Conclusie
1.Inleiding
2.De zaak in het kort
3.Procesverloop
De rechterdeelt verder mee dat de raadsman per e-mail van 14 maart 2025 heeft verzocht de behandeling van de hiervoor genoemde klaagschriften aan te houden. De officier van justitie heeft per e-mail van 14 maart 2025 meegedeeld dat hij zich tegen aanhouding verzet. De e mails van de raadsman en de officier van justitie zijn aan dit proces-verbaal gehecht en de inhoud ervan geldt als hier ingevoegd.
In aanvulling op wat ik eerder al heb gemaild wil ik opmerken dat - en dit is informatie van een half uur geleden - aangeefster ook heeft verklaard dat zij tussen 28 en 30 juni niet op de wc zat opgesloten. Ik heb hier beelden van. Dit raakt direct aan de betrouwbaarheid van haar eigen verklaring.
Het zou in strijd zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als het beklag gegrond wordt verklaard, vóórdat nader onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen. De kans is immers groot dat een onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers niet langer noodzakelijk blijkt nadat nader (ander) onderzoek is gedaan, terwijl op de gegevensdragers van klager zeer gevoelige, aan zijn werk gerelateerde informatie staat (ook over de conflicten in Gaza en Oekraïne), ongeacht of hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht.
Het Openbaar Ministerie wil de gegevensdragers enkel in het kader van de waarheidsvinding in de strafzaak onderzoeken. Het gaat om beperkt onderzoek op de gegevensdragers, waarmee mogelijk ook al worden aangetoond of de verklaringen van aangeefster kloppen. Dat is toch in het belang van klager?
Het aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen. Het Openbaar Ministerie vindt dat geen sprake is van een (afgeleid) verschoningsrecht. Dat betekent dat de beslissing van de rechter commissaris moet worden bekrachtigd. Verder verzet het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich tegen teruggave van de gegevensdragers aan klager.
Er staat echt gevoelige informatie op de gegevensdragers en cliënt wil niet dat die informatie bij de overheid terecht komt. Het is daarom van belang dat eerst wordt onderzocht of de aangifte vals is en of aangeefster heeft geprobeerd getuigen te beïnvloeden, vóórdat wordt beslist of de gegevensdragers mogen worden uitgelezen.”
- een Apple iPhone Groen, [goednummer 1] ;
- een Apple iPhone Grijs, [goednummer 2] ;
- een Apple Ipad. [goednummer 3] , aangezien zich daarin zowel belastende als ontlastende informatie kan bevinden met betrekking tot de verdenkingen jegens verdachte (zware mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsbeneming in de huiselijke sfeer).
Verder blijkt uit het dossier dat er twee Apple Macbooks in beslag zijn genomen. De Apple Macbook van aangeefster heeft [goednummer 4] en de Apple Macbook van verdachte heeft [goednummer 5] . Blijkens mededeling van de officier van justitie is de Apple Macbook. toebehorend aan het slachtoffer, inmiddels aan haar teruggegeven. De raadkamer leidt hieruit af dat de aan de verdachte toebehorende Apple Macbook met [goednummer 5] nog onder beslag ligt. Ook daarvoor geldt dat het belang van de waarheidsvinding zich verzet tegen de teruggave van dat goed aan klager.
Uit het dossier volgt niet dat nog een tweede I-pad in beslag genomen is, zodat klager in zoverre niet in zijn beklag kan w orden ontvangen.’
Na de zitting van 15 oktober 2024 zijn nieuwe stukken aan het procesdossier toegevoegd, waaruit zonder meer blijkt dat aangeefster heeft geprobeerd om getuigen te beïnvloeden en om te kopen. Nu de verdenking jegens klager uitsluitend op de verklaringen van aangeefster is gebaseerd, heeft de verdediging het Openbaar Ministerie verzocht de zaak te seponeren, dan wel nader onderzoek te doen naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen. Het zou in strijd zijn met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit als het beklag gegrond wordt verklaard, vóórdat nader onderzoek is gedaan naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en eventuele getuigen.
De kans is immers groot dat een onderzoek aan de in beslag genomen gegevensdragers niet langer noodzakelijk blijkt nadat nader (ander) onderzoek is gedaan, terwijl op de gegevensdragers van klager zeer gevoelige, aan zijn werk gerelateerde informatie staat, ongeacht of hem een beroep toekomt op het (afgeleid) verschoningsrecht.
Op grond van de zich op dit moment in het dossier bevindende stukken en het verhandelde op de zitting is de raadkamer (nog steeds) van oordeel dal het strafvorderlijk belang van waarheidsvinding zich verzet tegen opheffing van het beslag. Het onderzoek jegens klager als verdachte loopt nog en de gegevensdragers zijn in beslag genomen met het doel de waarheid aan het licht te brengen. Klager wordt verdacht van zware mishandeling, bedreiging en wederrechtelijke vrijheidsbeneming van aangeefster in de huiselijke sfeer. De gegevensdragers van klager kunnen zowel belastende als ontlastende informatie bevatten in de vorm van - bijvoorbeeld - beeldmateriaal of gesprekken of berichten van en/of aan aangeefster.
4.Het middel
Bij de beoordeling van een klaagschrift van de beslagene dat is gericht tegen een beslag dat is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro, moet de rechter a. beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo nee, b. de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. Het belang van strafvordering houdt hierbij verband met het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv Pro de inbeslagneming toelaat. Bij die belangen kan het gaan om het aan de dag brengen van de waarheid – ook in een zaak betreffende een ander dan de klager – of om het aantonen van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het belang van strafvordering vordert ook het voortduren van het beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b lid 1, aanhef en onder 4º, van het Wetboek van Strafrecht in samenhang met artikel 552f Sv.
(…)
(…)
2.4.2
De vraag wanneer de rechter blijk moet geven van een onderzoek naar de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, en – als dat het geval is – welke eisen moeten worden gesteld aan de motivering van zijn beslissing, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete onderbouwing en de indringendheid van de door of namens de klager aangevoerde argumenten. Ook is van belang wat daarover door het openbaar ministerie wordt ingebracht. Verder komt betekenis toe aan het tijdsverloop sinds de beslaglegging en aan de termijn waarbinnen een beslissing in de hoofdzaak of in de ontnemingsprocedure redelijkerwijs valt te verwachten. Naarmate meer tijd is verstreken – en de klager dus al langer door het beslag wordt getroffen – kan meer gewicht toekomen aan de persoonlijke belangen van de klager bij de opheffing van het beslag.”