Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:465

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
7 mei 2026
Zaaknummer
25/01299
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 49 SrArt. 359 lid 2 SvArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplichtigheid aan diefstal door op de uitkijk staan met pepperspray en pistool

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch dat verdachte heeft veroordeeld voor medeplichtigheid aan diefstal van een Mercedes-Benz bus. Verdachte stond op 6 november 2014 op de uitkijk, gewapend met pepperspray en een pistool, terwijl medeverdachten de bus met een valse sleutel wegnamen.

Het hof bevestigde het vonnis van de rechtbank Limburg, waarin werd vastgesteld dat verdachte opzettelijk behulpzaam was door stand-by te blijven in de auto, te waarschuwen bij onraad en medeverdachten getalsmatig te versterken. De verdediging voerde aan dat verdachte slechts in de auto bleef zitten en dat dit geen daadwerkelijke bevordering van het misdrijf was.

De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en dat de bijdrage van verdachte, ook al was die niet doorslaggevend, voldoende is voor medeplichtigheid. Het cassatieberoep faalt en wordt verworpen. Er zijn geen gronden voor vernietiging van het bestreden arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor medeplichtigheid aan diefstal blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01299
Zitting19 mei 2026
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof 's-Hertogenbosch heeft bij arrest van 28 maart 2025 (parketnr. 20-001816-21) het vonnis van de rechtbank Limburg van 9 juli 2021 (parketnr. 03/702613-15 en 03/702642-17) – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – bevestigd. Bij dit vonnis is de verdachte wegens “medeplichtigheid aan diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden, met een proeftijd van één jaar en met aftrek van het voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01199, 25/01200, 25/01197, 25/01198, 25/01277, 25/01279, 25/01288, 25/01275, 25/01280, 25/01148 en 25/01146. In die zaken zal ik, voor zover in de zaken middelen zijn ingediend [1] , vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.H.L. Antonides en M. Draaijers, beiden advocaat in Roermond, hebben een middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel behelst de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de bewezen verklaarde diefstal van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onbegrijpelijk is, en onvoldoende met redenen is omkleed in het licht van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging.
De bewijsvoering door het hof
2.2
Het hof heeft – door bevestiging van het vonnis van de rechtbank – ten laste van de verdachte (in de zaak met parketnummer 03/702613-15) onder 2 meest subsidiair bewezen verklaard dat:
“ [medeverdachte 1] en- [medeverdachte 2] op 6 november 2014 in de gemeente ’s-Hertogenbosch, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening hebben weggenomen een bus (Mercedes Benz Viano, gekentekend [kenteken 1] ), toebehorende aan een ander dan aan die [medeverdachte 1] of die [medeverdachte 2] , waarbij die [medeverdachte 1] en die [medeverdachte 2] het weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een onbevoegd gebruikte sleutel van die auto, bij het plegen van welk misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest door op 6 november 2014 in de gemeente ‘s-Hertogenbosch voorzien van pepperspray en een pistool op de uitkijk te staan teneinde bij onraad te waarschuwen en in een auto stand-by te staan voor die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en/of die [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] getalsmatig te versterken.”
2.3
De bewijsmiddelen waarop de bewezenverklaring steunt zijn als volgt weergegeven in de bij het vonnis van de rechtbank gevoegde ‘Bijlage II’ (hier weergegeven zonder de voetnoten):

