkheid aan verdachte kan worden toegerekend.”
De eerste deelklacht
4.5
De eerste deelklacht richt zich onder meer tegen de overweging van het hof dat “deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] tijdens de zitting bij de rechtbank hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk (waarmee door [deskundige 4] de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid wordt bedoeld) is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was”. Volgens de stellers van het middel hebben deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] voornoemd ‘waarschijnlijkheidsoordeel’ niet verbonden aan het samendrukkend geweld als oorzaak van de
dood, maar als oorzaak van het
letsel. Het hof zou de verklaringen van [deskundige 4] en [deskundige 1] zodoende – mede in het licht van een in hoger beroep door deskundige [deskundige 1] afgelegde (nuancerende) verklaring over dit waarschijnlijkheidsoordeel – hebben gedenatureerd.
4.6
De verklaringen van deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] waarop het hof de onder 4.5 geciteerde overweging baseert, zijn door het hof onder het kopje “bewijsmiddelen” als volgt samengevat weergegeven (reeds weergegeven onder 3.2, met overneming van voetnoten en onderstrepingen van mijn hand):

Verhoren van de deskundigen tijdens de zitting van 14 januari 2022
Op de zitting van de rechtbank van 14 januari 2022 zijn de deskundigen [deskundige 1] , [deskundige 2] , [deskundige 3] en [deskundige 4] zeer uitvoerig gehoord over hun bevindingen. De verklaringen van de deskundigen op de zitting houden – voor zover relevant – het volgende in. [54]
Deskundige [deskundige 1] heeft meermalen benadrukt dat, waar het gaat om de vraag naar de oorzaak van de letsels, naar het geheel van de letsels moet worden gekeken en dat deze niet los van elkaar kunnen worden beoordeeld. [55]
De verschillende vaststellingen moeten met elkaar in verband worden gebracht om daarvoor een logische, aanvaardbare en in de wetenschappelijke literatuur erkende verklaring te vinden, aldus ook deskundige [deskundige 4] . [56]
Volgens deskundige [deskundige 2] mag de discussie over de oorzaak van de bloedingen in de halsspieren niet los worden gezien van de begeleidende fenomenen, zoals de stuwingsverschijnselen: de betreffende bevindingen moeten samen worden gezien en beoordeeld. [57]
Deskundige [deskundige 4] heeft verklaard dat de halsspierbloedingen een traumatische oorsprong hebben. Hij meent dat, kijkend naar de forensische literatuur, de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen (zoals ze bij het slachtoffer beschreven en vastgesteld zijn) wordt gevormd door samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals. Bijkomende argumenten zijn de uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat. Vaak zijn er puntvormige bloedingen in oogbindvliezen maar in dit geval zijn ook puntbloedingen, petechiën, aangetroffen in de gelaatshuid. Dat wordt niet vaak gezien en wijst op een uitgesproken stuwing, veroorzaakt door hetzelfde mechanisme als waardoor halsspierbloedingen worden veroorzaakt, namelijk het toedrukken van de hals. [58] De belangrijkste reden om een stoot, een val of een stomp uit te sluiten is de aanwezigheid van puntbloedingen.
Gelet op de combinatie van de halsspierbloedingen met de zeer uitgesproken stuwingsverschijnselen in het gelaat, schuift deskundige [deskundige 4] samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals als meest waarschijnlijke oorzaak naar voren, waarbij hij spreekt van hoogst waarschijnlijk, zijnde de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. Daarbij kan niet gezegd worden of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging. [59]
Het kan volgens deskundige [deskundige 1] , gelet op de stuwingsverschijnselen en de bloedingen in de halsspieren, niet zo zijn dat het slachtoffer zichzelf op verschillende plaatsen in de hals heeft gebotst, zichzelf halsspierbloedingen heeft toegebracht of zichzelf heeft gewurgd. [60]
Waar [deskundige 1] in het definitieve sectierapport heeft gesteld dat “de voorkeur in het onderhavige geval uit[gaat] naar geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon”, heeft zij ter zitting van de rechtbank, gevraagd naar een mate van waarschijnlijkheid van dit scenario, verklaard: “Iedereen heeft zijn eigen schaal en woorden waarmee hij iets in waarschijnlijkheden wil uitdrukken. Ik denk dat het overduidelijk is wat [deskundige 4] en ik bedoelen: hoogst waarschijnlijk.” [61]
Over het verband tussen de halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen heeft [deskundige 1] verklaard dat ze de halsspierbloedingen ziet als een onderdeel van geweld op de hals, waarbij ook het substraat van stuwing, in dit geval petechiën en ecchymosen, is ontstaan. [62]
Deskundige [deskundige 4] heeft hierover verklaard dat de petechiën en de halsspierbloedingen eenzelfde oorzaak hebben, wat ook impliceert dat ze tegelijk of in nauw tijdsverband met elkaar zijn ontstaan. [63] Hij heeft verder verklaard dat op basis van de bloedingen in de hals niet kan worden uitgemaakt hoe krachtig het geweld is geweest. Er kan alleen worden vastgesteld dat er samendrukkend geweld tegen de hals is geweest. De effecten van die toesnoering worden weerspiegeld in de petechiën. Men sterft dus niet aan de petechiën en ook niet aan de halsspierbloedingen, maar men sterft aan de handeling die deze verschijnselen veroorzaken, namelijk het langdurig dichtknijpen van bloedvaten in de hals. Op basis van de bevindingen kan gezegd worden dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. In de literatuur spreekt men van 15 tot 30 seconden als het om geleidelijk drukken gaat; het vraagt enige tijd. Om daaraan te sterven moet men de hals minutenlang toeknijpen. Die duur kan niet uit de geconstateerde petechiën of halsspierbloedingen worden afgeleid.
Men moet de hals dichtknijpen of samendrukken tot voorbij de grens van bewusteloosheid. Als het slachtoffer al bewusteloos is, is dat geen maatstaf. Daaruit kan niet de duur of de kracht worden vastgesteld, maar wel dat het voldoende krachtig geweest kan zijn om de dood te veroorzaken of het overlijden te verklaren. [64]
Deskundige [deskundige 3] heeft verklaard dat de gemeten concentratie GHB bij het slachtoffer heel hoog is en wordt gezien bij mensen die overleden zijn. In uitzonderlijke gevallen komt deze concentratie voor bij mensen die nog leven. Op basis daarvan is de conclusie dat de concentratie GHB het overlijden kan verklaren, indien al het andere is uitgesloten. Als in dit geval een andere meer waarschijnlijke doodsoorzaak wordt vastgesteld, dan gaat dat voor zijn bevindingen. [65]
Volgens deskundige [deskundige 1] zou het slachtoffer, gelet op het pathologisch substraat (de tekenen van samendrukkend geweld op de hals), ook zonder de GHB-intoxicatie aan het samendrukkend geweld op de hals zijn overleden. [66]
4.7
De verklaringen van deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] – afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, d.d. 14 januari 2022 – waarnaar het hof in de voetnoten verwijst, houden onder meer het volgende in (met onderstrepingen van mijn hand):
“ [deskundige 4] verklaart:
Vanuit theoretisch standpunt kan ik de dingen misschien iets verduidelijken. Ik heb het tussentijds rapport niet geschaduwd. Ik verwijs naar pagina 17 van het definitief sectieverslag. Daaruit blijkt dat het gaat om uitgebreide bloedingen in meerdere halsspieren zoals ook op de foto’s is te zien. De bloedingen zijn vrij indrukwekkend. Ze zijn niet klein, maar duidelijk zichtbaar en verspreid zowel oppervlakkig als dieper gelegen tot in de spieren die aan de voorkant van de wervelkolom liggen. Ik wil duidelijk stellen dat ik niet naar een enkele spierbloeding kijk, maar naar het geheel van de bloedingen.
De volgende vraag is hoe de spierbloedingen in de hals kunnen worden verklaard. Zoals [deskundige 1] heeft gezegd hebben die bloedingen een traumatische oorsprong. De vraag is welke soorten gebeurtenissen die bloedingen kunnen veroorzaken. Dat kan door stomp botsende geweldinwerking, zoals slagen, stoten en zo meer. Een ander mogelijk mechanisme is hevige convulsies of samentrekkingen in het kader van epilepsieachtige spiersamentrekkingen. In dat geval verwachten we die bloedingen vooral aan de aanhechting met het sleutelbeen. Hier zijn ze verspreid over de hele lengte van de spieren. Bovendien verwachten we bij spierbloedingen door convulsies ook bloedingen in de rugspieren, bijvoorbeeld in de schouderwortel. Die zijn er niet. Als we kijken naar de ervaring die we hebben en naar de forensische literatuur dan is de meest voorkomende oorzaak van halsspierbloedingen, zoals ze hier beschreven en vastgesteld zijn, het samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals. Bijkomende argumenten zijn de uitgebreide stuwingstekenen in het gelaat. Vaak vinden we de puntvormige bloedingen in oogbindvliezen, maar in dit geval hebben we ook puntbloedingen, of petechiën zoals ze worden genoemd, aangetroffen in de gelaatshuid. Dat zien we niet vaak. Dat wijst op een uitgesproken stuwing, veroorzaakt door hetzelfde mechanisme als waardoor halsspierbloedingen worden veroorzaakt, namelijk het toedrukken van de hals. Ik heb dan nog geen onderscheid gemaakt tussen wurging met de handen of met een snoer, wat we strangulatie noemen. Het gaat in het algemeen over het samendrukken van de hals. Een armklem behoort bijvoorbeeld ook tot de mogelijkheden. Andere letsels die we zien bij dergelijke vormen van samenbeukend geweld zijn breuken aan het keelskelet, die in dit geval ontbreken. Daar is een goede verklaring voor: het gaat om een soepel en nog niet verbeend schildkraakbeen. Het ontbreken van de fracturen zien we vaker bij jonge mensen en meer bij vrouwen dan bij mannen. Dat is verklaarbaar. De verbening van die structuren gaat gemakkelijker en sneller bij mannen. Een ander verschijnsel is dat we in een aantal gevallen geen uitwendig letsel aan de huid zien bij samendrukkend geweld tegen de hals. We zien dat vaker bij mensen die weinig verzet bieden door bewusteloosheid, of dat men een heel zacht of breed snoer zoals een sjaal heeft gebruikt. Ik sluit me aan bij [deskundige 1] , dat naar het geheel van de letsels moet worden gekeken.
Wat betreft de hypothese over hyperextensie kan ik zeggen dat we hier spreken over een traumatische vorm van hyperextensie en niet zomaar het achterover liggen van het hoofd. De overstrekking van de spieren moet met een zekere energie/kracht gepaard gaan, zoals bijvoorbeeld bij een whiplash, waarbij het hoofd krachtig achterover wordt geslagen. Er is geen hyperextensie bij het passief achterover hangen van het hoofd. Het vraagt veel meer kracht. We zien het bij verkeersongevallen of valpartijen van een zekere hoogte. We verwachten dan vaak ook andere letsels. We zien de hyperextensie dan vaak in combinatie met andere breuken, zoals breuken aan de halswervelkolom. De hypothese dat de bloedingen in hals verklaard kunnen worden door een hyperextensie is zeer onwaarschijnlijk. Ik heb het argument van de convulsies, de stuiptrekkingen al aangehaald, die theoretisch mogelijk zijn, ook in het kader van het gebruik van GHB. In geval van een GHB-intoxicatie kunnen de stuiptrekkingen optreden.
Maar in dit geval hebben we andere argumenten om de hypothesen van toesnoerend geweld heel duidelijk als de meest waarschijnlijke naar voren te schuiven. Dat is de combinatie met de stuwingsverschijnselen in het gelaat die zeer uitgesproken zijn.Als dat alleen door een omgekeerde houding zou zijn, waarbij het hoofd lager komt te liggen dan de rest van het lichaam - wat posturale asfyxie wordt genoemd - en waardoor je kan verstikken, dan zien we minder puntbloedingen in de gelaatshuid. Ik sluit niet uit dat het kan, maar in de meeste gevallen van posturale asfyxie die wij hebben gezien ontbreken die puntbloedingen in de huid. Ze zijn wel bijna altijd aanwezig in de oogbindvliezen. Dat verklaart op generlei wijze de halsspierbloedingen.
De beste hypothese waarin alle verschijnselen tegelijkertijd kunnen worden verklaard is en blijft het samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals, waarbij we niet kunnen zeggen of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging.Puur theoretisch kan men zeggen dat de kans dat het om een slachtoffer gaat dat zich niet heeft verzet veel groter is, vanwege het ontbreken van letsels aan de huid. Maar dat kan niet onderscheiden worden van de situatie dat er een zacht of breed snoer of een arm is gebruikt. Als er huidletsel was geweest dan hadden we meer onderscheid kunnen maken. U merkt op dat het u duidelijk is dat [deskundige 1] naar het geheel kijkt en dan tot een conclusie komt en dat ik hetzelfde standpunt daarin heb. U vraagt of de bloedingen aan de halsspieren naar mijn mening kunnen zijn ontstaan door ongecontroleerd abrupt bewegen als gevolge van GHB-gebruik zoals op de beelden te zien was. Dat volstaat niet om de halsspierbloedingen te veroorzaken.
[…] Terugkomend op de hypothese van het voorover liggen en het dragen van het lichaam, waarbij het hoofd achterover valt: dat biedt voor mij geen voldoende verklaring om alle letsels aan hoofd en hals te verklaren. [67]
[…]
[deskundige 4] verklaart:
Op basis van bloedingen in de hals kunnen we niet uitmaken hoe krachtig dat geweld is geweest. We kunnen alleen vaststellen dat er samendrukkend geweld tegen de hals is geweest. De effecten van die toesnoering zien we weerspiegeld in de petechiën. Men sterft dus niet aan die petechiën en ook niet aan die halsspierbloedingen, maar men sterft aan het langdurig dichtknijpen van bloedvaten in de hals. Die vertonen zelden of nooit letsels. Het zijn wat wij in de wetenschap noemen epifenomenen van een gebeurtenis. Op basis van de bevindingen kunnen we zeggen dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. In de literatuur spreekt men van een 15- tot 30-tal seconden als het om geleidelijke drukken gaat. Ik heb het dan niet over de plotselinge drukverhoging in de borstkas. Dat is een ander fenomeen. Dus het vraagt enige tijd. Om daaraan te sterven moet men de hals minutenlang toeknijpen. Die duur kunnen we niet aan petechiën of halsspierbloedingen afleiden.
