ECLI:NL:PHR:2026:406

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/03332
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering schadevergoeding na woninginbraak wegens onjuiste toewijzing vorderingen benadeelden

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor woninginbraak en tot schadevergoeding aan twee benadeelde partijen. De rechtbank had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee voorwaardelijk, en had schadevergoedingen toegewezen aan de benadeelden.

Het hof had de vorderingen van de benadeelde partijen grotendeels toegewezen, maar maakte een fout door een voorwerp (een Louis Vuitton portemonnee) toe te wijzen aan de verkeerde benadeelde partij. De advocaat-generaal klaagde hierover en verzocht vermindering van de toegewezen schadevergoeding.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht de vordering van de tweede benadeelde heeft toegewezen, ondanks dat sommige aankoopbonnen niet op haar naam stonden, omdat voldoende aannemelijk was dat zij de schade had geleden. Wel vernietigt de Hoge Raad het deel van het arrest dat de vordering van de eerste benadeelde toewijst inclusief de schadevergoedingsmaatregel, en vermindert deze tot een lager bedrag. Voor het overige wordt het beroep verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de toegewezen schadevergoeding aan de eerste benadeelde partij en vernietigt het arrest voor dat deel, terwijl de overige klachten worden verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03332
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte.

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 30 augustus 2024 (parketnr. 23-000709-24) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2024 (parketnr. 13-294569-23) bevestigd met verbetering van gronden, behalve voor wat betreft de beslissingen over de vorderingen van de benadeelde partijen, de schadevergoedingsmaatregel en een aantal beslissingen over het beslag. In dat vonnis heeft de rechtbank de verdachte wegens – kort gezegd – diefstal in vereniging in een woning veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. [1] Advocaat J. Kuijper heeft één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt geklaagd over de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Namens de benadeelde partij heeft advocaat N. van der Laan een verweerschrift ingediend.
1.3
Voorafgaand aan de bespreking van het middel, geef ik eerst de overwegingen en beslissingen van het hof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen weer.
2.
Het arrest van het hof ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen
2.1
In eerste aanleg heeft de [benadeelde 1] zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding van € 12.180. Daarnaast heeft ook [benadeelde 2] zich in eerste aanleg als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot materiële schadevergoeding die opgeteld € 31.977,64 bedraagt. De rechtbank heeft deze vorderingen toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 6.700 en € 25.141,33. [2] In hoger beroep hebben beide benadeelde partijen zich opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
2.2
Het hof heeft ten aanzien van de benadeelde partijen het volgende overwogen:

Vordering van de [benadeelde 1]
[…] De gestelde materiële schade bestaat uit:
1) Moncler jas € 1430,00
2) Canada Goose jas € 1495,00
3) Ferragamo riem € 450,00
4) Louis Vuitton papillon damier Ebene € 880,00
5) Louis Vuitton tas Neverfull initialen YY € 455,00
6) Sony laptop € 990,00
7) Gouden Buddha ketting € 1500,00
8) Louis Vuitton zilveren riem € 350,00
9) Dior handtas Oblique € 750,00
10) Cartier gouden pen € 300,00
11) autosleutel Mercedes € 500,00
12) Rolex doos certificaat en schakels € 500,00
13) Rolex doos certificaat en schakels € 500,00
14) IPhone 10 met simkaart € 1280,00
15) Dior sjaal Oblique € 400,00
16) Dior Oblique portemonnee € 400,00
Totaal: € 12.180,00
De advocaat-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de vordering voor het deel dat ziet op goederen waarvan de teruggave is gelast, te weten een bedrag van € 3.805,00 af te wijzen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering ten aanzien van de twee Rolex horloges (onder schadeposten 12 en 13) af te wijzen, dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu de bonnen die ter onderbouwing zijn ingediend, niet op naam van de aangever staan. Meer subsidiair bestaat volgens de verdediging onduidelijkheid over de restwaarde van de opgevoerde goederen. Het eventueel inzichtelijk maken van de restwaarde van de goederen levert een onevenredige belasting van het rechtsgeding op waardoor ook om deze reden wordt verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (gedeeltelijk) zal worden toegewezen. Het hof zal zijn overwegingen ten aanzien van de verschillende schadeposten hieronder achtereenvolgens bespreken.
