ECLI:NL:PHR:2026:432

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
23/04790
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328ter SrArt. 70 lid 1 onder 3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aanvullende conclusie procureur-generaal over verjaring in strafzaak

In deze aanvullende conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad wordt een eerdere misslag gecorrigeerd die betrekking had op de verjaring van het eerste feit in de strafzaak tegen de verdachte geboren in 1966.

De procureur-generaal stelt dat in de eerdere conclusie ten onrechte werd aangenomen dat verjaring was ingetreden. Dit was gebaseerd op een onjuiste inschatting van de toepasselijke verjaringstermijn.

Met ingang van 1 januari 2015 is overtreding van artikel 328ter Sr bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal vier jaren, waardoor de verjaringstermijn volgens artikel 70 lid 1 onder Pro 3 Sr twaalf jaren bedraagt en de absolute verjaringstermijn 24 jaren is. Deze termijn is nog niet verstreken, zodat verjaring niet is ingetreden.

De conclusie wordt daarom aangepast door de passages over verjaring te verwijderen, zonder dat dit de uiteindelijke standpunten van de procureur-generaal beïnvloedt.

Uitkomst: De verjaring van het eerste feit is niet ingetreden vanwege de langere absolute verjaringstermijn, waardoor vervolging mogelijk blijft.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/04790
Zitting24 april 2026

AANVULLENDE CONCLUSIE

V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte
Tot mijn spijt moet ik constateren dat mijn op 31 maart 2026 genomen conclusie een misslag bevat. Die is niet van invloed op mijn uiteindelijk ingenomen standpunt, maar ik wil hem toch graag herstellen.
In de randnummers 5.2-5.5 heb ik ambtshalve aandacht besteed aan verjaring. Ik kwam toen tot de conclusie dat ten aanzien van feit 1 sprake zou zijn van verjaring.
Dat verjaring op de daar genoemde gronden is ingetreden, is echter onjuist. Ik heb in die overwegingen ten onrechte niet betrokken dat overtreding van art. 328ter Sr met ingang van 1 januari 2015 wordt bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal vier jaren. Dat betekent dat het recht tot strafvervolging op grond van art. 70 lid 1 onder Pro 3 Sr – buiten het geval van de stuiting ervan – verjaart na 12 jaren en dat de absolute verjaringstermijn dus 24 jaren bedraagt. Die 24 jaren zijn nog niet verstreken.
De conclusie dient daarom te worden gelezen met weglating van de randnummers 5.2-5.5.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

A-G