We kunnen wel zeggen dat het voldoende krachtig moet zijn geweest om een levensbedreigende toesnoering te zijn. Men moet de bloedvaten zodanig lang toeknijpen dat de hersenen ernstig zuurstofgebrek beginnen te lijden. Het duurt enkele minuten om een ademhalingsstilstand te veroorzaken. Men moet dan knijpen tot voorbij de grens van bewusteloosheid. Als het slachtoffer al bewusteloos is, is dat geen maatstaf. We kunnen daaruit niet de duur of de kracht vaststellen, maar wel dat het voldoende krachtig geweest kan zijn om de dood te veroorzaken of het overlijden te verklaren. Op basis van petechiën kunnen we ook zeggen dat een slag, stoot, stamp of val tegen de hals die puntbloedingen op generlei wijze kan verklaren. Bovendien zien we dan een meer gelokaliseerde plaats van dat impact links of rechts. Hier zijn ze beiderzijds en zien we bijvoorbeeld letsels aan de voorkant van het schildkraakbeen. De belangrijkste reden om een stoot, een val of een stomp uit te sluiten is de aanwezigheid van puntbloedingen. Ik benadruk nogmaals dat we het in zijn geheel moeten bekijken. De duur en de uiteindelijke kracht kunnen we dus niet uit de letsels afleiden.
We kunnen alleen zeggen dat de samendrukking enige tijd heeft geduurd, maar niet hoe lang, en dat er voldoende kracht is uitgeoefend om in theorie het overlijden te verklaren. Het heeft de potentie gehad om dodelijk te zijn.We hebben in de forensische pathologie geen maatstaf/significant verschijnsel met betrekking tot samendrukking van de hals waaruit we die elementen, te weten de duur en de kracht, kunnen afleiden. We kunnen alleen maar zeggen dat we met deze verschijnselen te maken hebben met een potentieel levensbedreigend geweld op de hals.
De raadsman voert het woord:
[deskundige 4] zei toen het over de halsspierbloedingen ging, dat het het meest waarschijnlijke was.
[deskundige 4] verklaart:
Als men in hypothesen denkt, heb ik de meeste scenario’s opgesomd. Van die scenario's heb ik inderdaad gezegd wat de meest waarschijnlijke is. In de wetenschap bestaat 100% zekerheid niet. De raadsman vraagt mij of ik in deze casus de waarschijnlijkheidsschaal kan toepassen. Ik spreek in deze casus dan van hoogst waarschijnlijk. [68]
[…]
De voorzitter merkt op dat ze toekomt aan de conclusie in het pathologierapport van 11 september 2020. [deskundige 1] zegt in antwoord op vraag 49 in het schrijven van 15 februari 2021 dat zij bij het toepassen van een waarschijnlijkheidsschaal de keuze zou moeten maken in de mate van waarschijnlijk, dat zij daartoe geen op forensisch pathologiegebied wetenschappelijk gepubliceerde validatie voorhanden heeft en dat zij dus geen uitspraak volgens die methode kan doen.
Er zijn twee mogelijkheden: de dood kan volgens haar conclusie goed en volledig worden verklaard op toxicologische gronden, namelijk de effecten van een hoge concentratie GHB. Echter kan het overlijden op traumatische gronden, namelijk door verwurging, niet worden uitgesloten, waarbij bijdragende effecten van smoren en/of mechanische traumatische asfyxie niet geheel kunnen worden uitgesloten.
[deskundige 1] geeft de voorkeur in dit geval aan geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon waarbij GHB-intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad.
De voorzitter houdt vervolgens het antwoord op vraag 51 in de brief van 15 februari 2021 voor: "Het zijn de kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën die maken dat ik de voorkeur geef.” Daarbij weegt [deskundige 1] mee dat de letsels niet kunnen worden verklaard door een intoxicatie.
De voorzitter vraag of het geven van “de voorkeur aan” in feite niet op hetzelfde neerkomt als het één meer waarschijnlijk achten als doodsoorzaak dan het ander.
[deskundige 1] verklaart:
Ja eigenlijk wel, maar ik blijf af van een verbale waarschijnlijkheidsschaal, zoals dat wel eens door forensische onderzoekers wordt toegepast, waarbij ze zeggen dat iets honderd maal of duizend maal of tienduizend maal waarschijnlijker is. Ik kan dit niet verdedigen op wetenschappelijke grond, in het forensisch pathologie deskundigheidsgebied.
De voorzitter merkt op dat ze [deskundige 4] heeft horen zeggen dat hij zou uitgaan van hoogst waarschijnlijk.
[deskundige 4] verklaart:
Dat klopt. Ik weet dat het NFI aan deze verwoordingen een numerieke waarde toekent. Ik ben het daar persoonlijk niet mee eens. Wat men niet kan berekenen kan men niet numeriek uitdrukken. Het blijft een subjectieve beoordeling volgens een schaal van hoogst waarschijnlijk tot onmogelijk. Hoogst waarschijnlijk is de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. We moeten altijd de mogelijkheid open laten dat we iets niet weten of nog niet weten door de stand van de wetenschap op dit ogenblik. Het blijft een beoordeling. Er is geen cijfermateriaal voorhanden waaruit men kan berekenen hoe frequent een bepaald fenomeen zich voor doet en een combinatie van fenomenen, waaruit men een numerieke basis kan berekenen zoals men dat doet voor het DNA-onderzoek. Bij DNA-onderzoek zijn die cijfers wel bekend en kan men wel die berekening maken. Dat is de reden dat wij in waarschijnlijkheden spreken of een voorkeur uitspreken voor de ene of gene hypothese. Ik weet dat de rechtspraak in Nederland daar numerieke waarde aan toekent. Persoonlijk houd ik daar niet zo van. Ik wil het cijfermatige voorbehouden voor hetgeen cijfermatig kan worden berekend. Een cijfermatige berekening geeft anders een vals gevoel. Een numerieke waarde zou een vals gevoel kunnen geven. Als men een cijfer geeft, voelt men zich gesterkt door dat cijfer. Dat cijfer is echter een vertaling van een subjectieve inschatting van de mogelijkheden.
De voorzitter merkt op dat [deskundige 4] het woord hoogst waarschijnlijk gebruikt en dat ze dat [deskundige 1] niet heeft horen doen. De voorzitter vraagt of [deskundige 1] daarbij weg blijft.
[deskundige 1] verklaart:
Ik doe niet mee aan de verbale waarschijnlijkheidsschaal met cijfers en nummers, opgesteld door het NFI. Er is daarvoor geen wetenschappelijke onderbouwing. U vraagt mij of ik meer in zijn algemeenheid iets kan zeggen over die schaal. Er wordt een schaal gehanteerd waarbij er nummers worden gegeven aan de mate van waarschijnlijkheid, dus het is bijvoorbeeld tien keer, honderd keer, duizend keer waarschijnlijker. Wij kunnen dat voor ons deskundigheidsgebied niet verantwoorden, want als wij dat doen is het een onderbuikgevoel. Dus daar heb ik het over in mijn aanvullende verslaggeving dat ik daar niet aan mee doe.
De jongste rechter vraagt of ik in dit in het algemeen bedoel. Ja. maar ook in deze casus. In een groot deel van het pathologisch werk kunnen we die nummertjes niet gebruiken. Zoals [deskundige 4] al zei: wij hebben geen wetenschappelijke onderbouwing. Dus wij kunnen dat niet.
Maar ik ben het helemaal eens met het uitdrukken in waarschijnlijkheden. Ik zou net als [deskundige 4] hoogst waarschijnlijk zeggen. U vraagt mij of ik van mening ben dat de oorzaak dan hoogst waarschijnlijk verwurging is door toesnoerend samendrukkend geweld op de hals. In ieder geval wat ik in mijn rapport heb vermeld, in mijn definitieve sectierapport pagina's 9 en 10, voor de doodsoorzaak.
De voorzitter houdt de conclusie voor: “Echter kan overlijden op traumatische gronden, namelijk door samendrukkend geweld op de hals (verwurging), niet worden uitgesloten. Ook bijdragende effecten aan het overlijden in de zin van zuurstofgebrek door eventueel smoren en/of mechanische traumatische asfyxie kunnen niet geheel worden uitgesloten.”
De voorzitter vraagt of het klopt dat [deskundige 1] hiervan zegt dat ze zich aansluit bij [deskundige 4] dat daar “hoogst waarschijnlijk" aan kan worden toegekend.
[deskundige 1] bevestigt dit.
De voorzitter vraagt of in de visie van [deskundige 1] het slachtoffer ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.
[deskundige 1] verklaart:
Met het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, is mijn antwoord ja. [69]
4.8
Op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 heeft deskundige [deskundige 1] opnieuw een verklaring afgelegd, die onder meer inhoudt (opnieuw met onderstrepingen van mijn hand):
“U vraagt mij of het klopt dat de doodsoorzaak hoogstwaarschijnlijk de verwurging is. Ik vind het heel moeilijk om in waarschijnlijkheden uit te drukken, omdat er hier twee mogelijke doodsoorzaken zijn. Het ene is het samendrukkend geweld op de hals en het andere is het hoge gehalte GHB waar mensen wel aan kunnen overlijden. Je kunt niet zeggen: ik trek deze doodsoorzaak naar voren en de ander naar achter. Ik kan niet aan het lichaam aflezen wat de dood uiteindelijk heeft veroorzaakt. Feit is wel dat het samendrukkend geweld bij leven is toegepast, dus niet nadat zij al dood was door de GHB.
Degene die zegt dat het ene waarschijnlijker is dan het andere, heeft dat uit persoonlijke voorkeur gezegd. Ik ben hier niet om persoonlijke voorkeuren uit te spreken. Ik ben een deskundige. Ik kan niet zeggen dat het ene waarschijnlijker is dan het andere.
Deskundige [deskundige 1] verklaart op vragen van het hof:
U houdt mij voor dat ik op een eerdere vraag of het slachtoffer ook overleden zou zijn zonder de GHB-intoxicatie “ja” heb geantwoord. Dat kan. Het samendrukkend geweld op de hals
iseen doodsoorzaak bij deze persoon. Ik kan niet zeggen dat het samendrukkend geweld op de hals de dood heeft veroorzaakt. Er zijn twee dingen die de dood veroorzaakt kunnen hebben en die kun je niet onderscheiden. De twee doodsoorzaken veroorzaken ook nog effecten in de hersenen, zoals zuurstoftekort, en dat kan ook nog een bijkomend effect op elkaar gehad hebben.
U vraagt mij of ik bedoel te zeggen dat het samendrukkend geweld op de hals wel heeft bijgedragen aan de dood. Je kunt het niet negeren met dit substraat van bloedingen en stuwingsverschijnselen. Daar zul je iets mee moeten doen. Het
kaneen doodsoorzaak zijn.
We diagnosticeren dagelijks gevallen waarbij mensen alleen het substraat hebben zoals bij dit slachtoffer, en er geen andere mogelijke doodsoorzaak is. Dan kunnen we wel zeggen dat dit de dood heeft veroorzaakt.
Het punt is dat er hier nog iets anders is wat ook een doodsoorzaak kan zijn, namelijk de GHB. Daarom kun je niet zeggen dat je
zeker weetdat het samendrukkend geweld op de hals de doodsoorzaak is geweest.
U vraagt mij of ik de waarschijnlijkheid dat de GHB de dood heeft veroorzaakt kan bepalen. Nee. In de literatuur is beschreven dat mensen met deze GHB-concentraties ook kunnen overleven, afhankelijk van de mate van gewenning. Dus als het iemand is die gewend was om GHB te gebruiken, dan hoeft het niet zo te zijn dat de GHB tot de dood heeft geleid, maar juist het samendrukkend geweld.
Dit is een combinatiezaak: je hebt een mogelijke doodsoorzaak op toxicologisch vlak en een mogelijke doodsoorzaak op traumatisch vlak. Dan moet je goed kunnen begrijpen dat die twee dingen in één lichaam aan de orde zijn en wat ze hebben gedaan met het lichaam. Dat is niet makkelijk. Het is niet de eerste zaak van deze aard die ik gedaan heb.
U vraagt mij nog een keer toe te lichten waarom ik het idee heb dat de rechtbank niet goed begrepen heeft wat wij, mijn collega’s en ik, hebben verklaard. Ik denk dat het moeilijke materie is, maar het gaat erom dat ik het geweld op de hals niet kan verklaren met wat ik in het vonnis las als mogelijke verklaring. U vraagt mij of voor mij buiten kijf staat dat het geweld heeft plaatsgevonden. Ja, met name op de hals. Ik heb daar het bewijs voor aan het lichaam gevonden. Het is een vaststelling. Het is belangrijk dat de verklaring hoe iets is ontstaan ook klopt met de vaststellingen.
U houdt mij voor dat het letsel aan de hals moet zijn toegebracht op het moment dat de GHB nog niet zelfstandig het overlijden had veroorzaakt en vraagt mij of dat niet maakt of ik iets kan zeggen over hoe het één mogelijk aan het ander heeft bijgedragen. Nee, want op een gegeven moment kan het wel zo zijn dat de effecten in de hersenen van het samendrukkend geweld op de hals hebben gezorgd dat ze overleden is. Ik snap wel wat u bedoelt. Het samendrukkend geweld op de hals is bij leven opgelopen, terwijl er tegelijkertijd iets is op toxicologisch vlak dat eigenlijk al op de loer ligt om iemands overlijden te veroorzaken.