Ten aanzien van de schadeposten onder 4), 5), 7), 9), 10), 11), 14), 15) en 16) oordeelt het hof dat het voldoende aannemelijk is dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Deze goederen worden in de aangifte genoemd en de gestelde schade wordt voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering voor die goederen zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 1) en 2) oordeelt het hof dat deze bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. Voor deze twee posten is de teruggave aan [benadeelde 1] gelast. Deze posten kunnen derhalve niet als geleden schade worden aangemerkt. De vordering zal voor dit deel, te weten een bedrag van € 2.925,00, worden afgewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 3), 6) en 8) oordeelt het hof dat deze goederen niet in de aangifte benoemd worden. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende aannemelijk dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De vordering zal ook voor dit deel, te weten een bedrag van € 1.790,00, worden afgewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 12) en 13) oordeelt het hof dat deze onvoldoende onderbouwd zijn. Het betreft immers Rolex dozen met schakels, terwijl ter onderbouwing facturen van een Rolex horloge zijn opgevoerd. Gelet hierop is het hof van oordeel dat een verantwoorde behandeling en beoordeling van dit onderdeel van de vordering van de benadeelde partij nader onderzoek vergt. Dat nadere onderzoek levert een onevenredige belasting voor het strafgeding op. In zoverre kan de benadeelde partij daarom in de vordering niet worden ontvangen en kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Na aftrek van voornoemde posten resteert een gevorderd bedrag van € 6.465,00. Bij de begroting van de schade is de benadeelde partij uitgegaan van de nieuwwaarde van de weggenomen goederen. Het hof is met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met een in de reden liggende lagere dagwaarde dan tot uitdrukking komt in de (in de vordering betrokken) aanschafkosten.
Het hof overweegt echter dat sprake is van een gevarieerde ouderdom van de goederen, waardoor het niet mogelijk is om één afschrijvingspercentage toe te passen. Het hof beschikt bovendien niet over een nadere onderbouwing van de actuele waarde van de goederen, waardoor het moeilijk is om vast te stellen wat de actuele waarde van de weggenomen goederen is, mede in aanmerking genomen dat het deels gaat om luxegoederen die ook mogelijk in waarde gestegen kunnen zijn. Om die reden kiest het hof ervoor om de daadwerkelijke actuele schade te begroten op een bedrag dat het hof redelijk voorkomt. Het hof zal het totaalbedrag aan schade begroten op de helft van het totaalbedrag van de schadeposten die worden toegewezen. De vordering tot vergoeding van de materiële schade zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 3.232,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het hof zal de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders veroordelen tot vergoeding van de schade.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.
Vordering van de [benadeelde 2]
[…] De gestelde materiële schade bestaat uit:
1) Chanel oorbellen uit 2013 € 190,00
2) Mulberry tas uit 2014 € 930,00
3) Louis Vuitton tas uit 2006 € 885,00
4) Louis Vuitton tassen beide uit 2005 € 985,00
5) Louis Vuitton portemonnee uit 2008 € 495,00
6) Louis Vuitton portemonnee uit 2016 € 135,00
7) Louis Vuitton sleutelhouder uit 2014 € 170,00
8) Tiffany&Co armband uit 2016 € 310,00
9) Chanel zonnebril uit 2014 € 304,00
10) Chanel tas uit 2013 € 3450,00
11) Tiffany & CO ketting uit 2022 € 1100,00
12) Ferragamo tas uit 2018 € 887,10
13) Amsterdam Diamond Centre rijring Princess uit 1999 € 2420,00
14) Louis Vuitton riem uit 2011 € 295,00
15) Rolex horloge uit 2014 € 7400,00
16) Louis Vuitton tas uit 2006 € 540,00
17) Nike Air Jordan uit 2022 € 155,98
18) Louis Vuitton Metis tas uit 2022 € 1750,00
19) Louis Vuitton Blois tas uit 2005 € 1500,00
20) Louis Vuitton epi portemonnee uit 2005 € 380,00
21) Ferragamo Sofia tas uit 2015 € 1350,00
22) Gucci shopper uit 2005 € 650,00
