Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
In artikel 8 van Pro de aannemingsovereenkomst staat:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1is het hof buiten het door de grieven ontsloten gebied getreden door in hoger beroep opnieuw te onderzoeken of [koper-opdrachtgever] de aannemingsovereenkomst ontbonden heeft. [koper-opdrachtgever] zou weliswaar een grief hebben gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [koper-opdrachtgever] op basis van de aannemingsovereenkomst een boete verschuldigd was, maar niet ter discussie hebben gesteld dat het [koper-opdrachtgever] was die de aannemingsovereenkomst heeft ontbonden. Daarmee stond volgens de klachten in hoger beroep tussen partijen vast dat [koper-opdrachtgever] de aannemingsovereenkomst heeft ontbonden en was alleen nog aan de orde of, daarvan uitgaande, artikel 8 van Pro de aannemingsovereenkomst meebracht dat de boete verschuldigd was. Een en ander brengt de steller van het middel tot de rechtsklacht dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting [5] (klaarblijkelijk met betrekking tot het grievenstelsel en daarmee de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep). Voor het geval dat het hof grief 9 aldus heeft uitgelegd dat [koper-opdrachtgever] daarmee ook opkwam tegen het oordeel van de rechtbank dat [koper-opdrachtgever] de aannemingsovereenkomst heeft ontbonden, klaagt het subonderdeel dat die uitleg onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd. [6] De processtukken zouden geen andere uitleg toelaten dan dat [koper-opdrachtgever] tegen dat oordeel niet is opgekomen.
Aanneemovereenkomst
ook daarvooreen boete verschuldigd is. Dit standpunt kan niet gevolgd worden.’
zoals bedoeld in het boetebeding van artikel 8 van Pro de aannemingsovereenkomstzich niet voordeed.
motiveerde[koper-opdrachtgever] met de in de bespreking van subonderdeel 1.1 bedoelde uitleg van het boetebeding in de aannemingsovereenkomst. Wat ik wil zeggen is dat het niet een door [koper-opdrachtgever] aangedragen feitelijke grondslag is die volgens art. 24 lid 1 Rv Pro in aanmerking komt, maar in plaats daarvan de door [verkoper] aan haar vordering ten grondslag gelegde feitelijke grondslag. Ook als het hof niet de door [koper-opdrachtgever] aan het boetebeding in de aannemingsovereenkomst gegeven uitleg zou hebben aanvaard, maar op andere gronden zou hebben geoordeeld dat de deugdelijkheid van de door [verkoper] aan haar vorderingen ten grondslag gelegde uitleg van dat beding niet was komen vast te staan omdat volgens het hof een andere, eventueel door het hof zelf bijgebrachte uitleg van het boetebeding aannemelijk is, zou het hof niet in strijd met art. 24 Rv Pro hebben gehandeld. [8] In de voorliggende zaak heeft het hof intussen mijns inziens wel degelijk de door [koper-opdrachtgever] aan het boetebeding in de aannemingsovereenkomst gegeven uitleg aanvaard (zie de bespreking van subonderdeel 1.1). Het hof heeft die uitleg en de consequenties daarvan voor zijn oordeel over de feitelijke grondslag van de vordering van [verkoper] op eigen wijze verwoordt, met vermelding van enkele feiten die door [koper-opdrachtgever] niet uitdrukkelijk waren vermeld. Daarmee is niets mis. Bij de beoordeling van de deugdelijkheid van de feitelijke grondslag van een vordering – voor die van een verweer geldt intussen niets anders – mag de rechter wel degelijk zelfstandig nadenken en gevolgtrekkingen uit feiten maken. [9]
nietbedacht was. [10]
koopovereenkomst. Ook met betrekking tot die overeenkomst klopt intussen niet dat het hof is uitgegaan van een opvatting volgens welke een beroep op ontbinding expliciet moet worden gedaan. Het hof heeft integendeel aan de hand van wat partijen hebben verklaard en de feitelijke gang van zaken afgeleid dat sprake was van een ontbinding van de koopovereenkomst door [aannemer]. In verband met de samenhang tussen beide overeenkomsten heeft het hof het geval dat zich voordeed vervolgens gelijkgesteld aan een ontbinding van de aannemingsovereenkomst door [verkoper]. Het geval dat in artikel 8 van Pro de aannemingsovereenkomst was bedoeld, deed zich daarmee volgens het hof niet voor.
misluktberoep van [koper-opdrachtgever] op de ontbindende voorwaarde in de koopovereenkomst (die dus níét leidt tot ontbinding van die overeenkomst) doortikt naar de samenhangende aannemingsovereenkomst als een (kennelijk wél geslaagde?) ontbinding van die overeenkomst door [koper-opdrachtgever]. De logica daarvan ontgaat mij. Intussen volstaat in cassatie dat het oordeel van het hof, als rechter die over de feiten oordeelt, niet onbegrijpelijk is.