U vraagt mij of het zo moet zijn dat de mogelijke oorzaken enige inwerking op elkaar gehad hebben. Dat kan heel goed. Beide oorzaken hebben negatieve effecten op ons lichaam. De GHB werkt generaal op het hele systeem, met name de hersenen krijgen daar last van. Dat is bij het samendrukkend geweld ook, daar krijgen de hersenen ook problemen van. Het kan dat ze elkaar versterkt hebben. [70]
[…]
Deskundige [deskundige 1] verklaart op vragen van het hof:
U houdt mij de conclusie uit het pathologisch rapport van 11 september 2020 voor waarin staat:
“Vanwege het totale beeld aan letsels/bevindingen die bij leven waren ontstaan (waaronder kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën), die niet kunnen worden verklaard op grond van een intoxicatie gaat de voorkeur in het onderhavige geval uit naar geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukken toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon (waarbij GHB intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad).” U vraagt mij of ik met “de voorkeur” bedoel dat dat de meest waarschijnlijke gang van zaken is.
Ik wilde eigenlijk zeggen dat het niet zo kan zijn dat het slachtoffer overleden kan zijn aan GHB, terwijl je niets doet met het geweld op de hals. Er is sprake van een combinatie: van een geïntoxiceerd persoon met daarbij tekenen van het samendrukkend geweld op de hals.
Voorkeur betekent niet dat het een waarschijnlijkheid is. Ik spreek hier geen voorkeuren voor doodsoorzaken uit. Ik bedoel dus dat er sprake is van geweldpleging door een ander persoon bij een zwaar geïntoxiceerd persoon. Je hoeft het niet los van elkaar te zien, maar ook samen. Je kan de twee dingen aan één lichaam niet scheiden en daarom gaat de voorkeur ernaar uit om het samen te bekijken. Je zegt dus niet: “GHB heeft het gedaan en de rest was er maar bij”. Het heeft te maken met het feit dat ik daarboven twee separate doodsoorzaken noem. Daarna heb ik geschreven dat het forensisch gezien handiger is om het in het geheel te bekijken en niet los van elkaar.
Ik kan geen waarschijnlijkheid uitspreken.
Deskundige [deskundige 1] verklaart op vragen van de raadsman:
U vraagt mij of de conclusie ook kan zijn dat de doodsoorzaak niet vast te stellen is. Nee, er zijn zelfs twee mogelijke doodsoorzaken. Ik zeg zeker niet dat de doodsoorzaak niet vast te stellen is. Er zijn twee mogelijke doodsoorzaken die het apart gedaan kunnen hebben of met elkaar samen.
Deskundige [deskundige 1] verklaart op vragen van het hof:
U vraagt mij of ik vandaag iets anders vind dan ik heb verklaard tijdens de zitting bij de rechtbank op 14 juni 2022. Nee. [71]
Bespreking van de eerste deelklacht
4.9
Ik stel voorop dat in het omvangrijke proces-verbaal van de rechtbank Gelderland van 14 januari 2022 in verschillende passages wordt gerept over de waarschijnlijkheid van bepaalde scenario’s en hypothesen. Het is soms lastig te duiden waarop deze ‘waarschijnlijkheidsuitspraken’ betrekking hebben. In sommige gevallen lijken deze uitspraken – zoals de stellers van het middel betogen – inderdaad te zien op het geweld tegen de hals als oorzaak van het
waargenomen letsel.Dat is meen ik, gelet op de context van die verklaring, bijvoorbeeld het geval waar deskundige [deskundige 4] verklaart dat “de beste hypothese waarin alle verschijnselen tegelijkertijd kunnen worden verklaard […] het samendrukkend of toesnoerend geweld tegen de hals is en blijft, waarbij we niet kunnen zeggen of het gaat om strangulatie, een armklem of wurging”.
4.1
Het hof heeft zich ten aanzien van de toerekening van de dood van het slachtoffer aan de verdachte (echter) gebaseerd op een beperkt gedeelte van de verklaringen die deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 4] hebben afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank Gelderland van 14 januari 2022. Het hof heeft vastgesteld dat de deskundigen tijdens die zitting hebben verklaard (i) dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was en (ii) dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.
4.11
Anders dan de stellers van het middel meen ik dat het hof met deze vaststellingen de verklaringen van de deskundigen niet heeft gedenatureerd. Immers heeft deskundige [deskundige 1] op de terechtzitting van 14 januari 2022 in antwoord op de vraag van de voorzitter of het slachtoffer ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie verklaard dat “met het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, […] mijn antwoord ja [is].” Het hof heeft deze verklaring van deskundige [deskundige 1] dus vrijwel woordelijk overgenomen. Ook de vaststelling van het hof dat de deskundigen hebben verklaard dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was, volgt genoegzaam uit de verklaringen van de deskundigen. Ik wijs daarbij op de volgende passages uit het proces-verbaal van 14 januari 2022 (met onderstrepingen van mijn hand):
“ [deskundige 1] geeft de voorkeur in dit geval aan geweldpleging door een ander persoon door middel van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals bij een zwaar geïntoxiceerd persoon waarbij GHB-intoxicatie een bijdrage kan hebben gehad.
De voorzitter houdt vervolgens het antwoord op vraag 51 in de brief van 15 februari 2021 voor: "Het zijn de kneuzingen aan het hoofd, de halsspierbloedingen en de uitgebreide stuwingstekenen met onder andere vele petechiën die maken dat ik de voorkeur geef.” Daarbij weegt [deskundige 1] mee dat de letsels niet kunnen worden verklaard door een intoxicatie.
De voorzitter vraag of het geven van “de voorkeur aan” in feite niet op hetzelfde neerkomt als het één meer waarschijnlijk achten als doodsoorzaak dan het ander.
[deskundige 1] verklaart:
Ja eigenlijk wel, maar ik blijf af van een verbale waarschijnlijkheidsschaal, zoals dat wel eens door forensische onderzoekers wordt toegepast, waarbij ze zeggen dat iets honderd maal of duizend maal of tienduizend maal waarschijnlijker is. Ik kan dit niet verdedigen op wetenschappelijke grond, in het forensisch pathologie deskundigheidsgebied.
De voorzitter merkt op dat ze [deskundige 4] heeft horen zeggen dat hij zou uitgaan van
hoogst waarschijnlijk.
[deskundige 4] verklaart:
Dat klopt. Ik weet dat het NFI aan deze verwoordingen een numerieke waarde toekent. Ik ben het daar persoonlijk niet mee eens. Wat men niet kan berekenen kan men niet numeriek uitdrukken. Het blijft een subjectieve beoordeling volgens een schaal van hoogst waarschijnlijk tot onmogelijk.
Hoogst waarschijnlijk is de hoogste graad van bijna aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid. […]
De voorzitter merkt op dat [deskundige 4] het woord hoogst waarschijnlijk gebruikt en dat ze dat [deskundige 1] niet heeft horen doen. De voorzitter vraagt of [deskundige 1] daarbij weg blijft.
[deskundige 1] verklaart:
Ik doe niet mee aan de verbale waarschijnlijkheidsschaal met cijfers en nummers, opgesteld door het NFI. […] Zoals [deskundige 4] al zei: wij hebben geen wetenschappelijke onderbouwing. Dus wij kunnen dat niet.
Maar ik ben het helemaal eens met het uitdrukken in waarschijnlijkheden. Ik zou net als [deskundige 4] hoogst waarschijnlijk zeggen.”
4.12
Ten aanzien van voornoemde verklaringen van de deskundigen, afgelegd op de terechtzitting van 14 januari 2022, meen ik dat het hof geen vaststellingen heeft gedaan die niet aan deze verklaringen kunnen worden ontleend. De vraag is vervolgens of hetgeen deskundige [deskundige 1] naar voren heeft gebracht op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 een ander licht werpt op de door haar en deskundige [deskundige 4] eerder afgelegde verklaringen. De stellers van het middel wijzen er in de toelichting op het eerste middel op dat [deskundige 1] op deze zitting haar eerder gegeven ‘waarschijnlijkheidsoordeel’ heeft genuanceerd, onder meer door het volgende te overwegen:
“U houdt mij voor dat ik op een eerdere vraag of het slachtoffer ook overleden zou zijn zonder de GHB-intoxicatie “ja” heb geantwoord. Dat kan. Het samendrukkend geweld op de hals
iseen doodsoorzaak bij deze persoon. Ik kan niet zeggen dat het samendrukkend geweld op de hals de dood heeft veroorzaakt. Er zijn twee dingen die de dood veroorzaakt kunnen hebben en die kun je niet onderscheiden. De twee doodsoorzaken veroorzaken ook nog effecten in de hersenen, zoals zuurstoftekort, en dat kan ook nog een bijkomend effect op elkaar gehad hebben.
U vraagt mij of ik bedoel te zeggen dat het samendrukkend geweld op de hals wel heeft bijgedragen aan de dood. Je kunt het niet negeren met dit substraat van bloedingen en stuwingsverschijnselen. Daar zul je iets mee moeten doen. Het
kaneen doodsoorzaak zijn.”
4.13
Ik begrijp de verklaringen van deskundige [deskundige 1] , zoals afgelegd op de terechtzitting bij de rechtbank van 14 januari 2022 en de terechtzitting bij het hof van 6 februari 2025 (weergegeven in randnummers 4.7 en 4.8) als volgt. Bij het slachtoffer zijn twee oorzaken vast te stellen die een verklaring kunnen bieden voor het intreden van de dood. Dit betreffen het samendrukkend geweld op de hals en de GHB-intoxicatie. Over het samendrukkend geweld op de hals heeft deskundige [deskundige 1] verklaard dat het slachtoffer ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie. Zou de GHB-intoxicatie er niet zijn geweest, dan kan de dood volledig worden verklaard door het toegepaste geweld op de hals, zo leid ik af uit de volgende passage uit de verklaring van [deskundige 1] op 6 februari 2025:
“We diagnosticeren dagelijks gevallen waarbij mensen alleen het substraat hebben zoals bij dit slachtoffer, en er geen andere mogelijke doodsoorzaak is. Dan kunnen we wel zeggen dat dit de dood heeft veroorzaakt.”
Daarmee bevestigt zij hetgeen zij in eerste aanleg op dit punt heeft verklaard.
4.14
Tegelijkertijd volgt uit de verklaring van [deskundige 1] dat ook de GHB-intoxicatie de dood van het slachtoffer goed en volledig kan verklaren. In dit kader heeft toxicoloog [deskundige 3] (wiens verklaring ook voor het bewijs is gebezigd) verklaard dat de gemeten GHB-concentratie een concentratie is die beter past bij GHB-concentraties die zijn gemeten bij personen die zijn overleden aan een GHB-overdosis dan bij GHB-concentraties gemeten bij personen die niet zijn overleden. De toxicoloog concludeert dat de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden, onder andere door de dempende werking op de ademhaling en het centraal zenuwstelsel, en bij uitsluiting van een meer waarschijnlijke doodsoorzaak het overlijden kan verklaren.
4.15
Uit de verklaringen van deskundige [deskundige 1] leid ik ook af dat zij over de waarschijnlijkheid van de ene doodsoorzaak (het geweld op de hals) ten opzichte van de andere doodsoorzaak (de GHB-intoxicatie) geen oordeel kan en wil vellen. Zij benadrukt dat het niet mogelijk is om de ene doodsoorzaak “naar voren te trekken” ten opzichte van de ander, omdat aan het lichaam niet is af te lezen wat de dood uiteindelijk heeft veroorzaakt.
4.16
Cruciaal is meen ik het volgende. De stellers van het middel betogen dat op grond van de verklaringen van [deskundige 1] en [deskundige 4] niet kan worden gesteld dat samendrukkend toesnoerend geweld met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid tot de dood heeft geleid, nu er ook een andere, (even) waarschijnlijke, doodsoorzaak is geweest. Uit de verklaringen van de deskundigen volgt echter – en dat word door het hof overgenomen – dat het slachtoffer hoogstwaarschijnlijk is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals
terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was.De deskundigen beschouwen de twee doodsoorzaken dus in samenhang. Dat blijkt onder meer uit de volgende verklaring van deskundige [deskundige 1] , afgelegd op de zitting van 6 februari 2025:
“Ik wilde eigenlijk zeggen dat het niet zo kan zijn dat het slachtoffer overleden kan zijn aan GHB, terwijl je niets doet met het geweld op de hals. Er is sprake van een combinatie: van een geïntoxiceerd persoon met daarbij tekenen van het samendrukkend geweld op de hals. Voorkeur betekent niet dat het een waarschijnlijkheid is. Ik spreek hier geen voorkeuren voor doodsoorzaken uit. Ik bedoel dus dat er sprake is van geweldpleging door een ander persoon bij een zwaar geïntoxiceerd persoon. Je hoeft het niet los van elkaar te zien, maar ook samen. Je kan de twee dingen aan één lichaam niet scheiden en daarom gaat de voorkeur ernaar uit om het samen te bekijken.”
4.17
Het ‘waarschijnlijkheidsoordeel’ van deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 4] moet dus zo worden begrepen, dat zij het scenario waarin het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van samendrukkend geweld op de hals
terwijl zij zwaar geïntoxiceerd washet meest waarschijnlijk achten (en dus: waarschijnlijker dan een scenario waarin het slachtoffer zou zijn overleden aan (enkel) de GHB-intoxicatie). Het hof heeft op basis van deze verklaringen aannemelijk geacht dat het overlijden met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door het door de verdachte gepleegde geweld is veroorzaakt. In het licht van de verklaringen van de deskundigen die het hof aan dat oordeel ten grondslag legt, begrijp ik dit oordeel zo dat het hof meent dat het geweld met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid de dood
van een zwaar geïntoxiceerd persoonheeft veroorzaakt. Dat oordeel vind ik niet onbegrijpelijk, nu uit de verklaringen van de deskundigen ook volgt (en door het hof is vastgesteld) dat het geweld op de hals bij leven is toegepast en het geweld naar zijn aard geschikt is om de dood te doen intreden.
4.18
De eerste deelklacht faalt.
De tweede deelklacht
4.19
De tweede deelklacht houdt in dat het hof nader had moeten motiveren waarom niet aannemelijk is geworden dat de GHB-overdosis tot de dood heeft geleid, nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat “de gemeten GHB-concentratie (530 mg/l) een concentratie is die beter past bij personen die zijn overleden aan een overdosis dan bij personen die aan dezelfde GHB-concentratie niet zijn overleden”, en “de GHB-concentratie een bijdrage kan hebben geleverd aan het overlijden”, terwijl uit die bewijsmiddelen eveneens blijkt dat “de combinatie van de vastgestelde letsels […] op zich de dood [kan] veroorzaken volgens de mechanismen van smoring, geweld op de hals, dooddrukking of een combinatie van deze mechanismen”, maar “in dit geval […] noch [kan] worden uitgesloten, noch worden bewezen, dat deze mechanismen hebben bijgedragen tot de dood”. Onder verwijzing naar het HIV-arrest wordt in de toelichting op de tweede deelklacht gesteld dat uit de overwegingen van het hof onvoldoende blijkt waarom de overdosis GHB
hoogstwaarschijnlijk niettot de dood heeft geleid.