23) Givenchy knotted sneakers uit 2017 € 395,00
24) Ugg short black uit 2023 € 229,95
25) Louis Vuitton zippy coin purse uit 2016 € 350,00
26) Coach pillow Tabby tas uit 2023 € 424,95
27) Louis Vuitton perforated wallet uit 2006 € 315,00
28) Chopard Happy Diamonds armband uit 2014 € 960,00
29) Gucci 3 tassen uit 2002 € 542,50
30) Culet circle armband uit 2023 € 508,00
31) Louis Vuitton epi leer riem uit 2009 € 305,00
32) Dior ketting uit 2002 € 90,00
33) Gucci riem uit 2007 € 195,00
34) Tods 2 paar schoenen uit 2014 € 400,00
35) Tods Schoenen uit 2014 € 195,00
36) Nike Panda sneakers maat 4y uit 2022 € 167,58
37) Nike Jordan maat 7.5 uit 2022 € 258,60
38) Nike Jordan maat 9.5 uit 2021 € 185,98
39) Nike Panda maat 7y uit 2021 € 183,00
Totaal: € 31.987,64 (het hof herstelt een optelfout)
De advocaat-generaal heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
De raadsman van de verdachte heeft primair verzocht de vordering ten aanzien van de goederen die bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn aangetroffen en worden teruggeven aan de benadeelde partij dan wel worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende (onder schadeposten 9, 23 en 37) dient te worden afgewezen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering ten aanzien van de goederen die kennelijk zijn gekocht op naam van iemand anders af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren nu het verkrijgen van nadere toelichting een onevenredige belasting van het rechtsgeding oplevert. Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren nu deze in alle opzichten onvoldoende onderbouwd is.
Het hof overweegt als volgt.
Het hof is van oordeel dat het niet onlogisch is dat spullen van een dochter nog in de (ouderlijke) woning van vader liggen. Mede gelet op het feit dat de dochter ook namens vader aangifte heeft gedaan en daarbij onmiddellijk heeft aangegeven welke spullen, ook van haarzelf, zijn weggenomen, acht het hof een nadere onderbouwing door de benadeelde op dat punt niet nodig. Dat geldt eveneens voor het gegeven dat op de ter onderbouwing ingediende aankoopbonnen geen of in een enkel geval een andere naam dan die van aangevers staat vermeld. Het enkele feit dat de aangevers in staat waren die bonnen aan te leveren levert naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwing op van de door aangevers gestelde schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (gedeeltelijk) zal worden toegewezen. Het hof zal zijn overwegingen ten aanzien van de verschillende schadeposten hieronder achtereenvolgens bespreken.
Ten aanzien van de schadeposten onder 1) t/m 10), 12), 13), 15), 16), 18) t/m 22), 24) t/m 27) oordeelt het hof dat het voldoende aannemelijk is dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Deze goederen worden in de aangifte genoemd en worden voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 9), 23), 27) en 37) oordeelt het hof dat deze bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. Het hof gaat er vanuit dat de onder 27) bedoelde portemonnee de portemonnee betreft die op de beslaglijst onder 4) staat vermeld. Voor deze vier posten is de teruggave aan [benadeelde 2] gelast. Deze posten kunnen derhalve niet als geleden schade worden aangemerkt. De vordering zal voor dit deel, te weten een bedrag van € 1272,60, worden afgewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 11), 14), 17), 28) t/m 36), 38) en 39) oordeelt het hof dat deze goederen niet in de aangifte benoemd worden. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende aannemelijk dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De vordering zal ook voor dit deel, te weten een bedrag van € 5283,04 worden afgewezen.
Na aftrek van voornoemde posten resteert een gevorderd bedrag van € 25.432,00. Bij de begroting van de schade is de benadeelde partij uitgegaan van de nieuwwaarde van de weggenomen goederen. Het hof is met de rechtbank en de raadsman van oordeel dat rekening dient te worden gehouden met een in de reden liggende lagere dagwaarde dan tot uitdrukking komt in de (in de vordering betrokken) aanschafkosten.
