Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
Draagkracht van de vader
Het hof heeft zijn beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Naar aanleiding van de inhoud van deze financiële stukken en de daarop gegeven toelichting ziet het hof aanleiding om voor wat betreft de beoordeling van de draagkracht van de man vanaf 8 augustus 2023 met een lager inkomen rekening te houden dan waar de rechtbank van uit is gegaan. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek van zijn woning met moeite rond heeft kunnen krijgen en dat de vrouw haar blote stelling dat de man veel geld uitgeeft aan dure vakanties, ook na betwisting door de man tijdens de mondelinge behandeling, niet heeft onderbouwd.
mr. R.T.P. Tielemans namens de moeder
De moeder
de draagkracht van de manis vanaf genoemde datum nog slechts de hoogte van het salaris van de man uit DAG BV, alsmede de vraag in hoeverre de man geacht kan worden, althans van hem verwacht mag worden dat hij als DGA, rekening houdend met het al dan niet ontbreken van zeggenschap in de verschillende deelnemingen, aan zichzelf een hoger salaris (box 1) kan uitkeren, respectievelijk in redelijkheid rekening dient te worden gehouden met een aanvulling op zijn salaris in de vorm van box 2 inkomen (dividend) (…)”
productie HB8en de aangifte IB 2024 (
productie HB9).
2025, fiscaal geacht worden zichzelf een zogenaamd gebruikelijk loon toe te (moeten) kennen van ca. € 65.000 (inclusief ZVW-bijtelling als dga). Dat heeft uiteraard invloed op de winst voor Vpb, zodat deze (naar beneden toe) moet worden bijgesteld. Het verschil tussen de beloning in 2024 (€ 46.620) en 2025 (ca. € 65.000) is aldus ca. € 18.380, zodat de gecorrigeerde winst
voorVpb naar verwachting afgerond ca. (€ 23.500 -/- € 18.620 =) € 7.000 zal zijn. Rekening houdend met Vpb van 19% is aldus sprake van een winst na Vpb van (afgerond) € 5.670. De man is bereid in het kader van de berekening van zijn draagkracht rekening ingaande 2025 te houden met een salaris (box 1) van € 65.000 (verminderd met aanslag ZVW als dga) en € 5.000 box 2 inkomsten.”
Dat klemt volgens het onderdeel te meer, kort gezegd, nu de rechtbank in haar beschikking van 12 april 2024 al had overwogen dat de man op het laatste moment op de mondelinge behandeling een toelichting had gegeven en dit patroon zich in hoger beroep herhaalde en voor de vrouw en voor derden is nog steeds niet controleerbaar is hoe het hof bij zijn oordeel over het inkomen van de man is gekomen.
aanvullinghierop wordt in de aanvullende procesinleiding (onder 2 en 3) betoogd dat de klacht, dat de motivering onvoldoende inzicht geeft in de aan de beslissing ten grondslag liggende gedachtegang, verder wordt ondersteund door verschillende passages in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.
eerste plaatsgaat het om de stelling van de vrouw dat de man woont in een woning ter waarde van € 650.000,00. De vrouw heeft met een advies van [betrokkene 1] van [A] onderbouwd dat het verkrijgen van een hypotheek ter hoogte van meer dan € 500.000,00 met een inkomen van € 46.000,00 onmogelijk is. [38] De overweging van het hof dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek van zijn woning met moeite rond heeft kunnen krijgen, is zonder nadere toelichting onvoldoende voor de conclusie dat de man een lagere draagkracht heeft. Over de hoogte van het inkomen stelt de man immers niets concreet vast, aldus het onderdeel.
aanvullinghierop bevat de aanvullende procesinleiding (onder 4) nog een klacht tegen de overweging van het hof dat de man onweersproken heeft verklaard dat hij de hypotheek met moeite rond heeft kunnen krijgen. Volgens die aanvullende klacht is deze overweging onbegrijpelijk gelet op de mededeling van de advocaat van de vrouw ter zitting bij het hof dat het “nog steeds onduidelijk [is] hoe de man de hypotheek kan overnemen, een auto kan kopen en de kinderalimentatie kan betalen” [39] , omdat daaruit wel degelijk een weerspreking volgt.
de tweede plaatsgaat het in onderdeel 1C om de stelling van de vrouw dat de man in 2024 een nieuwe Range Rover Sport heeft gekocht met een aanschafprijs van meer dan € 105.000,00, naast de Volvo XC90, een dure SUV, en weigert te verklaren hoe hij dit kan betalen. Zelfs met lease zal een dergelijke auto met financiële bescheiden onderbouwd moeten worden aangevraagd, aldus het onderdeel. [40]
aanvullingop de klacht over het passeren van deze stelling van de vrouw, is in de aanvullende procesinleiding betoogd dat uit de discussie op de zitting niet duidelijk wordt of het nu om een leaseauto of een gekochte auto gaat en de man en zijn advocaat hierover tegengestelde standpunten innemen. Dit roept serieuze vragen op over de draagkracht van de man en zijn (potentiële) inkomen waar het hof op had moeten reageren, aldus de klacht (zie de aanvullende procesinleiding onder 5, met verwijzing naar kennelijk de onder 2, tweede gedachtestreep weergeven passages).
onderdeel 1D.