4.2
In het licht van de bespreking van de eerste deelklacht kan ik over deze klacht kort zijn. Het hof heeft aannemelijk geacht dat het overlijden van het slachtoffer met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door het door de verdachte gepleegde geweld. Aan dat oordeel heeft het hof ten grondslag gelegd dat deskundigen [deskundige 1] en [deskundige 4] hebben verklaard dat het slachtoffer hoogst waarschijnlijk is overleden als gevolg van samendrukkend toesnoerend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was
.De GHB-intoxicatie is dus betrokken in het scenario dat ten grondslag is gelegd aan de toerekening van de dood aan de verdachte. Dat het hof het scenario waarin het slachtoffer is overleden aan de gevolgen van samendrukkend geweld op de hals terwijl zij zwaar geïntoxiceerd was waarschijnlijker heeft geacht dan het scenario waarin het slachtoffer zou zijn overleden aan (enkel) de GHB-intoxicatie vind ik niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het hof heeft vastgesteld dat (i) het met substantiële kracht en gedurende enige tijd dichtknijpen of samendrukken van de hals naar zijn aard geschikt is om het intreden van de dood teweeg te brengen, (ii) de deskundige [deskundige 3] heeft geconcludeerd dat de gemeten GHB-concentratie het overlijden kan verklaren indien al het andere is uitgesloten en dat als in dit geval een andere, meer waarschijnlijke, doodsoorzaak wordt vastgesteld, dit voor zijn bevindingen gaat, (iii) de deskundige [deskundige 1] heeft verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie en (iv) de samendrukkende of toesnoerende krachtsinwerking op de hals
bij levenheeft plaatsgevonden en de GHB op dat moment nog niet tot de dood van het slachtoffer had geleid.
4.21
De tweede deelklacht faalt eveneens, zodat het eerste middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel houdt in dat het oordeel van het hof dat het alternatieve scenario waarin de verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust, dus per ongeluk, heeft samengedrukt of toegesnoerd, niet aannemelijk wordt geacht, onbegrijpelijk is, althans – mede in het licht van hetgeen de verdediging in dit verband heeft aangevoerd – ontoereikend is gemotiveerd. De stellers van het middel wijzen in dit kader in het bijzonder op twee niet (zonder meer) begrijpelijke vaststellingen van het hof, inhoudende dat:
(a) deskundige [deskundige 1] heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel en;
(b) de handelingen van de verdachte en de bevindingen van de deskundigen eerder steun bieden voor het scenario waarin de verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.
5.2
Op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 heeft de raadsman van de verdachte het woord ter verdediging gevoerd overeenkomstig zijn aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, die onder meer inhoudt (met overneming van cursiveringen en arceringen):
“2.5
Conclusie: de rechtbank heeft terecht onderstaand scenario van de verdediging gevolgd
“Het tweede scenario(p. 14) is dat verdachte [slachtoffer] met zijn arm om haar nek heeft opgetild om haar te verplaatsen naar de bank.
Als hij hierbij aan haar nek heeft getrokken zijn de bloedingen in lengterichting en de stuwingsverschijnselen goed verklaarbaar aldus de raadsman (3e alinea).
Verdachte heeft ter terechtzitting bij de raadsman voorgedaan hoe hij [slachtoffer] heeft vastgehouden. Hij is achter de raadsman gaan staan en heeft zijn linkerarm om de buik van de raadsman geslagen.
Zijn rechterarm heeft hij boven de borst over het borstbeen geslagen, waarbij zijn rechterhand op de linkerschouder van de raadsman rustte.”
3. De door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen
“De rechtbank zal hierna allereerst ingaan op de vraag wat op basis van het procesdossier, de rapportages van de deskundigen en het verhandelde terechtzitting van 14 januari 2022 dan wel aannemelijk is (p. ..).”
Hierna zal ik de volgende door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen nog nader bespreken en toelichten:
4. De forensisch-technische bevindingen:
5. De verklaringen van [verdachte] ;
6. De getuigen;
7. Andere technische gegevens over het telefoongebruik
4. De forensisch-technische bevindingen
4.1
Verklaringen van de deskundigen over de doodsoorzaak en letsels
De deskundigen zijn ter terechtzitting van 14 januari 2022 zowel door de rechtbank als de raadsman ondervraagd over mogelijke verklaringen voor de geconstateerde halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen (anders dan verwurging, toesnoeren, smoren of versmachten).
Ze waren het eens dat
er samendrukkend geweld op de halshad plaatsgevonden, maar verschilden van mening hoe dit exact geïnterpreteerd moest worden.
4.2
[deskundige 1] (forensisch patholoog)
• Concludeerde aanvankelijk dat
samendrukkend geweld op de hals de meest waarschijnlijke doodsoorzaakwas.
• Noemde echter ook de
mogelijkheid van posturale asfyxie(verstikking door een ongunstige lichaamshouding).
• In haar definitieve rapport van
11 september 2020stelde ze dat:
o Het overlijden
goed verklaard kan worden door de hoge concentratie GHB.
o
Verstikking door extern geweld (zoals verwurging) niet uitgesloten kon worden.
o
Combinatie van factoren mogelijk was, zoals de effecten van GHB en een houding waarin de ademhaling beperkt werd.
• Ter terechtzitting van
14 januari 2022verklaarde ze:
o “Indien sprake was van samendrukkend geweld, kan dat door een ander zijn toegebracht,
maar ook onbedoeld in een situatie waarin [slachtoffer] al bewusteloos was.”
Relevantie voor het ongeluksscenario:
[deskundige 1] bevestigde dat
posturale asfyxieeen mogelijke verklaring was.
Ze achtte het aannemelijk dat het hoge GHB-gehalte een cruciale rol speelde en
dat dit in combinatie met een samendrukkend moment (EM: zoals de manier waarop verdachte [slachtoffer] vasthield) kon leiden tot haar overlijden.
En,
P. 7 vonnis : Halsspierbloedingen
“Het kan ook nog ontstaan door het uitoefenen van druk op de halsspieren in het kader van toesnoerend geweld op de hals, bijvoorbeeld door een structuur,maar ook door armen, waarbij gedacht kan worden aan het toepassen van een nekklem.”
4.3
[deskundige 2] (forensisch patholoog, Universiteit Antwerpen)
• Concludeerde dat het GHB-gehalte
voldoende hoog was om het overlijden volledig te verklaren.
• Stelde vast dat de
combinatie van GHB en alcohol ademhalingsdepressie veroorzaakteen dat hierdoor [slachtoffer]
bewusteloos kon raken en kon sterven aan zuurstofgebrek
• Gaf aan dat de gevonden
stuwingstekenen en bloedingen in de halsspierenkonden passen bij
verwurging, maar ook bij andere vormen van druk op de hals.
• Ter zitting op
14 januari 2022:
o
Stelde dat als er geweld was toegepast, dit niet per se een bewuste verwurging hoefde te zijn.
o Vond het niet aannemelijk dat [slachtoffer] zichzelf de halsspierbloedingen had toegebracht.
o Onderstreepte dat
de effecten van GHB cruciaal waren bij haar overlijden.
Relevantie voor het ongeluksscenario:
[deskundige 2] benadrukte
dat GHB-intoxicatie op zichzelf fataal kon zijnen dat, indien er sprake was van halsdruk, dit
niet per se bewust of opzettelijk hoefde te zijn.
Dit ondersteunt het door de rechtbank aangenomen scenario waarin verdachte haar mogelijk per ongeluk te strak vasthield.
4.4
[deskundige 2] (hoogleraar forensische geneeskunde)
• Stelde dat
de bloedingen in de halsspieren het gevolg moesten zijn van trauma.
• Zag
samendrukkend geweld als meest waarschijnlijke oorzaak, maar erkende dat
dit niet per se een bewuste daad hoefde te zijn.
• Was sceptisch over
posturale asfyxie als enige doodsoorzaak,maar sloot niet uit dat dit in combinatie met GHB een rol kon spelen.
• Onderstreepte dat
het geweld dat leidde tot de letsels niet per se intentioneel was.
• Stelde dat de halsspierbloedingen en stuwingstekenen niet zomaar ontstonden door een val, maar wel door een
kracht die [slachtoffer] ’s hoofd naar achteren trok(EM: zoals bij het omhoog tillen).
Relevantie voor het ongeluksscenario:
[deskundige 4] gaf aan dat
niet altijd sprake hoeft te zijn van bewuste verwurging. Het samendrukken van de hals. Een armklem behoort bijvoorbeeld ook tot de mogelijkheden (Vonnis, p.8).
Hij zag
krachtige halsdruk als de waarschijnlijke oorzaak, maar deze kon passen bij de manier waarop verdachte haar probeerde te bedwingen.
4.5
Hoe sluiten deze verklaringen aan bij het door de rechtbank aangenomen scenario?
De rechtbank ging uit van de mogelijkheid dat
verdachte [slachtoffer] per ongeluk verstikte toen hij haar tegenhield om te voorkomen dat ze opnieuw GHB zou nemen.
De deskundigen ondersteunden dit scenario op de volgende manieren:

1.GHB-intoxicatie was op zichzelf mogelijk dodelijk

o Alle deskundigen bevestigden dat het extreem hoge GHB-gehalte kon leiden tot bewustzijnsverlies en ademhalingsdepressie.
o [deskundige 2] en [deskundige 1] achtten
het goed mogelijk dat GHB een belangrijke (zo niet doorslaggevende) rol speelde in haar overlijden.

2.Druk op de hals kon ontstaan door een onbedoelde fysieke interactie

o [deskundige 2] en [deskundige 1] stelden dat de bloedingen en stuwingstekenen pasten bij
samendrukkend geweld, maar
dat dit niet per se een bewuste verwurging hoefde te zijn.
o [deskundige 4] bevestigde dat
druk op de hals kon ontstaan bij het vasthouden of optillen van [slachtoffer]

3.Posturale asfyxie was een mogelijkheid, maar niet doorslaggevend

o [deskundige 1] overwoog de mogelijkheid van
posturale asfyxie(verstikking door een verkeerde houding), vooral in combinatie met GHB.
o [deskundige 4] vond dit minder waarschijnlijk als enige oorzaak, maar zag
de combinatie van factoren als aannemelijk

4.Verdachtes fysieke kracht en toestand speelden mogelijk een rol

o De rechtbank benadrukte dat verdachte zelf
ook zwaar onder invloed van GHBwas en zich mogelijk
niet volledig bewust was van de kracht die hij uitoefende.
o Dit sloot aan bij de verklaringen van [deskundige 4] en [deskundige 2] over hoe halsspierbloedingen konden ontstaan door een
forse, maar onbedoelde druk op de hals.
Conclusie
Op basis van de deskundigenverklaringen heeft de rechtbank terecht overwogen dat het
niet onomstotelijk vaststaat dat verdachte opzettelijk [slachtoffer] heeft gewurgd.
De combinatie van
extreme GHB-intoxicatie, een fysieke interactie waarbij verdachte haar probeerde te bedwingen, en de mogelijkheid van een verstikkingshoudingvormden een aannemelijk(er) ongeluksscenario.
5. De verklaringen van [verdachte]
Anterograde amnesie
(vonnis, p.13) De toxicoloog heeft op de zitting van 14 januari 2022 verklaard dat bij het gebruik van GHB
geheugenverlieseen bekend fenomeen is.
Het treedt vaak op en is een anterograde amnesie, wat betekent dat geen herinneringen worden opgeslagen van gebeurtenissen en ervaringen gedurende die toestand.
Iemand die onder invloed is van GHB kan niet onthouden wat er is gebeurd, omdat het niet in het geheugen wordt weggeschreven.
Gelet op het voorgaande is het aannemelijk dat verdachte op 9 april 2020 enkele uren onder invloed van GHB is geweest en dat hij niet in staat is te verklaren wat er in deze uren is voorgevallen, omdat hij gedurende die uren, door de anterograde amnesie, niet heeft kunnen onthouden wat er gebeurde.
Dat betekent dat verdachte slechts beperkt herinneringen heeft aan de gebeurtenissen die dag, waarbij ook het gebruik van lachgas een negatieve rol kan hebben gespeeld (zie het door toxicoloog [deskundige 3] genoemde versterkt sederende effect van lachgas indien het wordt gebruikt in combinatie met bijvoorbeeld GHB).
De verklaringen van verdachte (p.13)
Verdachte heeft tegenover de politie onder meer op
13 april 2020een verklaring afgelegd. Daaruit komt, samengevat, het volgende naar voren.
[slachtoffer] heeft op woensdag nog een fles lachgas besteld. Die fles is woensdagavond omstreeks 22:30 uur gebracht.
Van woensdag 8 april 2020 23:00 uur tot donderdag 9 april 2020 5:00 uur hebben [slachtoffer] en hij lachgas gebruikt en ook GHB.
Verdachte weet niet hoeveel. Ze zaten tijdens het gebruik in de kantine, de ruimte achter het kantoor. Verdachte denkt dat hij 3 keer 3, dus 9 ml GHB heeft gebruikt.
Hoeveel [slachtoffer] heeft gebruikt weet hij niet. Nadat verdachte had opgeruimd hebben ze nog even gezeten en nog wat GHB en een ballonnetje (lachgas) genomen.
Hij heeft 3 ml gebruikt en het kan ook meer zijn. Op het moment dat hij aan het opruimen was, was [slachtoffer] nog normaal en praatte ze tegen hem.
Ze zijn vervolgens op de slaapbank in de kantine gaan liggen en in slaap gevallen. Het is dan nog steeds donderdagmorgen, 9 april, tussen vijf en zes uur, zoiets denkt verdachte.
Op een gegeven moment wordt hij wakker op de bank, het is donker, de rolluiken zijn dicht.