Het hof overweegt echter dat sprake is van een gevarieerde ouderdom van de goederen, waardoor het niet mogelijk is om één afschrijvingspercentage toe te passen. Het hof beschikt bovendien niet over een nadere onderbouwing van de actuele waarde van de goederen, waardoor het moeilijk is om vast te stellen wat de actuele waarde van de weggenomen goederen is, mede in aanmerking genomen dat het deels gaat om luxegoederen die ook mogelijk in waarde gestegen kunnen zijn. Om die reden kiest het hof ervoor om de daadwerkelijke actuele schade te begroten op een bedrag dat het hof redelijk voorkomt. Het hof zal het totaalbedrag aan schade begroten op de helft van het totaalbedrag van de schadeposten die worden toegewezen. De vordering tot vergoeding van de materiele schade zal daarom worden toegewezen voor een bedrag van € 12.716,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Het hof zal de verdachte hoofdelijk met zijn mededaders veroordelen tot vergoeding van de schade.
Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.”

3.Het middel

3.1
Het middel bevat twee klachten over de toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen. In de eerste plaats wordt geklaagd dat de toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, omdat die toewijzing mede een voorwerp betreft (te weten: de ‘Louis Vuitton papillon damier Ebene’ t.w.v. € 880) waarvan het hof in hetzelfde arrest de teruggave heeft gelast aan [benadeelde 2] . Ten tweede wordt betoogd dat de toewijzing van de vordering van [benadeelde 2] blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, omdat – kort gezegd – niet kan worden vastgesteld dat [benadeelde 2] de gestelde schade rechtstreeks heeft geleden.
De klacht over de vordering van [benadeelde 1]
3.2
Met deze klacht wordt in de kern betoogd dat het hof de vordering van [benadeelde 1] voor wat betreft het onder 4) genoemde voorwerp niet kon toewijzen, omdat dat voorwerp niet toebehoorde aan [benadeelde 1] maar aan [benadeelde 2] , hetgeen blijkt uit de in verband met het beslag genomen beslissing van het hof dat dit voorwerp aan [benadeelde 2] moet worden teruggegeven.
3.3
Uit de stukken blijkt het volgende.
3.4
In eerste aanleg heeft de rechtbank de teruggave gelast van een aantal onder de verdachte in beslag genomen voorwerpen aan [benadeelde 1] , waaronder het voorwerp onder 4 – op de beslaglijst omschreven als “1 STK portemonnee (omschrijving: […] , zwart, merk: Louis Vuitton)”. Ten aanzien van de vordering van [benadeelde 1] als benadeelde partij heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:
“De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de posten Moncler jas van € 1.430,-, Canada Goose jas van € 1.495,- en Louis Vuitton papillon damier ebene van € 880,- niet voor toewijzing in aanmerking komen. Deze goederen zijn bij de doorzoeking van de woning van verdachte aangetroffen en inbeslaggenomen. Voor deze drie posten zal de rechtbank dan ook de teruggave aan [benadeelde 1] gelasten (zie rubriek 8). Deze posten kunnen derhalve niet als geleden schade worden aangemerkt. De vordering zal voor dit deel, te weten een bedrag van € 3.805,-, worden afgewezen.”
3.5
Hieruit blijkt dat de onder 4 op de beslaglijst genoemde ‘portemonnee’ meer specifiek een “Louis Vuitton papillon damier ebene” van € 880 betreft. De rechtbank wijst de vordering in zoverre af, aangezien dit voorwerp wordt teruggegeven en er dus geen sprake is van rechtstreekse schade voor de benadeelde partij.
3.6
Het hof heeft de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het beslag op de onder 4 genoemde portemonnee vernietigd en het volgende overwogen:
“Ten aanzien van het beslag heeft de rechtbank beslist dat goed 4 wordt teruggegeven aan [benadeelde 1] . Uit de beschrijving van dit goed volgt dat dit een portemonnee betreft. Uit de aangiften volgt dat deze portemonnee niet toebehoorde aan [benadeelde 1] , maar aan [benadeelde 2] . Daarom moet dit goed niet aan [benadeelde 1] , maar aan [benadeelde 2] worden teruggegeven. Het hof zal dat gelasten.”
3.7
De rechtbank gelastte teruggave aan [benadeelde 1] , terwijl de portemonnee – zo leidt het hof af uit de beschrijving van het voorwerp in combinatie met de aangiften – aan [benadeelde 2] toebehoorde. Tot zover herstelt het hof een kennelijke fout van de rechtbank ten aanzien van het beslag. Het hof maakt echter vervolgens zelf ook een fout bij de doorwerking van die beslissing in de beoordeling van de vorderingen van de benadeelde partijen. Dat zal ik toelichten.
