ECLI:NL:PHR:2026:408
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens het niet tijdig instellen daarvan binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het vonnis van de politierechter.
De verdachte was bij verstek veroordeeld op 6 februari 2024, en stelde het hoger beroep pas in op 9 april 2024. Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep bleek echter dat de dagvaarding niet in persoon was betekend, en dat de termijn voor het instellen van hoger beroep mogelijk niet was aangevangen zoals het hof had aangenomen.
De Procureur-Generaal stelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan die de beroepstermijn direct na het vonnis deed aanvangen, zoals bedoeld in art. 408 lid 1 Sv Pro. De motivering van het hof is ontoereikend, waardoor het oordeel niet stand kan houden.
De conclusie is dat het cassatiemiddel slaagt, het arrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.