Hij ziet [slachtoffer] op de grond voor de bank zitten. Er brandde een kaarsje dat een klein beetje licht geeft.
Verdachte heeft geen idee hoe laat het dan is. Hij heeft haar vervolgens opgetild, naast zich op de bank gelegd en is naast haar gaan liggen. Ze voelde slaperig en ze zijn gaan slapen.
Toen hij wakker werd, probeerde hij [slachtoffer] wakker te maken, maar ze gaf geen reactie.
Daarop heeft hij haar beetgepakt en meegenomen naar de slaapkamer. Ze voelde slap aan. In de slaapkamer doet hij de lampen aan en ziet dan dat ze helemaal blauw is.
Ook
ter terechtzitting van 16 iuni 2022heeft verdachte verklaard over wat hij zich kan herinneren of meent te herinneren.
Onder meer heeft hij verklaard als volgt.
“U vraagt mij het moment dat [slachtoffer] voor de bank zat en GHB pakte te beschrijven. [slachtoffer] zat in de modus dat ze alleen met drugs bezig was. Ze wilde meer nemen om zich nog lekkerder te voelen.
Op zo’n moment neemt ze niets van mij aan en doet ze het snel zodat ik niets kan ondernemen. [slachtoffer] deed snel GHB in haar mond.
Ze deed haar ogen dicht, begon over haar gezicht, door haar haren en over haar benen te wrijven en te blazen (verdachte doet dit voor en maakt daarbij ook een kreunend geluid, het geluid dat [slachtoffer] maakte).
Ik merkte dat ze genoeg op had. Ze kwam een minuut later weer bij en wist al niet meer dat ze al had gepakt en wilde nog een keer GHB pakken.
Ze zat toen voor mij op de grond. Ik zat achter haar op de bank. Ik schoof het glas weg en pakte haar toen vast. Ik tilde haar op van de grond, waarbij haar rug tegen mijn borst kwam, haar gezicht van mij af.
[slachtoffer] spartelde enorm tegen. Ze wilde opstaan. Ik moest kracht zetten om haar bij mij te houden.
Ik had mijn armen ter hoogte van haar borst, zodat ze niet in staat was tegen mij te vechten, klemde haar tegen mij aan en trok haar op de bank.
We zijn samen liggend op de bank terecht gekomen. Ik ben haar vast blijven houden.”
Verdachte heeft ter terechtzitting bij de raadsman voorgedaan hoe hij [slachtoffer] heeft vastgehouden (p. 14). Hij is achter de raadsman gaan staan en heeft zijn linkerarm om de buik van de raadsman geslagen.
Zijn rechterarm heeft hij boven de borst over het borstbeen geslagen, waarbij zijn rechterhand op de linkerschouder van de raadsman rustte.
Verdachte heeft voorts nog verklaard:
“Ik weet niet meer exact hoe ik haar vasthield, of dat zo was zoals ik zojuist voordeed of met beide amen gekruist om haar heen.
[slachtoffer] kon met haar armen heel wild doen. Zoals ik haar vasthield kon ze niet wild doen met haar armen. [slachtoffer] kon heel lang tegenstribbelen.
Ik heb haar vaker zo vastgepakt. Dat kon wet 20 minuten duren. Het is niet zo dat hiervan later letsel te zien was.
Hoe lang het in dit geval heeft geduurd weet ik niet. De officier van justitie vraagt mij of op dat moment letsels kunnen zijn ontstaan. Dat zou kunnen door het tegenstribbelen. Ik ben in slaap gevallen.
Ikdenkdat zij wakker is geworden en opnieuw GHB heeft gepakt en dat zij daarna letsel heeft opgelopen.
De oudste rechter vraagt mij wanneer ik [slachtoffer] heb losgelaten. Dat weet ik niet. Ik was namelijk ook onder invloed van GHB. Ik heb haar niet bewust los gelaten.”
De rechtbank constateert allereerst dat verdachte in zijn verklaringen tegenover de politie,
na de verklaring 13 april 2020, op onderdelen anders (of enigszins anders) heeft verklaard.
Bij de beoordeling van die verklaringen houdt de rechtbank echter rekening met de mogelijkheid dat de wisselende manier van verklaren zijn oorzaak vindt in wat hiervóór is opgemerkt over de
eigen gesteldheid van verdachte op 9 april 2020, waarbij verdachte zich gebeurtenissen, als gevolg van de effecten van
het GHB-gebruik en het gebruik van lachgas, (deels) helemaal niet of niet goed kan herinneren.
Lezing van de letterlijk uitgewerkte verhoren leert dat verdachte onduidelijk en weifelend, soms tegenstrijdig verklaarde over het tijdsverloop en de plaatsing van de verschillende handelingen in de tijd, die bewuste nacht en de dag van 9 april 2020 (zoals eigenlijk ook gebeurde ter zitting).
Verbalisanten proberen zijn verhaal zoveel mogelijk te concretiseren en structureren, vatten samen wat hij eerder heeft gezegd en stellen dat tegenover wat hij op een later moment heeft gezegd en zeggen dan soms: ‘dat kan kloppen’ of ‘dat kan niet kloppen’ of iets in die zin.
Daarom is niet altijd duidelijk of verdachte, in antwoord op de gestelde vragen van de politie, is gaan verklaren over wat hij wéét wat er gebeurd is of over wat hij dénkt dat er gebeurd kan zijn en zo (deels) is gaan invullen.
Verder valt op dat verdachte over het door hem ter terechtzitting van 16 juni 2022 beschreven moment, dat naar zijn zeggen
vooraf isgegaan aan het moment dat hij heeft beschreven in de verklaring van 13 april 2020, (het moment dat hij [slachtoffer] op haar billen voorovergebogen voor de bank heeft zien zitten) eerder niet heeft gesproken.
Ook dit zou naar het oordeel van de rechtbank echter zijn oorzaak kunnen vinden in de eigen gesteldheid van verdachte op 9 april 2020 en zijn gebrekkige geheugen over (de precieze loop van) de gebeurtenissen die dag.
De rechtbank ziet in het wisselend verklaren door verdachte, en in het feit dat hij daarna nog met de genoemde nieuwe informatie is gekomen, in ieder geval geen reden die informatie enkel daarom als ongeloofwaardig terzijde te schuiven.
Daarbij hecht de rechtbank ook belang aan de verklaringen van getuigen.
6. De getuigen
6.1
Tussenconclusie Rechtbank (p. 15)
De verklaring van verdachte dat [slachtoffer] voor hem op de grond zat, GHB nam, even weg raakte, een minuut later bijkwam, opnieuw GHB wilde nemen en vervolgens door verdachte is vastgehouden en door hem op de bank is getrokken, omdat ze heel wild was en tegenstribbelde, is naar het oordeel van de rechtbank
niet onaannemelijk. De beschreven situatie vindt ondersteuning in de verklaringen van de getuigen.
6.2
De getuigenverklaringen over het vasthouden en beschermen van het slachtoffer
Verschillende getuigen hebben verklaringen afgelegd over het gedrag van [slachtoffer] wanneer zij onder invloed was van GHB, lachgas en alcohol.
Deze verklaringen zijn van belang, omdat ze een beeld schetsen van haar lichamelijke reacties op drugsgebruik en het gedrag van verdachte [verdachte] in dergelijke situaties.
Deze verklaringen ondersteunen het scenario waarin verdachte [slachtoffer] probeerde te beschermen en in bedwang te houden.
6.3
Getuige [getuige 2] (RC-verklaring)
Verklaring:
• [slachtoffer] kon zeer onvoorspelbaar reageren op drugsgebruik.
• Soms wilde ze kort (na 5 minuten) na het nemen van een dosis GHB alweer meer nemen.
• Ze maakte soms oncontroleerbare bewegingen en vertoonde stuiptrekkingen.
• Dit kon soms een half uur duren.
• Tijdens deze episodes vertoonde [slachtoffer] lomp gedrag, zoals tegen tafels aanlopen.
Analyse van deze verklaring:
• Bevestigt dat [slachtoffer] zichzelf in gevaar kon brengen door haar gebrek aan controle over haar lichaam onder invloed van GHB.
• Ondersteunt verdachtes verklaring dat hij haar wilde tegenhouden om te voorkomen dat ze nog meer GHB zou nemen.
• Geeft context aan verdachtes handelingen, namelijk dat hij eerder al gewend was om haar onder invloed te zien en mogelijk vast te houden om schade te voorkomen.
6.4
Getuige [getuige 5]
Verklaring:
• [slachtoffer] vertoonde hevige bewegingsreacties wanneer ze out ging.
• Ze viel soms in slaap en zwaaide met haar armen in een oncontroleerbare beweging.
• Dat duurde dan ongeveer tien minuten.
Analyse van deze verklaring:
• Ondersteunt dat [slachtoffer] zich niet rustig gedroeg bij bewustzijnsverlies door GHB.
• Bevestigt verdachtes verklaring dat hij haar soms moest vasthouden om haar onder controle te krijgen.
• Mogelijk heeft verdachte haar stevig vastgehouden om haar te stabiliseren, waarbij onbedoeld kracht op haar hals is uitgeoefend.
6.5
Getuige [getuige 4] (zitting van 16 juni 2022)
Verklaring:
• Getuige zag met eigen ogen hoe verdachte [slachtoffer] fysiek vasthield in een houdgreep.
• [slachtoffer] spartelde op de grond en vertoonde hyperactief gedrag.
• Op een gegeven moment sloeg ze zelfs een kerstboom omver.
• Verdachte greep haar vast (houdgreep) om haar te kalmeren en onder controle te krijgen.
• De manier waarop hij haar vasthield was zoals hij dit later ter zitting demonstreerde.
• Haar rug was tegen verdachte’s borst gedrukt en haar voeten kwamen los van de grond.
• De situatie duurde enkele seconden tot minuten.
Analyse van deze verklaring:
• Bevestigt dat verdachte eerder [slachtoffer] stevig moest vasthouden om haar te beschermen en dat dit geen uitzonderlijk gedrag was.
• Toont aan dat verdachte ervaring had met het fysiek onder controle houden van [slachtoffer] als ze onder invloed was.
• De beschreven houding komt overeen met de manier waarop verdachte verklaarde dat hij haar in bedwang hield op de avond van het incident.
• Dit ondersteunt het (ongeluks-scenario) dat verdachte haar op dezelfde manier heeft vastgehouden in de fatale nacht, waarbij zijn grip mogelijk is opgeschoven naar haar hals zonder de intentie om haar te verwurgen.
6.6
Getuige [getuige 3] (vader van verdachte)
Verklaring (zitting van 16 juni 2022) (EM: dit is [getuige 3] , vader van [verdachte] , per abuis door rechtbank [...] genoemd):
• Getuige hoorde van [getuige 4] dat verdachte met hem samen [slachtoffer] moesten vasthouden.
• Ze was zo oncontroleerbaar dat ze met z’n tweeën in bedwang moest worden gehouden.
• Dit gebeurde op de verjaardag van hun dochter.
Analyse van deze verklaring:
• Ondersteunt het beeld dat [slachtoffer] soms fysiek niet onder controle te houden was.
• Bevestigt dat verdachte haar vaker heeft moeten vasthouden om escalaties te voorkomen.
• Dit scenario laat zien dat verdachte niet uit agressie handelde, maar om te voorkomen dat [slachtoffer] zichzelf of anderen schade toebracht.
6.7
Deze getuigenverklaringen ondersteunen het ongeluksscenario, want:
A. Verdachtes handelingen waren niet ongebruikelijk of agressief
• Meerdere getuigen verklaarden dat [slachtoffer] vaak onvoorspelbaar en fysiek oncontroleerbaar werd door GHB-gebruik.
• Dit betekent dat verdachtes handelingen consistent zijn met eerdere gevallen waarin hij haar moest vasthouden om haar te beschermen.
B. Het vasthouden van [slachtoffer] was een bekende noodmaatregel
• Getuige [getuige 4] zag verdachte haar eerder in een soortgelijke houdgreep vastpakken.
• Dit gebeurde toen [slachtoffer] hyperactief was en zich niet onder controle had.
• Dit wijst erop dat verdachte geen gewelddadige intenties had, maar haar wilde kalmeren.
C. Dit past in een patroon van fysiek ingrijpen zonder agressie
• De combinatie van de getuigenverklaringen en verdachtes verklaring suggereert dat hij haar niet bewust probeerde te verwurgen, maar probeerde haar in bedwang te houden.
• De halsspierbloedingen en stuwingsverschijnselen kunnen zijn ontstaan doordat zijn grip opschoof en onbedoeld druk op haar hals veroorzaakte.
• [slachtoffer] was door haar zeer hoge GHB-intoxicatie kwetsbaar en had mogelijk een verlaagde weerstand tegen fysieke druk.
D. Er is geen bewijs van agressie of opzettelijk geweld
• Geen van de getuigen beschrijft verdachte als iemand die agressief of gewelddadig was.
• Geen enkele getuige meldde dat verdachte [slachtoffer] ooit had bedreigd of mishandeld.
• Dit ondersteunt de conclusie van de rechtbank dat het niet waarschijnlijk was dat verdachte haar opzettelijk om het leven bracht.
E. De fysieke ‘strijd’ tussen verdachte en [slachtoffer] kan het letsel verklaren
• Getuigen verklaren dat [slachtoffer] zich fel kon verzetten als ze tegengehouden werd.
• Dit kan verklaren waarom er bloeduitstortingen en halsspierbloedingen waren.
• De deskundigen gaven aan dat deze letsels konden ontstaan door een stevige grip en hyperextensie van de nek, zonder dat sprake hoeft te zijn van bewuste verwurging.
Eindconclusie:
De getuigenverklaringen ondersteunen het scenario dat [slachtoffer] onvoorspelbaar en fysiek moeilijk onder controle te houden was tijdens GHB-gebruik, en dat verdachte haar om die reden stevig vasthield, zoals hij eerder had gedaan.
Hierdoor kan het dodelijke letsel zijn ontstaan zonder dat verdachte de intentie had om haar te verwurgen of te doden. Dit maakt het ongeluksscenario onderbouwd.”
