Conclusie
Nummer 24/04620
Inleiding
valsheid in geschrift", onder 3 “
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven” en onder 4 “
witwassen” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 125 uur subsidiair 62 dagen hechtenis. [1]
De bewezen verklaarde feiten
lagerwas dan de inkoopprijs die de leveranciers zelf voor die auto’s hadden betaald, doch nog wel vermeerderd met 19% btw. Met de verkoop aan de verdachte maakten de leveranciers dus verlies, wat door het hof is omschreven als een ‘prijsval’. Dat de verdachte wist van deze prijsval heeft het hof gebaseerd op handgeschreven aantekeningen op de voorraadlijst van zijn autobedrijf. Het hof stelt vast dat die aantekeningen door de verdachte zijn aangebracht. Het betreft – aldus het hof – de bedragen waarvoor de twee leveranciers de vijf auto’s in Duitsland hadden ingekocht. De facturen die betrekking hebben op de aankoop van deze auto’s zijn opgenomen in de administratie van het autobedrijf van de verdachte.
2. hij, verdachte, op tijdstippen in de periode van 24 november 2010 tot en met 7 december 2010 te [plaats] , in de gemeente [...] , een deel van de bedrijfsadministratie van zijn onderneming, handelend onder de naam [bedrijf 1] , zijnde een samenstel van geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft hij, verdachte, opzettelijk valselijk in die bedrijfsadministratie voornoemd doen of laten opnemen en/of verwerken, 5 valse inkoopfacturen, waaronder 2 inkoopfacturen uit de periode van november 2010, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [bedrijf 3] B.V. en telkens gericht aan [bedrijf 1] , terwijl in werkelijkheid geen sprake was van tussen die ondernemingen overeengekomen transacties zoals gebruikelijk in het handelsverkeer en terwijl in werkelijkheid sprake was van door die ondernemingen opgezette transacties met het doel om henzelf financieel te bevoordelen ten koste van de Nederlandse Staat, zulks met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;
De overwegingen over het (gebrek aan) bewijs
Vrijspraak van het onder feit 1 tenlastegelegde
“A.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit van het onder feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern het volgende aangevoerd.
B.
Uit het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier zijn met betrekking tot het onder feit 2, feit 3 en onder feit 4 tenlastegelegde de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen. Het hof zal hierna tevens ingaan op de door de verdediging gevoerde bewijsverweren.
Het middel
onverklaarbare” prijsval die het hof associeert met btw-fraude.
De beoordeling van het middel
missing trader intra-community fraud. [2] Die fraudeconstructie werkt als volgt. Een in een lidstaat van de EU gevestigde bv (die hierna een ‘plof-bv’ wordt genoemd) koopt in een andere lidstaat van de EU grootschalig goederen in en laat zich die goederen leveren tegen het 0% btw-tarief (het ‘nultarief’) voor intracommunautaire leveringen. Vervolgens verkoopt en levert de plof-bv de goederen binnenlands in rap tempo door en brengt bij de afnemers btw in rekening. Zonder de geïnde btw af te dragen verdwijnt de plof-bv vóórdat de fiscus kan naheffen. Voor de personen die achter de plof-bv schuilgaan zit de winst in het wegsluizen van niet-afgedragen btw. Eventueel verlies op de verkoopprijs exclusief btw komt binnen de reeks van transacties de doorloopsnelheid ten goede. Het verlies wordt gecompenseerd door de btw-opslag. Het nemen van verlies op de verkoopprijs ex btw is géén wezenskenmerk van een
missing trader fraud, al kan het wel een belangrijk signaal zijn. De binnenlandse afnemers, de zogeheten
buffer traders, spelen mogelijk onder één hoedje met personen die schuilgaan achter de plof-bv, maar dat is niet noodzakelijkerwijze het geval.
dat er meer dan voldoende bewijs voorhanden is dat in de tenlastegelegde periode sprake is geweest van een grootschalige BTW-fraude in de autohandel.” Hoewel het hof het bewijs voor deze gevolgtrekking in het bestreden arrest niet levert, ligt in zijn vrijspraak- en bewijsoverwegingen besloten dat het hof de twee autobedrijven van [medeverdachte 1] de rol van ‘plof-bv’ in een btw-fraude toedicht, met [medeverdachte 1] als de leider van een criminele organisatie. Tegen deze gevolgtrekkingen is het middel van cassatie niet gericht, zodat in cassatie daarvan kan worden uitgegaan.
wist of had moeten weten” van de door de leveranciers begane btw-fraude en dat hij als frauduleuze schakel in de transactieketen geen recht had op aftrek van voorbelasting. [3] In zijn vrijspraakoverwegingen schuift het hof verscheidene getuigenverklaringen waaruit het bewijs van verdachte’s bijdrage aan de fraude eventueel had kunnen worden afgeleid, terzijde, wegens gebrek aan steun voor het verklaarde. Voor het oordeel dat de verdachte van de fraude wist of had moeten weten, presenteert het hof als bewijs uitsluitend de gevolgtrekking dat de verdachte ervan op de hoogte was dat de twee autobedrijven van [medeverdachte 1] bij vijf leveringen aan hem een transactieverlies (een ‘prijsval’) hebben geleden. Voor die prijsval zijn naar het oordeel van het hof geen legale redenen aannemelijk geworden, zodat “
de conclusie geen andere[kan]
zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude”. “
Zeker als door de wol geverfde autohandelaar”, kan het volgens het hof “
niet anders zijn dan” dat de verdachte “
moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden.” Daarmee heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij betrokken is geraakt in een btw-fraudeketen, aldus het hof.
wistdat er in vijf transacties bij de twee leveranciers (d.w.z. de autobedrijven van [medeverdachte 1] ) een prijsval is opgetreden. Deze conclusie baseert het hof op (i) de vaststelling dat het de verdachte is geweest die in de marge van een onder hem aangetroffen voorraadlijst bij de vermelding van de vijf betreffende auto’s telkens een bepaald bedrag heeft geschreven, en (ii) de vaststelling dat die bedragen de inkoopprijzen betreffen waarvoor de leveranciers (de autobedrijven van [medeverdachte 1] ) de auto’s in Duitsland hebben ingekocht.
kunnenoordelen dat deze constateringen beter worden verklaard door de aanname dat het hier gaat om de bedragen waarvoor [medeverdachte 1] de auto’s in Duitsland heeft ingekocht dan door de stelling dat het gaat om bedragen waarvoor de verdachte zelf die auto’s heeft ingekocht bij [medeverdachte 1] . De overeenstemming in prijzen zou dan wel steeds zeer toevallig zijn.
de conclusie [kan] geen andere zijn dan dat die prijsval heeft plaatsgehad in het kader van strafbare BTW-fraude”, en (2) verdachte’s wetenschap van die prijsval kan niet anders worden uitgelegd dan als de welbewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans op die btw-fraude. De eerste van deze twee stappen wordt bestreden met de motiveringsklachten van randnummer 12 onder (d) en (e). Daarover het volgende.
Nu de verdachte wetenschap had van de Duitse inkoopprijs, kan het niet anders zijn dan dat hij – zeker als door de wol geverfde autohandelaar – moet hebben geweten dat de tussen de betrokken ondernemingen overeengekomen prijzen niet tot stand kunnen zijn gekomen op een wijze als gebruikelijk is in het handelsverkeer en waarbij aldus een prijsval moet zijn opgetreden.”