3.8
Het hof heeft ten aanzien van de vordering van [benadeelde 2] overwogen dat voor een aantal posten – waaronder de onder 27) genoemde portemonnee – de teruggave aan [benadeelde 2] is gelast en dat deze posten daarom niet als schade kunnen worden aangemerkt. Het hof heeft daarbij overwogen dat het ervan uitgaat “dat de onder 27) bedoelde portemonnee de portemonnee betreft die op de beslaglijst onder 4) staat vermeld”. Die aanname is onjuist, of in ieder geval niet zonder meer begrijpelijk. Zoals kan worden afgeleid uit het vonnis in eerste aanleg (zie hiervoor onder 3.4), heeft de door het hof herstelde beslissing van de rechtbank op het beslag immers meer specifiek betrekking op een “Louis Vuitton papillon damier ebene” t.w.v. € 880. Dat voorwerp is het onder 4) genoemde voorwerp in de vordering van [benadeelde 1] , en niet – zoals het hof aanneemt – het onder 27) genoemde voorwerp in de vordering van [benadeelde 2] .
3.9
Ten aanzien van het onder 4) genoemde voorwerp in de vordering van [benadeelde 1] heeft het hof geoordeeld dat het voldoende aannemelijk is dat sprake is van rechtstreekse schade en dat de schade voldoende is onderbouwd. Nu dit – met inachtneming van het voorafgaande oordeel van de rechtbank – kennelijk het voorwerp is ten aanzien waarvan het hof de teruggave aan [benadeelde 2] heeft gelast, is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. De toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] tot een bedrag van € 3.232,50 is in zoverre inderdaad ontoereikend gemotiveerd.
3.1
De klacht slaagt.
3.11
De Hoge Raad kan de zaak naar mijn oordeel zelf afdoen. Daarbij merk ik op dat het hof vanwege moeilijkheden met het vaststellen van de actuele waarde van de voorwerpen de werkelijk geleden schade in redelijkheid heeft begroot op de helft van het totaalbedrag van alle toegewezen schadeposten. Dat betekent dat het onder 4) genoemde voorwerp voor een bedrag van € 440 doorwerkt in het uiteindelijk toegewezen bedrag. Met de steller van het middel meen ik daarom dat de toegewezen vordering en de in dat verband opgelegde schadevergoedingsmaatregel moeten worden verminderd tot een bedrag van € 2.792,50.
De klacht over de vordering van [benadeelde 2]
3.12
De klacht over de vordering van [benadeelde 2] houdt in dat de toewijzing van de vordering van [benadeelde 2] tot een bedrag van € 12.716 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en/of onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd. Daartoe wordt aangevoerd dat de verdediging er in het verweer op heeft gewezen dat niet blijkt dat de benadeelde partij woonde in de woning waaruit de voorwerpen zijn ontvreemd en dat de ter onderbouwing overgelegde bonnen en facturen niet op de naam van de benadeelde partij zijn gesteld en/of op een andere naam zijn gesteld en/of dat de op de bonnen en facturen vermelde naam en het adres zijn doorgekrast, waardoor niet kan worden vastgesteld dat het [benadeelde 2] is die de schade rechtstreeks heeft geleden. Dat verweer is door het hof blijkens het middel ten onrechte verworpen met de motivering dat de gestelde schade voldoende is onderbouwd en dat een nadere onderbouwing met betrekking tot de gestelde aanwezigheid van de aan deze partij toebehorende spullen in de niet door haar bewoonde bewoning en de onjuiste tenaamstelling, dan wel het ontbreken van een tenaamstelling op de ingediende aankoopbonnen niet nodig is. Het cassatiemiddel en de daarop gegeven toelichting bevatten een rechtsklacht (namelijk dat het hof de bepalingen van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent de stelplicht en bewijslast niet (juist) heeft toegepast) en een motiveringsklacht (namelijk dat het oordeel van het hof omtrent de toewijsbaarheid van deze vordering onbegrijpelijk of onvoldoende heeft gemotiveerd in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd).