5.3
Het hof heeft over het door de verdediging geschetste alternatieve scenario het volgende overwogen:

Bespreking van het alternatieve scenario
Het hof acht het alternatieve scenario waarin verdachte de hals van het slachtoffer onbedoeld en onbewust, dus per ongeluk, heeft samengedrukt of toegesnoerd, niet aannemelijk.
Het hof overweegt daarover het volgende.
Allereerst is van belang dat verdachte heeft verklaard zelf geen herinnering te hebben aan een gang van zaken waarbij zijn arm bij het op de bank trekken van het slachtoffer richting haar hals is verschoven en waarbij haar hoofd plotseling dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken waardoor een hyperextensie kan zijn veroorzaakt. Verdachte heeft enkel verklaard dat hij zich
kan voorstellendat deze gang van zaken zich heeft voorgedaan.
Daarnaast merkt het hof op dat deskundige [deskundige 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel (de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen). Het even verplaatsen van een arm tegen de hals vormt geen verklaring voor het geconstateerde letsel. Er moet naar haar oordeel sprake zijn geweest van een substantiële krachtsinwerking om de vastgestelde vorm van stuwing te veroorzaken.
Verder geldt dat de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen naar het oordeel van het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.
Het hof overweegt in dit verband dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had (letsels aan haar voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd (de hierboven beschreven letsels
A, B, Cen
N) en aan haar romp en inwendige letsels aan het hoofd.
Ook deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan en zijn veroorzaakt door inwerking van mechanisch stomp botsend geweld, zoals door heftig slaan (al of niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren.
Deze letsels, in het bijzonder de inwendige letsels aan het hoofd, zijn volgens de patholoog niet ontstaan doordat het slachtoffer ergens tegenaan is gelopen of is gevallen, aangezien voor het ontstaan van deze letsels “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest. Verdachte heeft over deze letsels verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer ergens tegenaan gelopen moet zijn, maar heeft geen concrete aannemelijke verklaring voor de letsels gegeven.
Het is naar het oordeel van het hof echter onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat verdachte haar op de bank had gelegd, waarbij zijn handelen in zijn lezing de doodsoorzaak zou (kunnen) hebben opgeleverd, nog kan zijn opgestaan en zichzelf letsel zou hebben kunnen toebrengen.
Tot slot stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden, niet past bij de bevindingen van de verbalisanten. Zij hebben immers geconstateerd dat het slachtoffer op basis van de gemeten lichaamstemperatuur hoogstwaarschijnlijk tussen 05.30 uur en 14.30 uur moet zijn overleden.
In ieder geval stelt het hof vast dat er geruime tijd verstreken moet zijn tussen het moment waarop verdachte constateerde dat het slachtoffer was overleden en het moment waarop hij de hulpdiensten heeft gebeld of op andere wijze om hulp heeft gevraagd.
De bevindingen van de politie over de aangetroffen situatie in de woning van verdachte duiden er verder op dat hij die middag en avond weloverwogen en rationeel heeft gehandeld en heeft geprobeerd om sporen van hetgeen zich die dag in de woning heeft afgespeeld zo veel mogelijk te wissen.
Zo heeft verdachte niet alleen het slachtoffer verkleed, nadat ze al was overleden, en het beddengoed verschoond en in de wasmachine gedaan maar heeft hij ook de kantine opgeruimd, rotzooi in een vuilniszak gedaan en deze weggegooid in de container. Ook heeft hij een cilinder met lachgas keurig onder een doek in de garage gezet. Toen hij uiteindelijk wel 112 belde, heeft hij gedaan alsof het slachtoffer nog in leven was terwijl hij op dat moment al geruime tijd wist dat ze was overleden.
Het hof ziet in het handelen van verdachte geen aanwijzingen dat hij, zoals hij heeft verklaard, vanaf het moment dat hij constateerde dat er iets niet in orde was met het slachtoffer, in een roes verkeerde.
Het hof is dan ook van oordeel dat de voornoemde omstandigheden, wanneer deze in onderling verband en samenhang worden beschouwd, verder afbreuk doen aan het alternatieve scenario van de verdediging.
Gelet op het voorgaande schuift het hof dit alternatieve scenario als niet aannemelijk terzijde.”
5.4
Het middel richt zich allereerst tegen de volgende overweging van het hof:
5.5 “
Daarnaast merkt het hof op dat deskundige [deskundige 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel (de halsspierbloedingen en de stuwingsverschijnselen). Het even verplaatsen van een arm tegen de hals vormt geen verklaring voor het geconstateerde letsel. Er moet naar haar oordeel sprake zijn geweest van een substantiële krachtsinwerking om de vastgestelde vorm van stuwing te veroorzaken.”De stellers van het middel wijzen als oorsprong van deze verklaring naar het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025, waarin deskundige [deskundige 1] onder meer verklaart (met overneming van cursiveringen):
“U houdt mij een overweging van de rechtbank voor, inhoudende:
“De forensische bevindingen laten daarnaast ruimte voor een scenario waarin verdachte, in een dergelijke situatie, het bovenlichaam van [slachtoffer] met zijn arm met de nodige kracht heeft omklemd. Bij het naar boven, op de bank trekken van [slachtoffer] kan zijn arm gemakkelijk naar boven, richting de hals van [slachtoffer] zijn verschoven, waarbij haar hoofd plots dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken en de hyperextensie is veroorzaakt en enige tijd is aangehouden. In dat hele proces kunnen de halsspierbloedingen zijn ontstaan en ook, door de samendrukkende kracht van zijn arm om haar hals, met als gevolg het dichtknijpen van de bloedvaten in de hals, na 15 tot 30 seconden de stuwingsverschijnselen.”U vraagt mij waarom dit scenario naar mijn mening niet aannemelijk is. Ik mis hier de kracht; het is niet even je arm tegen iemands hals aanhouden. Je zou de neiging krijgen om te denken dat er hier staat dat de arm even tegen de hals is aangekomen. Als dat zo was, zou iedereen wel aan geweld op de hals overlijden. Er is hier sprake van een niet normale krachtsinwerking op de hals. Dat noemen we in lekentaal: wurgen. Het even verplaatsen van een arm tegen de hals kan dit substraat en de puntbloedingen en de stuwingseffecten niet verklaren.
[…]
Deskundige [deskundige 1] verklaart op vragen van de raadsman:
Het klopt dat een nekklem onder andere een voorbeeld is van samendrukkend geweld. U leest het volgende scenario voor:
“Terwijl verdachte het slachtoffer vasthad, schoof zijn arm mogelijk omhoog van haar borst naar haar hals. Haar hoofd kon door die beweging met kracht naar achteren zijn geduwd, wat de halsspierbloedingen verklaart. Mogelijk hield verdachte haar te lang of te stevig vast waardoor haar luchtwegen zijn afgesloten geraakt. Dit effect werd versterkt door GHB, die de ademhaling al had onderdrukt, haar bewustzijn ernstig verminderd was en de hersenen minder zuurstof kregen wat kan leiden tot bewusteloosheid en uiteindelijk tot overlijden. Dit proces kan vijftien tot dertig seconden hebben geduurd voordat ernstige verstikking optrad”. U vraagt mij of ik dit scenario kan uitsluiten. Ik begrijp niet zo goed wat u mij voorhoudt. U zegt mij dat u een scenario voorhoudt dat aansluit bij het scenario van de rechtbank. Ik hoorde iets over een hand die verschuift naar de hals en ik hoorde iets over een nekklem. Hoe moet ik dat zien? Zijn dat twee aparte dingen?
De raadsman doet bij verdachte voor wat hij bedoelt.
U laat mij zien dat uw arm tegen de hals aanleunt, maar u laat mij niet zien dat er samendrukkend geweld op de hals wordt toegepast. Dat acht ik absoluut een voorwaarde voor het letsel dat ik heb geconstateerd.
De raadsman laat nog een keer – op een andere wijze – zien wat hij bedoelt.
U laat mij nu een verwurging zien. U vraagt mij of je op zo’n manier iemand kan verwurgen. Het laatste wat u liet zien was een voorbeeld van verwurgen. Dat is een voorbeeld van een nekklem. U vraagt mij of iemand daaraan kan overlijden. Als je dat met kracht doet wel. Dan hebben we het niet over even je arm tegen de hals aandoen. We praten dan over krachtsinwerking uitoefenen door een arm om de hals van iemand te sluiten en druk uit te oefenen op de bloedvaten die dan vervolgens de stuwingsverschijnselen veroorzaken.”
5.6
De stellers van het middel betogen dat het hof het door de verdediging aangedragen alternatieve scenario ontoereikend gemotiveerd heeft verworpen, door daaraan (onder meer) ten grondslag te leggen dat deskundige [deskundige 1] tijdens de zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het geschetste alternatieve scenario niet past bij de aard en de ernst van het door haar beschreven letsel, omdat het even verplaatsen van een arm tegen de hals geen verklaring vormt voor het geconstateerde letsel. Volgens de stellers van het middel is het “even verplaatsen van de arm tegen de hals” ook niet het scenario dat de verdediging heeft voorgesteld, maar het met kracht omklemmen van de nek van [slachtoffer] , waardoor hyperextensie is veroorzaakt die enige tijd is aangehouden. Het hof had de verklaring van [deskundige 1] , die – aldus de stellers van het middel – kennelijk ziet op een ander scenario, zodoende niet aan de verwerping van het door de verdediging gepresenteerde alternatieve scenario ten grondslag kunnen leggen.
5.7
Uit de verklaringen van deskundige [deskundige 1] zoals weergegeven in randnummer 5.5 maak ik op dat zij heeft gereageerd op het volgende alternatieve scenario (dat in het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 februari 2025 op twee manieren is beschreven, maar in de kern hetzelfde inhoudt):
“De forensische bevindingen laten daarnaast ruimte voor een scenario waarin verdachte, in een dergelijke situatie, het bovenlichaam van [slachtoffer] met zijn arm met de nodige kracht heeft omklemd. Bij het naar boven, op de bank trekken van [slachtoffer] kan zijn arm gemakkelijk naar boven, richting de hals van [slachtoffer] zijn verschoven, waarbij haar hoofd plots dan wel geleidelijk met de nodige kracht naar achteren is getrokken en de hyperextensie is veroorzaakt en enige tijd is aangehouden. In dat hele proces kunnen de halsspierbloedingen zijn ontstaan en ook, door de samendrukkende kracht van zijn arm om haar hals, met als gevolg het dichtknijpen van de bloedvaten in de hals, na 15 tot 30 seconden de stuwingsverschijnselen.”
En:
“Terwijl verdachte het slachtoffer vasthad, schoof zijn arm mogelijk omhoog van haar borst naar haar hals. Haar hoofd kon door die beweging met kracht naar achteren zijn geduwd, wat de halsspierbloedingen verklaart. Mogelijk hield verdachte haar te lang of te stevig vast waardoor haar luchtwegen zijn afgesloten geraakt. Dit effect werd versterkt door GHB, die de ademhaling al had onderdrukt, haar bewustzijn ernstig verminderd was en de hersenen minder zuurstof kregen wat kan leiden tot bewusteloosheid en uiteindelijk tot overlijden. Dit proces kan vijftien tot dertig seconden hebben geduurd voordat ernstige verstikking optrad”.
5.8
Anders dan de stellers van het middel lees ik in de aan de deskundige voorgehouden (alternatieve) scenario’s, waaronder een door de verdediging gepresenteerd scenario, niet terug dat sprake zou zijn geweest van het met kracht omklemmen van de
hals/nekvan [slachtoffer] . In beide scenario’s komen wel de elementen van het ‘met kracht naar achteren trekken/duwen van het hoofd’ en het ‘gedurende enige tijd in die positie vasthouden van het slachtoffer’ duidelijk naar voren. Het is dus niet zo dat deskundige [deskundige 1] heeft gereageerd op een scenario waarin de arm enkel zou zijn verplaatst naar de hals, en waarin de kracht waarmee dat zou hebben plaatsgevonden niet is meegewogen. Ik begrijp de verklaringen van deskundige [deskundige 1] echter zo, dat zij het met kracht naar achteren duwen/trekken van de hals ten gevolge van een verschuiving van de arm van de borst naar de hals van het slachtoffer niet kan rijmen met het letsel dat zij heeft waargenomen. Daarvoor is, zo maak ik op uit haar verklaring, nodig dat een arm met kracht om de hals van iemand wordt geklemd, waarbij druk wordt uitgeoefend op de bloedvaten. Ik begrijp de verklaring van deskundige [deskundige 1] zo dat ten gevolge van het verschuiven van een arm van de borst naar de hals – ook al wordt iemand met kracht vastgehouden – niet zomaar zo’n langdurige, ‘actieve’ omklemming van de hals ontstaat, waardoor de stuwingsverschijnselen veroorzaakt kunnen zijn.
5.9
Het door de verdediging voorgestelde alternatieve scenario is op dit punt, onder verwijzing naar de verklaring van deskundige [deskundige 1] , toereikend gemotiveerd verworpen.
5.1
Het middel klaagt verder over het oordeel van het hof dat de handelingen van de verdachte en de bevindingen van de deskundigen eerder steun bieden voor het scenario waarin de verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk. De overwegingen van het hof op dit punt luiden als volgt:
“Verder geldt dat de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen naar het oordeel van het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk.
Het hof overweegt in dit verband dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had (letsels aan haar voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd (de hierboven beschreven letsels
A, B, Cen
N) en aan haar romp en inwendige letsels aan het hoofd.
Ook deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan en zijn veroorzaakt door inwerking van mechanisch stomp botsend geweld, zoals door heftig slaan (al of niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren.
Deze letsels, in het bijzonder de inwendige letsels aan het hoofd, zijn volgens de patholoog niet ontstaan doordat het slachtoffer ergens tegenaan is gelopen of is gevallen, aangezien voor het ontstaan van deze letsels “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest. Verdachte heeft over deze letsels verklaard dat hij denkt dat het slachtoffer ergens tegenaan gelopen moet zijn, maar heeft geen concrete aannemelijke verklaring voor de letsels gegeven.
Het is naar het oordeel van het hof echter onwaarschijnlijk dat het slachtoffer, nadat verdachte haar op de bank had gelegd, waarbij zijn handelen in zijn lezing de doodsoorzaak zou (kunnen) hebben opgeleverd, nog kan zijn opgestaan en zichzelf letsel zou hebben kunnen toebrengen.
