ECLI:NL:PHR:2026:408

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2026
Publicatiedatum
15 april 2026
Zaaknummer
24/03427
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 408 lid 1 SvArt. 425 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens termijnoverschrijding

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de verdachte niet-ontvankelijk werd verklaard in hoger beroep wegens het niet tijdig instellen daarvan binnen de wettelijke termijn van veertien dagen na het vonnis van de politierechter.

De verdachte was bij verstek veroordeeld op 6 februari 2024, en stelde het hoger beroep pas in op 9 april 2024. Het hof oordeelde dat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld en verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk. Tijdens de terechtzitting in hoger beroep bleek echter dat de dagvaarding niet in persoon was betekend, en dat de termijn voor het instellen van hoger beroep mogelijk niet was aangevangen zoals het hof had aangenomen.

De Procureur-Generaal stelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan die de beroepstermijn direct na het vonnis deed aanvangen, zoals bedoeld in art. 408 lid 1 Sv Pro. De motivering van het hof is ontoereikend, waardoor het oordeel niet stand kan houden.

De conclusie is dat het cassatiemiddel slaagt, het arrest moet worden vernietigd en de zaak moet worden terugverwezen naar het hof Amsterdam voor hernieuwde berechting en beslissing.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting over de ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03427
Zitting21 april 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam, enkelvoudige kamer, heeft bij arrest van 27 augustus 2024 (parketnr. 23-000829-24) de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep omdat het beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn zou zijn ingesteld.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat R.T. Poort heeft een middel van cassatie voorgesteld waarin zich twee klachten laten onderscheiden. In de eerste plaats komt het middel op tegen het oordeel van het hof dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld. Ten tweede bevat het middel de klacht dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep de zaak in afwezigheid van de verdachte en de raadsman inhoudelijk heeft behandeld, ondanks een aankondiging in de dagvaarding dat het om zogenoemde rolzitting zou gaan.

2.De uitspraak van het hof

2.1
Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden bevindt zich een ‘aantekening mondeling arrest’ van de enkelvoudige kamer van het hof, die het volgende inhoudt:
“Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 6 februari 2024 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland. De dagvaarding is op 25 januari 2024 middels een OM-betekening (NIP) correct betekend.
De verdachte is op 6 februari 2024 bij verstek veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft de verdachte niet binnen veertien dagen nadien hoger beroep ingesteld, maar eerst op 9 april 2024.
Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld zal de verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”
2.2
Verder bevindt zich bij de stukken een proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep. Het proces-verbaal houdt het volgende in:
“De raadsheer merkt op dat de inleidende dagvaarding in persoon is betekend op 25 januari 2024. De verdachte is bij verstek veroordeeld op 6 februari 2024. De verdachte heeft niet binnen 14 dagen nadien hoger beroep ingesteld.[1]
De advocaat-generaal voert het woord en vordert dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in het ingestelde hoger beroep.
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest uit ter openbare terechtzitting.
(…)”
2.3
De in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep opgenomen voetnoot 1 vermeldt:
“Na het uitspreken van het arrest is gebleken dat het hof abusievelijk aan haar beslissing ten grondslag heeft gelegd dat de inleidende dagvaarding in persoon is betekend en dat daarmee de termijn voor het instellen van het hoger beroep is gaan lopen. Het betreft een dagvaarding niet in persoon, de mededeling uitspraak is eveneens niet in persoon betekend.”

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
De eerste deelklacht van het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat het hoger beroep niet tijdig is ingesteld.
3.2
Allereerst merk ik op dat de enkelvoudige kamer van het hof niet overeenkomstig art. 425 lid 3 aanhef Pro en onder c Sv zijn arrest heeft aangetekend in het proces-verbaal van de terechtzitting. In plaats daarvan is de uitspraak opgenomen in een ‘aantekening mondeling arrest’, die is voorzien van een inhoudelijke motivering van de ontvankelijkheidsbeslissing. Anders dan de voetnoot in het proces-verbaal terechtzitting vermeldt, volgt uit die motivering niet dat het hof bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep ervan is uitgegaan dat de dagvaarding in eerste aanleg in persoon is uitgereikt. Die aantekening houdt als overweging van het hof in dat de dagvaarding op 25 januari 2024 “middels een OM-betekening (NIP)” (ik begrijp: niet in persoon) is betekend.
3.3
De gang van zaken zoals die door het hof in de ‘aantekening mondeling arrest’ is geschetst sluit aan bij hetgeen kan worden opgemaakt uit de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Daaruit blijkt het volgende:
- De uitreikingsaktes bij de dagvaarding in eerste aanleg houden in dat de dagvaarding tevergeefs is aangeboden op het BRP-adres van de verdachte, waarna de dagvaarding op 25 januari 2024 is uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
- De aantekening mondeling vonnis van de politierechter van 6 februari 2024 vermeldt dat de verdachte in eerste aanleg bij verstek is veroordeeld; [1]
- Blijkens de daarvan opgemaakte akte is op 9 april 2024 namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter.
3.4
De op deze stukken gebaseerde overwegingen van het hof in de ‘aantekening mondeling arrest’ houden geen vaststellingen in waaruit volgt dat zich een in art. 408 lid 1 aanhef Pro en onder a - d Sv bedoelde omstandigheid heeft voorgedaan die meebrengt dat de beroepstermijn van veertien dagen is aangevangen na het vonnis van de politierechter. [2] Het oordeel van het hof dat het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld omdat het niet binnen veertien dagen na het vonnis is ingesteld, is dan ook ontoereikend gemotiveerd.

4.Slotsom

4.1
De eerste klacht van het cassatiemiddel slaagt. De tweede klacht behoeft daarom geen bespreking.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij de stukken bevindt zich niet een proces-verbaal van de terechtzitting van de politierechter.
2.Overigens volgt uit de stukken dat na de uitspraak van de politierechter twee keer tevergeefs een ‘mededeling uitspraak’ is aangeboden op het BRP-adres van de verdachte.