3.13
Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt het volgende.
3.14
Bij de stukken van het geding bevindt zich een formulier “Verzoek tot schadevergoeding” van de [benadeelde 2] . Volgens dit formulier vordert zij een schadevergoeding van in totaal € 31.977,64, bestaande uit de waarde van 39 luxegoederen die bij de door het hof bewezen verklaarde woninginbraak zijn weggenomen. Aan dit formulier zijn ter onderbouwing van deze schade 39 bijlagen gehecht.
3.15
Het verweer van de verdediging op de vordering van [benadeelde 2] houdt blijkens de in hoger beroep overlegde pleitaantekeningen het volgende in:
“De vordering dient afgewezen te worden met betrekking tot de goederen die bij de doorzoeking van de woning van client zijn aangetroffen en inbeslaggenomen. De rechtbank heeft in de zaak van client de teruggave van de schoenen merk Nike type Jordan van € 155,98 en het paar Givenchy knotted sneakers uit 2017 van € 395,- gelast, waardoor deze niet als geleden schade kunnen worden aangemerkt. Ook heeft de rechtbank de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de Chanel Zonnebril gelast. Nu deze zonnebril getuige pagina 68 overeenkomt met de als gestolen opgegeven zonnebril, dient ervan te worden uitgegaan dat ook dit goed terug is of komt bij de benadeelde partij. De vordering dient derhalve ten aanzien van het deel dat ziet op deze goederen te worden afgewezen.
Als onderbouwing van haar vordering zijn onder meer facturen overgelegd die niet op naam staan van de benadeelde partij zelf. Deze staan immers op naam van een ander, namelijk [betrokkene 1] , of op de tenaamstelling staat alleen “mevrouw” terwijl de naam en het adres zijn weggekrast, en de overige bonnen zijn niet op naam. Ik stel vast dat geen enkele bon op de naam van [benadeelde 2] staat.
Uitgaande van de overgelegde facturen blijkt dat [betrokkene 1] of de onbekende mevrouw de schade zou hebben geleden, niet [benadeelde 2] . [betrokkene 1] had zich dan moeten voegen als benadeelde partij, niet [benadeelde 2] . Onduidelijk blijft hoe dit zit en een en ander wordt niet opgehelderd door de benadeelde partij.
Die bonnen staan niet op naam van de benadeelde partij, en die goederen zijn kennelijk door iemand anders gekocht, zodat niet zonder meer duidelijk is dat het goederen betreft die de benadeelde partij toebehoren. Dit behoeft nadere toelichting die ontbreekt. De benadeelde partij had de vordering ter zitting kunnen toelichten maar kiest daar zowel in eerste als in tweede aanleg niet voor. Dat zou betekenen dat de behandeling van de zaak moet worden aangehouden hetgeen een onevenredige belasting van het rechtsgeding oplevert. Ik verzoek u de vordering ten aanzien hiervan af te wijzen dan wel niet-ontvankelijk te verklaren.
Ook is door de benadeelde partij niet aangetoond dat vader/ouders de gevorderde materiële schade in bewaring heeft genomen voor [benadeelde 2] . Dit wordt onvoldoende onderbouwd; er zijn geen berichten, foto’s of overige waaruit blijkt dat de gevorderde schade daadwerkelijk in bewaring was van ouders. Wanneer sprake is van een bijzondere situatie; [benadeelde 2] is immers niet woonachtig in de woning maar stelt wel dat er goederen van haar in de woning lagen, dan had meer van de benadeelde partij mogen worden verwacht.
De vordering is in alle opzichten onvoldoende onderbouwd. En de gevorderde materiele schade is zonder deze onderbouwing simpelweg niet eenvoudig vast te stellen. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.”