Tot slot stelt het hof vast dat de verklaring van verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden, niet past bij de bevindingen van de verbalisanten. Zij hebben immers geconstateerd dat het slachtoffer op basis van de gemeten lichaamstemperatuur hoogstwaarschijnlijk tussen 05.30 uur en 14.30 uur moet zijn overleden.
In ieder geval stelt het hof vast dat er geruime tijd verstreken moet zijn tussen het moment waarop verdachte constateerde dat het slachtoffer was overleden en het moment waarop hij de hulpdiensten heeft gebeld of op andere wijze om hulp heeft gevraagd.
De bevindingen van de politie over de aangetroffen situatie in de woning van verdachte duiden er verder op dat hij die middag en avond weloverwogen en rationeel heeft gehandeld en heeft geprobeerd om sporen van hetgeen zich die dag in de woning heeft afgespeeld zo veel mogelijk te wissen.
Zo heeft verdachte niet alleen het slachtoffer verkleed, nadat ze al was overleden, en het beddengoed verschoond en in de wasmachine gedaan maar heeft hij ook de kantine opgeruimd, rotzooi in een vuilniszak gedaan en deze weggegooid in de container. Ook heeft hij een cilinder met lachgas keurig onder een doek in de garage gezet. Toen hij uiteindelijk wel 112 belde, heeft hij gedaan alsof het slachtoffer nog in leven was terwijl hij op dat moment al geruime tijd wist dat ze was overleden.”
5.11
In de toelichting op het middel zijn ten aanzien van de onder 5.10 weergegeven overweging diverse klachten geformuleerd, die er in de kern op neerkomen dat de vaststellingen van het hof over de overige (hoofd)letsels, over de verklaring van de verdachte met betrekking tot het moment waarop het slachtoffer moet zijn overleden en over het gedrag van de verdachte na het overlijden niet méér redengevend zijn voor het bewezenverklaarde scenario (waarin de verdachte opzettelijk handelde) dan voor het door de verdediging aangedragen scenario (waarin het geweld tegen de hals per ongeluk is toegebracht).
5.12
In de eerste plaats merk ik op dat de klachten mijns inziens deels berusten op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Met “de handelingen van verdachte en de bevindingen van de deskundigen” die volgens het hof eerder steun bieden voor het scenario waarin de verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor scenario waarin sprake is van een ongeluk, doelt het hof – zo begrijp ik gelet op de tekst en de opbouw van de overweging – op de talloze andere letsels en hetgeen de verdachte en de deskundigen daarover naar voren hebben gebracht. Het hof heeft de verklaring van de verdachte over het tijdstip van overlijden en zijn gedrag nadien niet (zelfstandig) aangemerkt als onderscheidend voor één van beide scenario’s, maar enkel – in onderling verband en samenhang beschouwd –als omstandigheden die verder afbreuk doen aan het alternatieve scenario van de verdediging. Voor zover het middel van een andere lezing uitgaat, faalt het.
5.13
Wat betreft de overige letsels heeft het hof blijkens de bewijsvoering het volgende vastgesteld:
“Naast de hiervoor weergegeven bevindingen heeft de patholoog tijdens de sectie talloze overige letsels vastgesteld:
• Letsels hoofd uitwendig (voorhoofd, neus, mond en behaarde hoofd: letsels
A,B, C en N):
A:Aan het voorhoofd links en deels aan het behaarde hoofd links waren er 3 letsels bestaande uit roodbruine tot zwarte huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen met plaatselijk indroging en geringe oppervlakkige huidbeschadiging. De grootste was maximaal 2 bij 1,1 centimeter. Wonddateringsonderzoek toonde aan dat dit letsel vitaal was (dus bij leven opgeleverd) met een reactie passend bij een meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.
B:Verspreid aan de neus waren circa 14 kleine oppervlakkige huidbeschadigingen met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen, maximaal circa 0,3 bij 0,1 centimeter.
C: In het slijmvlies van de onderlip (onder de lipriem) en daarnaast rechts waren in totaal 3 bloeduitstortingen.
N: Aan het behaarde hoofd links, aan het voorhoofd links, doorlopend tot aan het linkeroor voorwaarts, was er letsel met een bepaald patroon. Het betrof een gebied van circa 20 bij 7,5 centimeter met daarin circa 37 oppervlakkige krasvormige huidbeschadigingen van circa 4 bij 0,1 centimeter met roodheid van in de huid gelegen bloeduitstortingen. Ze lagen op een onderlinge afstand van circa 0,2-1,4 centimeter en verliepen iets schuin op de lengteas van het lichaam. Wonddateringsonderzoek van dit letsel toonde geen overtuigende kenmerken van vitaal (bij leven opgeleverd) letsel, maar wel lichtmicroscopisch plaatselijk uitgetreden rode bloedcellen (extravasatie van erythrocyten). Macroscopisch was bij sectie evident vitaal letsel zichtbaar. De uitkomst van wonddateringsonderzoek van dit letsel is dus niet in lijn met datgene dat macroscopisch is vastgesteld (mogelijke oorzaken van deze discrepantie zijn: inadequate bemonstering van het letsel of rondom het overlijden ontstaan letsel met
• daardoor uitblijven van zichtbare wondreactie). Letsel hoofd inwendig: in relatie met de letsels
Aen
Nwas er een uitgebreide bloeduitstorting binnenwaarts in de schedelhuid links, in het botvlies en in een groot deel van de linkerslaapspier.
• Letsels romp: er waren aan de borst, buik en de rechter bil enkele huidverkleuringen van onderhuidse bloeduitstortingen, maximaal circa 6,2 bij 2 centimeter.
• Letsels hals inwendig: inwendig waren in beide schuine halsspieren in lengterichting verlopende vrijwel over de gehele lengten van die spieren verlopende bloeduitstortingen, reikend tot aan beide sleutelbeenderen en hoog tot onder de kaaklijnen. Ook in de spieren langs en voorwaarts van de halswervels waren enkele bloeduitstortingen.
• Letsels ledematen: verspreid aan de ledematen (strek- en buigzijde, zij- en binnenwaarts) waren talloze rode, paarse, blauwe, groene huidverkleuringen en 1 gele huidverkleuring van onderhuidse bloeduitstortingen (hematomen). Wonddateringsonderzoek van letsel aan de strekzijde van de rechteronderarm toonde een vitaal (bij leven ontstaan) letsel met een reactie passend bij meerdere uren vóór het overlijden ontstaan letsel.
Deze letsels zijn volgens de patholoog bij leven ontstaan door uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet drukkend geweld zoals door stoten (vallen, slaan, tegen iets aankomen) en hebben geen rol van betekenis gespeeld bij het intreden van de dood.
Ten aanzien van de letsels aan het behaarde hoofd en voorhoofd (letsels
Aen
N), die tot aan de binnenzijde van de schedelhuid en tot in het botvlies van het schedeldak en de linkerslaapspier reikten, heeft de patholoog opgemerkt dat deze letsels bij leven zijn ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet tevens drukkend geweld zoals door hevig slaan (al of niet met een voorwerp, zie in dat kader ook het typisch patroon van letsel
N) of hevig vallen (waarbij gezien letsel
Nhevig vallen op een structuur met een bepaald patroon dient te worden overwogen). Deze letsels hebben niet geleid tot letsels inwendig in de schedelholte en zijn niet van belang voor de dood, maar kunnen wel geleid hebben tot bewustzijnsstoornissen.”
5.14
Voor de toetsing van het alternatieve scenario is (mede) van belang hetgeen de verdachte in dit kader heeft verklaard. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 houdt daarover in:
“U houdt mij voor dat er talloze overige letsels zijn gevonden bij [slachtoffer] en vraagt mij naar mijn gedachten daarover. Ik denk dat [slachtoffer] , nadat ik haar beet heb gepakt en op de bank heb gelegd, wakker is geworden en weer GHB heeft bij gepakt en laveloos tegen de muur aan is gelopen. De wondjes op haar neus kunnen zijn ontstaan door verstikking, dat heb ik gelezen.
U vraagt mij of dat opstaan dan heeft plaatsgevonden na het moment dat ik haar in een greep heb gehouden. Ja. U vraagt mij of ik daar dan niet wakker van geworden zou zijn. Als je
outbent - en ik had natuurlijk alweer GHB op - dan word je niet zomaar wakker. Ik weet niet hoe de letsels zijn ontstaan. Dit is ook weer invulling. [72]
[...]
Verdachte doet bij zijn raadsman voor hoe hij [slachtoffer] de eerste keer heeft vastgepakt.
De voorzitter merkt op:
Ik zie dat zowel de raadsman als verdachte staan. Verdachte staat achter zijn raadsman, die met zijn rug naar verdachte toe staat.
De rechterarm van verdachte gaat over de rechterarm en schouder van zijn raadsman.
De linkerarm van verdachte gaat over de linkerarm van de raadsman en over de linker voorkant van het bovenlichaam.
Verdachte verklaart:
Ik tilde [slachtoffer] eerst op, zodat ze stond. Zij stribbelde tegen. Ik legde mijn rechterarm om haar rechterschouder en mijn linkerarm over haar linkerarm en midden op haar buik onder haar borsten. Daarna pakte ik haar mee op de bank. Of nou de linkerarm hier zat of daar, dat weet ik even niet meer.
Op vragen van de advocaat-generaal verklaart verdachte:
U vraagt mij of mijn arm op de buik van [slachtoffer] was. Het zou ook allebei over de armen geweest zijn. Dat weet ik op dat moment niet. Ik wilde haar armen wel beklemmen.
U vraagt mij of ik nog een keer wakker geworden ben en [slachtoffer] toen naast het bed zat. Dat heb ik toen wel verklaard, maar ik ben daar later op teruggekomen. Ik wist niet meer zeker of het een beeld in mijn hoofd was of dat het echt zo gegaan was.
U vraagt mij of ik denk dat [slachtoffer] , na het moment dat ik haar op bed heb getrokken, nog heeft rondgelopen. Dat weet ik niet. Dat is invullen voor mij.
U vraagt mij of ze daarvoor geen letsel had. Nee. U houdt mij voor dat ze niet meer kan rondlopen om zichzelf letsel toe te brengen als ze op dat moment al gewurgd was. Nee. [73]
[…]
U vraagt mij of ik dus denk dat [slachtoffer] niet dood is gegaan doordat ik haar per ongeluk gewurgd heb, omdat ze daarna volgens mijn veronderstelling nog heeft rondgelopen. Dat weet ik niet. U houdt mij voor dat ik. als zij niet meer zou hebben rondgelopen, geen verklaring heb voor de letsels aan haar hoofd. Nee, je zou het denken. [74]
5.15
[deskundige 1] heeft over de overige letsels op de terechtzitting in hoger beroep van 6 februari 2025 het volgende verklaard:
“U vraagt mij of ik nog iets wil toevoegen aan mijn verklaring. We hebben het over veel zaken gehad die van belang zijn. Ik wil nog wel uw aandacht vragen voor de andere dingen, zoals het verspreid voorkomen van meerdere letsels aan het lichaam – die overigens voor de dood niet van belang zijn. Er zijn ook letsels aangetroffen aan de binnenzijde van de schedel. U vraagt mij of ik wil toelichten welke letsels ik aan de binnenzijde van het hoofd heb geconstateerd.
Het hoofd wordt opengemaakt door het aanleggen van een snede in de huid. Wij klappen de hoofdhuid naar voren en naar achteren. Wij kijken naar de binnenkant van de huid, de scalp. Ik heb bloedingen geconstateerd in de linkerslaapspier en in het botvlies, dat is het vlies dat het schedeldak bedekt. Dat zijn structuren die niet zomaar letsels oplopen door bijvoorbeeld tegen iets aan te vallen of aan te lopen. Daar hoort toch wel behoorlijk wat kracht bij. Hoeveel kracht precies weet ik niet, maar het moet een stompe, botsende krachtsinwerking aan de linkerzijde van het hoofd zijn geweest. Iemand kan daarvan, van het geweld, ook bewustzijnsstoornissen krijgen. Ik wil wel benadrukken dat er aan de binnenkant van het hoofd geen letsels waren.
U vraagt mij of dat aan dezelfde kant was als de schaafwond. Ja. U vraagt mij of het zo kan zijn of de schaafwond een correlatie heeft met het letsel aan de slaapspier. Ja. Het voorhoofdletsel, het letsel van het behaarde hoofd tot aan het linkeroor, zitten allemaal aan die kant. Er is stomp, botsend geweld geweest aan de linkerkant van het hoofd.
U vraagt mij of dat ook kan optreden als je met je hoofd tegen een muur aan knalt. Ja. Knallen is het juiste woord, maar niet even tegen een muur aanlopen. Het kan ontstaan door heel hard tegen iets aankomen, slagen krijgen of vallen.
U vraagt mij of ik iets kan zeggen over het geconstateerde letsel bij de neus en de lip. Dat kan ook ontstaan zijn door stomp, botsend, geweld. We moeten er echter wel rekening mee houden dat dat een aanwijzing kan zijn voor het samendrukken van de mond en neus, smoren. Een combinatie daarvan kan ook.
De halsletsels moeten als één geheel worden gezien. De niet dodelijke letsels kunnen ook allemaal los van elkaar worden gezien. Het kan in een tijdsperiode zijn ontstaan. De volgorde van het ontstaan kunnen we niet afleiden van de letsels.”
5.16
Het hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer naast de letsels aan haar hals ook talloze andere letsels had: letsels aan haar voorhoofd, neus, mond, behaarde hoofd, romp en inwendige letsels aan haar hoofd, welke letsels bij leven zijn ontstaan door uitwendig mechanisch stomp botsend, al of niet drukkend geweld, zoals door heftig slaan (al dan niet met een voorwerp), hevig vallen of smoren. Het hof heeft klaarblijkelijk uit de hiervoor aangehaalde verklaring van [deskundige 1] afgeleid dat er ‘behoorlijk wat kracht’ nodig is geweest om de letsels aan de linkerkant van het hoofd (het inwendige letsel, het voorhoofdletsel en het letsel van het behaarde hoofd) te veroorzaken, zoals heftig slaan (al of niet met een voorwerp) of hevig vallen. Dat sprake kan zijn geweest van smoren leidt het hof kennelijk af uit het letsel bij de neus en lip. Die vaststellingen zijn niet onbegrijpelijk.