3.16
Voor de leesbaarheid van deze conclusie herhaal ik wat het hof in reactie op dit standpunt heeft overwogen:
“Het hof is van oordeel dat het niet onlogisch is dat spullen van een dochter nog in de (ouderlijke) woning van vader liggen. Mede gelet op het feit dat de dochter ook namens vader aangifte heeft gedaan en daarbij onmiddellijk heeft aangegeven welke spullen, ook van haarzelf, zijn weggenomen, acht het hof een nadere onderbouwing door de benadeelde op dat punt niet nodig. Dat geldt eveneens voor het gegeven dat op de ter onderbouwing ingediende aankoopbonnen geen of in een enkel geval een andere naam dan die van aangevers staat vermeld. Het enkele feit dat de aangevers in staat waren die bonnen aan te leveren levert naar het oordeel van het hof voldoende onderbouwing op van de door aangevers gestelde schade.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering (gedeeltelijk) zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 1) t/m 10), 12), 13), 15), 16), 18) t/m 22), 24) t/m 27) oordeelt het hof dat het voldoende aannemelijk is dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Deze goederen worden in de aangifte genoemd en worden voldoende onderbouwd. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 9), 23), 27) en 37) oordeelt het hof dat deze bij de doorzoeking van de woning van de verdachte zijn aangetroffen en in beslag zijn genomen. Het hof gaat er vanuit dat de onder 27) bedoelde portemonnee de portemonnee betreft die op de beslaglijst onder 4) staat vermeld. Voor deze vier posten is de teruggave aan [benadeelde 2] gelast. Deze posten kunnen derhalve niet als geleden schade worden aangemerkt. De vordering zal voor dit deel, te weten een bedrag van € 1272,60, worden afgewezen.
Ten aanzien van de schadeposten onder 11), 14), 17), 28) t/m 36), 38) en 39) oordeelt het hof dat deze goederen niet in de aangifte benoemd worden. Naar het oordeel van het hof is dan ook onvoldoende aannemelijk dat de gestelde schade het rechtstreekse gevolg is geweest van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De vordering zal ook voor dit deel, te weten een bedrag van € 5283,04 worden afgewezen.”
3.17
In het overzichtsarrest over de vordering van de benadeelde partij van 28 mei 2019 is de Hoge Raad onder meer ingegaan op de vraag aan de hand van welke (bewijs)regels de vordering van de benadeelde partij moet worden beoordeeld. Het arrest houdt daarover onder meer het volgende in (de voetnoten waarin de Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie heb ik weggelaten):
“2.8.1. Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv Pro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2.
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.” [3]
3.18
De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat het oordeel van het hof getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat en uit welk onderdeel van de vordering of de onderbouwing blijkt dat de genoemde voorwerpen ook daadwerkelijk aan [benadeelde 2] toebehoorden. Uit de overweging(en) van het hof zou niet blijken dat het hof de regels over de stelplicht en bewijslast (juist) heeft toegepast.
3.19
Het hof heeft in zijn arrest geoordeeld dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat [benadeelde 2] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden. In zijn overweging heeft het hof – als reactie op het verweer van de verdediging dat zij ten tijde van de woninginbraak niet in de getroffen woning woonde of verbleef – overwogen dat het “niet onlogisch is” dat er nog spullen van haar in de (ouderlijke) woning van de vader liggen, ook als zij daar zelf niet meer woont. Het hof heeft ter zake voorts overwogen dat mede gelet op het feit dat de dochter ook namens haar vader aangifte heeft gedaan en daarbij onmiddellijk heeft aangegeven welke spullen, ook van haarzelf, zijn weggenomen, een nadere onderbouwing door de benadeelde op dat punt niet nodig is. Daarnaast heeft het hof gereageerd op het standpunt dat de door [benadeelde 2] ter onderbouwing overlegde facturen niet op haar naam staan en/of op naam van iemand anders zijn gesteld. In dat verband heeft het hof overwogen dat het enkele feit dat de aangevers in staat waren die facturen te overleggen, voldoende onderbouwing oplevert voor de door [benadeelde 2] gestelde schade.
3.2
Met zijn overwegingen heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van deze vordering kunnen leiden naar het oordeel van het hof, conform het hiervoor genoemde overzichtsarrest van de Hoge Raad, in voldoende mate zijn komen vast te staan.
3.21
De daarop betrekking hebbende rechtsklacht dient dan ook mijns inziens te falen.
3.22
De steller van het middel betoogt vervolgens dat het oordeel van het hof dat de vordering voldoende is onderbouwd – mede in het licht van de betwisting van de verdediging – onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd.