5.17
Het hof heeft vervolgens overwogen dat de verdachte voor deze letsels geen concrete aannemelijke verklaring heeft gegeven. Ook dat kan ik goed volgen. Het scenario van de verdediging hield immers in dat sprake was van een ongeluk, waarbij de verdachte onbedoeld en onbewust met zijn arm de hals van het slachtoffer – dat op dat moment volgens de verdachte nog geen letsel had – zou hebben samengedrukt of toegesnoerd, hetgeen tot haar dood heeft geleid. Dat het hof het onwaarschijnlijk heeft geacht dat het slachtoffer zichzelf daarna nog letsel zou hebben toegebracht, is niet onbegrijpelijk. Het daarop gebaseerde oordeel dat de handelingen van de verdachte en de bevindingen van de deskundigen eerder steun bieden voor het scenario waarin de verdachte opzettelijk heeft gehandeld dan voor het scenario waarin sprake is van een ongeluk, vind ik evenmin onbegrijpelijk.
5.18
Het derde middel faalt.

6.Het tweede middel

6.1
Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat de verdachte ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer. Ook dit middel valt uiteen in verschillende deelklachten, inhoudende dat:
1. het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans op de dood heeft geschapen niet zonder meer begrijpelijk is, omdat
a. dit oordeel kennelijk steunt op de aan de verklaring van de deskundige [deskundige 1] ontleende vaststelling dat de verdachte “een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid”, terwijl het hof met deze vaststelling de verklaring van de deskundige [deskundige 1] heeft gedenatureerd, en/of;
b. dit oordeel nadere motivering behoeft in het licht van de vaststellingen die in het arrest op basis van de verklaring van deskundige [deskundige 4] zijn gedaan, namelijk dat de duur van het dichtknijpen van de hals niet uit de geconstateerde petechiën of halsspierbloedingen kan worden afgeleid, en dat voor het intreden van de dood noodzakelijk is dat de hals minutenlang wordt dichtgeknepen.
2. het oordeel van het hof dat “de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals – kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard” getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans niet zonder meer begrijpelijk is, nu het hof in dit verband niets heeft vastgesteld over (de bewustheid van de verdachte omtrent) de verdere omstandigheden waaronder deze handeling zou zijn verricht, zoals de fysieke kwetsbaarheid van het slachtoffer vanwege haar GHB-intoxicatie en de (al dan niet agressieve) context waarbinnen deze handeling plaatsvond.
6.2
Over het opzet van de verdachte heeft het hof het volgende overwogen (reeds weergegeven onder 3.3):
“Opzet
[…]
Het hof overweegt het volgende.
Deskundige [deskundige 4] heeft verklaard dat op basis van de bevindingen kan worden gesteld dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Daarnaast heeft deskundige [deskundige 1] verklaard dat er “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest om het pathologisch substraat te veroorzaken. Tijdens de zitting van het hof heeft zij verklaard dat sprake geweest moet zijn van een “substantiële krachtsinwerking”. [deskundige 1] heeft verder verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.
Het hof stelt vast dat verdachte een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid. Nu het slachtoffer ten tijde van het toepassen van het geweld nog in leven was, schiep het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer daardoor zou overlijden.
Daarbij is het hof van oordeel dat de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals – kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard.
Dit betekent dat verdachte naar het oordeel van het hof ten minste voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.”
De eerste deelklacht
6.3
Allereerst wordt geklaagd dat het hof met de vaststelling dat de verdachte “een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid”, de verklaring van deskundige [deskundige 1] heeft gedenatureerd. Gelet op het in middel 1 onder 4.9-4.17 besprokene, treft deze klacht geen doel.
6.4
Het oordeel van het hof dat het handelen van de verdachte de aanmerkelijke kans schiep dat het slachtoffer daardoor zou overlijden, is volgens de stellers van het middel eveneens ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof op grond van de verklaring van deskundige [deskundige 4] heeft vastgesteld dat de aard van de (hals)letsels indiceren dat het geweld op de hals 15 tot 30 seconden heeft geduurd, dat om aan dergelijk geweld te sterven de hals echter minutenlang moet worden toegeknepen en dat uit de geconstateerde letsels niet kan worden afgeleid hoe lang de hals toegeknepen is geweest. Hieruit kan, aldus de stellers van het middel, niet worden afgeleid dat het toeknijpen van de hals lang genoeg heeft geduurd om de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven te roepen.
6.5
Het middel mist op dit punt feitelijke grondslag: ten behoeve van de vaststelling van het voorwaardelijk opzet van de verdachte (weergegeven onder 6.2) heeft het hof aan de verklaring van deskundige [deskundige 4] enkel ontleend dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Gelet op de – op de verklaringen van deskundigen gebaseerde – vaststelling van het hof dat de verdachte een vorm van samendrukkend geweld op de hals van het slachtoffer heeft toegepast die zodanig krachtig is geweest dat dat heeft geleid tot letsel dat ook zonder de GHB-intoxicatie tot de dood van het slachtoffer zou hebben geleid, is het oordeel van het hof dat de verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer in het leven heeft geroepen niet onbegrijpelijk, en toereikend gemotiveerd.
De tweede deelklacht
6.6
In de tweede deelklacht komen de stellers van het middel op tegen het oordeel van het hof dat “de specifieke gedraging van verdachte – het toepassen van een vorm van samendrukkend geweld op de hals – kan worden aangemerkt als zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard”. Volgens de stellers van het middel is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd, omdat het hof geen nadere vaststellingen heeft gedaan over de omstandigheden waaronder het geweld op de hals is toegebracht (zoals de al dan niet agressieve context waarin de verwurging heeft plaatsgevonden, hoe lang de hals is dichtgeknepen en of de verdachte zich bewust was van het gegeven dat het slachtoffer zo zwaar geïntoxiceerd was dat zij mogelijk sneller dan een gezond iemand aan het geweld op haar hals kon overlijden).
6.7
Op basis van de verklaringen van deskundigen [deskundige 4] en [deskundige 1] heeft het hof aangaande de aard van het op de hals toegepaste geweld het volgende vastgesteld:
“Deskundige [deskundige 4] heeft verklaard dat op basis van de bevindingen kan worden gesteld dat de hals voldoende lang toegeknepen is geweest om een stuwingsfenomeen in het hoofd te veroorzaken. Daarnaast heeft deskundige [deskundige 1] verklaard dat er “behoorlijk wat kracht” nodig is geweest om het pathologisch substraat te veroorzaken. Tijdens de zitting van het hof heeft zij verklaard dat sprake geweest moet zijn van een “substantiële krachtsinwerking”. [deskundige 1] heeft verder verklaard dat het slachtoffer gelet op het pathologisch substraat, de tekenen van samendrukkend geweld op de hals, ook zou zijn overleden zonder de GHB-intoxicatie.”
6.8
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de deskundigen – zoals de stellers van het middel terecht opmerken – niet kunnen vaststellen hoe lang het samendrukkend geweld op de hals heeft geduurd. Wel kan op basis van het waargenomen letsel worden vastgesteld dat de hals voldoende lang is toegeknepen om een stuwingsfenomeen te veroorzaken. [deskundige 4] verklaart dat uit de literatuur volgt dat een dergelijk stuwingsfenomeen in het hoofd kan worden veroorzaakt binnen 15 tot 30 seconden, indien het om geleidelijk drukken gaat. Om daaraan te overlijden, moet de hals minutenlang worden toegeknepen, aldus [deskundige 4] . Hij verklaart hierover: “die duur kunnen we niet aan petechiën of halsspierbloedingen afleiden. We kunnen wel zeggen dat het voldoende krachtig moet zijn geweest om een levensbedreigende toesnoering te zijn” en “we kunnen alleen zeggen dat de samendrukking enige tijd heeft geduurd, maar niet hoe lang, en dat er voldoende kracht is uitgeoefend om in theorie het overlijden te verklaren. Het heeft de potentie gehad om dodelijk te zijn.” [75]
6.9
Tegen de achtergrond van de verklaringen van de deskundigen waaruit blijkt dat de hals (i) met behoorlijke kracht is dichtgedrukt/dat sprake is geweest van een substantiële krachtsinwerking en (ii) de samendrukking enige tijd heeft geduurd en (iii) dat er voldoende kracht is uitgeoefend om het overlijden in theorie te verklaren, acht ik het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een gedraging die naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans daarop bewust heeft aanvaard, niet onbegrijpelijk. Aan dat oordeel doet niet af dat het hof geen nadere vaststellingen heeft kunnen doen over de wijze waarop de hals is dichtgedrukt (de deskundigen spreken over strangulatie, een armklem of verwurging, maar geven aan dat op basis van het letsel niet kan worden vastgesteld hoe het samendrukkend, toesnoerend geweld heeft plaatsgevonden) en de precieze context waarbinnen de gedraging heeft plaatsgevonden.
6.1
De tweede deelklacht faalt eveneens, zodat het tweede middel faalt.

7.Slotsom

7.1
De middelen falen. Aangezien de middelen betrekking hebben op de bewezenverklaring van een feit waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken, ligt afdoening op de voet van art. 81 lid 1 RO Pro niet voor de hand. [76]
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De rechtbank heeft evenals het hof geoordeeld dat het slachtoffer is overleden als gevolg van het samendrukken van haar hals door de verdachte. De rechtbank heeft echter overwogen dat aannemelijk is geworden dat de verdachte geen opzet heeft gehad op het overlijden van het slachtoffer, en dat sprake is geweest van een ongeluk. De rechtbank heeft de verdachte om die reden integraal vrijgesproken.
2.Ik geef de middelen hier weer in de volgorde waarin ik ze in deze conclusie zal bespreken.
3.Wanneer hierna wordt verwezen naar paginanummers betreft dit pagina's van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal. Deze processen-verbaal zijn als bijlagen opgenomen bij het in wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de Politie Eenheid Oost-Nederland, genummerd 2020156668, Onderzoek NEPAL (met onderzoeksnummer ONRAB20003) opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , gesloten en getekend op 12 november 2020. Tenzij anders vermeld, zijn dit processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
4.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.
5.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022 en het proces verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.
6.Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 684 en 685.
7.Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 680, 685, 686 en 687.
8.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 9.
9.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, van 6 februari 2025.
10.Het proces-verbaal van bevindingen van 17 september 2020, pagina 687.
11.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 63.
12.Het proces-verbaal van historische gegevens telefoonnummers en telefoontoestel [verdachte] , pagina 1633, 1634 en 1637.
13.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 9 en 10.
14.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64.
15.Het proces-verbaal van forensisch onderzoek woning, pagina 2208.
16.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 13 april 2020, pagina 64 en 65.
17.Het proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict, onderzoek wasruimte (ruime 2), testen verdovende middelen en uitleggen kleding, pagina 1993, 1996 en 1997.
18.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 16 juni 2022, pagina 5.
19.Het proces-verbaal van bevindingen aantreffen fles lachgas, pagina 2249.
20.Het proces-verbaal van verhoor verdachte van 14 mei 2020, pagina 352 en 353.
21.Het proces-verbaal van bevindingen tijdlijn gebeurtenissen in en rondom de PD, pagina 954 en 956.
22.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 6 februari 2025, pagina 10.
23.Het proces-verbaal van bevindingen 112-melding, pagina 2573.
24.Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , pagina 667 tot en met 673.
25.Het proces-verbaal van bevindingen van 17 april 2020, pagina 658.
26.Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1739 tot en met 1745.
27.Het proces-verbaal van bevindingen van 15 april 2020, pagina 660.
28.Het proces-verbaal forensisch overlijdensonderzoek [slachtoffer] , pagina 1743 en 1744.
29.Een geschrift, te weten een voorlopig sectierapport van 11 april 2020, opgemaakt door [deskundige 1] , pagina 1809, 1810 en 1811.
30.Een geschrift, te weten het rapport toxicologisch onderzoek in lichaamsmateriaal [slachtoffer] van 25 juni 2020, opgemaakt door [deskundige 3] , pagina 2305 tot en met 2315.
31.Een geschrift, te weten het sectierapport van 11 september 2020, opgemaakt door [deskundige 1] , pagina 2280 tot en met 2290.
32.Een geschrift, te weten het rapport met de beantwoording van aanvullende vragen naar aanleiding van toxicologisch onderzoek van 21 februari 2021, opgemaakt door [deskundige 3] .
33.Een geschrift, te weten het definitief deskundig verslag van 16 juni 2021, opgemaakt door [deskundige 2] .
34.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022.
35.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 19, 21, 22, 28 en 42.
36.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.
37.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 14.
38.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 12.
39.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 13 en 26.
40.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 36.
41.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 28.
42.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.
43.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.
44.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 15.
45.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 30.
46.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 27 en 28.
47.Het proces-verbaal van bevindingen van de regiebijeenkomst bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 25 januari 2024 (verklaring deskundige [deskundige 1] ), pagina 3.
48.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025.
49.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [deskundige 1] ), pagina 16.
50.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [deskundige 1] ), pagina 17.
51.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [deskundige 1] ), pagina 14.
52.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [deskundige 1] ), pagina 22.
53.Het proces-verbaal ter terechtzitting van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, van 6 februari 2025 (verklaring deskundige [deskundige 1] ), pagina 19 en 20.
54.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022.
55.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 19, 21, 22, 28 en 42.
56.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.
57.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 14.
58.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 12.
59.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 13 en 26.
60.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 36.
61.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 28.
62.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.
63.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 32.
64.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 15.
65.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 30.
66.Het proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, pagina 27 en 28.
67.Noot VS: p. 11-13.
68.Noot VS: p. 15.
69.Noot VS: p. 26-28.
70.Noot VS: p. 17-18.
71.Noot VS: p. 22.
72.Noot VS: p. 9.
73.Noot VS: p. 12.
74.Noot VS: p. 13.
75.Proces-verbaal van de terechtzitting bij de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 14 januari 2022, p. 15.
76.HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,