3.23
Het hof heeft ten aanzien van de in de vordering genoemde materiële schadeposten beoordeeld of ze voor toewijzing in aanmerking komen en heeft daarbij een onderscheid gemaakt tussen de schadeposten die al in de aangifte zijn genoemd en schadeposten die daarin niet voorkomen. De aangifte is op 3 november 2023 (zes dagen na het bewezenverklaarde feit) gedaan door [benadeelde 2] , mede namens haar vader (zie bewijsmiddel 1). Het hof heeft geoordeeld dat slechts voor wat betreft de schadeposten die zowel in de aangifte als in de vordering worden genoemd voldoende aannemelijk is dat sprake is van rechtstreekse schade uit het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. De andere schadeposten zijn afgewezen. Dat het hof op deze manier een onderscheid heeft gemaakt tussen de verschillende schadeposten, komt mij niet onbegrijpelijk voor.
3.24
Het middel en de daarop gegeven toelichting volgen echter een iets ander spoor. Daarin wordt niet geklaagd over het oordeel dat er sprake is van rechtstreekse schade, maar gaat het om het oordeel van het hof omtrent de vraag wie die schade heeft geleden. Volgens de steller van het middel kan uit de stukken niet blijken dat en waarom [benadeelde 2] aanspraak maakt op vergoeding van voorwerpen die uit het huis van haar vader, [benadeelde 1] zijn ontvreemd, terwijl op basis van die stukken ook niet kan worden vastgesteld dat die voorwerpen aan haar toebehoren
3.25
Ik meen dat ook deze klacht faalt. Daarbij neem ik in aanmerking dat, zoals ook het hof heeft overwogen, in de door [benadeelde 2] mede namens haar vader gedane aangifte van de woninginbraak direct al onderscheid wordt gemaakt tussen weggenomen voorwerpen van haar vader en weggenomen voorwerpen van haarzelf, welk onderscheid vervolgens ook is aangebracht in de ingediende vorderingen. Daarnaast heeft de benadeelde partij elke individuele schadepost onderbouwd met stukken. Voorts neem ik daarbij in aanmerking dat – zoals ook uit de overwegingen van het hof blijkt – een aantal van de voorwerpen die in de aangifte (van 3 november 2023) worden genoemd – te weten de schadeposten genoemd onder 9), 23), 27) en 37) – en die blijkens die aangifte aan [benadeelde 2] toebehoren, nadien in de woning van de verdachte zijn aangetroffen.
3.26
Het oordeel van het hof dat voldoende is gebleken dat [benadeelde 2] als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, is – ook gelet op het door de verdediging gevoerde verweer – niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De overweging dat het “niet onlogisch is” dat de dochter nog spullen heeft liggen in haar ouderlijke woning, komt mij niet onbegrijpelijk voor. Ook het feit dat op de overlegde facturen soms het adres is doorgekrast, dan wel geen of een andere (voor-) naam stond, doet aan dit oordeel niet af. Dat alle door het hof toegewezen schadeposten ook in de aangifte worden genoemd en dat de [benadeelde 2] ter onderbouwing van deze schadeposten in staat is gebleken om ten aanzien van alle genoemde voorwerpen facturen te overleggen, acht ik – net als het hof – voldoende onderbouwing voor het oordeel dat zij als benadeelde partij schade heeft geleden.
3.27
De tweede klacht faalt daarmee in al zijn onderdelen.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt voor zover wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] . De klachten over de vordering van [benadeelde 2] falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend voor zover de vordering van de [benadeelde 1] is toegewezen tot een bedrag van € 3.232,50 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van dat slachtoffer is opgelegd, tot bepaling dat het bedrag waarvoor de vordering van de [benadeelde 1] is toegewezen € 2.792,50 bedraagt en dat de schadevergoedingsmaatregel tot betaling aan de Staat is opgelegd voor dat bedrag en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Volgens de daarvan opgemaakte intrekkingsakte van 8 mei 2025 richt het cassatieberoep zich niet tegen de beslissing tot bevestiging van het vonnis (inclusief de aangebrachte aanvulling/verbetering van de gronden van de bewezenverklaring) en de beslissingen ten aanzien van het beslag. Ik meen dat de beperking van het cassatieberoep ten aanzien van de beslissingen over het beslag op grond van HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:CA1610,
2.Voor het overige bedrag zijn de vorderingen steeds deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard.
3.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,