Zaakdossier 2: Afpersing [betrokkene 2]
Op 6 november 2014 zijn in de Opel Vectra van [medeverdachte 1] onder meer de volgende
OVC-gesprekkenopgenomen:
Om 11.22 uur (sessienummer 4052)
[medeverdachte 1] praat met NN-persoon buiten de auto. Vervolgens openen de portieren, [medeverdachte 1] stapt in en zegt dat het fris aan het worden is tegen [medeverdachte 2] . Vervolgens stapt ook [verdachte] in, die wordt begroet door [medeverdachte 1] in de auto.
Om 11.27 uur (sessienummer 4052)
[medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] zitten nog steeds in de auto. [medeverdachte 1] zegt dat hij in Born de autoweg kan afgaan en hier weer erop, dat is het makkelijkste voor hem. [medeverdachte 2] zegt .. ntv ...
Ja zegt [medeverdachte 1] , die staat in Echt te wachten.
Wanneer de auto om 11.42 volgens het peilbaken op de [b-straat] te Echt is, stapt een onbekende man in (sessienummer 4056).
Gesprek over hoeveel een ticket naar Thailand kost.
[medeverdachte 1] zegt dat ze vanmiddag hier een beetje gas moeten geven.
Dan kunnen we direct boeken zegt [verdachte] .
Om 11.52 uur (sessienummer 4058)
[verdachte] zegt: Ik heb pepperspray en pistool meegenomen he!
Om 13.36 uur (sessienummer 4070)
[medeverdachte 1] zegt tegen [medeverdachte 2] dat het beter is dat ze van hieruit de autoweg nemen naar IJsselstein en als ze terugkomen gaan ze langs Den Bosch en dan gaan ze langs.
Het mooie is, zegt [medeverdachte 1] , die ‘Albino’ die kent ons niet, heeft ons nog nooit gezien ......
Dat is altijd goed, zegt [verdachte] . Dan weet hij ook niet voor wie hij weg moet rennen ....
Ja dat bedoel ik, zegt [medeverdachte 1] , die kent ons niet, daar kun je gewoon heen lopen die rent niet weg die kent ons niet......
Om 14.57 uur (sessienummer 4084)
[medeverdachte 1] zegt dat het beste is als hij en vermoedelijk [medeverdachte 2] uitstappen en [verdachte] en [medeverdachte 4] blijven zitten anders komt hij niet naar buiten. [medeverdachte 2] geeft aan waar ze naar toe moeten rijden. [medeverdachte 2] zegt dat zijn Vito er staat en dat ze beter achterom kunnen parkeren. [medeverdachte 1] zegt dat ze die Vito gelijk meenemen.
De politie heeft onderzoek gedaan naar bijnamen hadden en concludeerde dat [medeverdachte 4] een bijnaam is van de verdachte [medeverdachte 3] .
Blijkens de gegevens van het
peilbakenaangebracht in de auto Opel Vectra van [medeverdachte 1] is dit voertuig op donderdag 6 november 2014 van 14.59 tot 15.25 uur stationair op de [a-straat] te [plaats] . Dit betreft het GBA adres van [betrokkene 2] .
Om 14.59 uur (sessienummer 4085)
De motor wordt afgezet. [verdachte] vraagt of hij moet blijven zitten. Ja, zegt [medeverdachte 1] , blijf maar stand-by en ik laat de sleutel op de auto staan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stappen uit. [medeverdachte 4] en [verdachte] blijven in de auto.
Om 15.04 (sessienummer 4086)
[medeverdachte 4] en [verdachte] hebben het erover dat het wel lang geduurd heeft voordat de persoon open deed en dat het wel geregeld zal zijn. [medeverdachte 4] zegt dat hij misschien andere mensen heeft gebeld. We zien het wel als andere mensen komen, zegt [verdachte] .
Om 15.09 uur (sessienummer 4088)
[verdachte] zegt dat het lang duurt en dat dat goed is. Jazeker, zegt [medeverdachte 4] . De Vito mee dan is het toch goed. [medeverdachte 4] vraagt of die ‘meneer’ bij hun gezeten heeft. Neen zegt [verdachte] .
Om 15.22 uur (sessienummer 4091)
[medeverdachte 1] (vermoedelijk alleen) stapt weer in de auto en zegt dat ‘hij’ de boodschap heeft gesnapt. Rijgeluiden.
Om 15.26 uur (sessienummer 4091)
[medeverdachte 1] wil zo snel mogelijk weg uit deze buurt en ze gaan een bakje pakken op de autoweg. [verdachte] vraagt of ze hem ergens binnen moeten zetten. [medeverdachte 1] zegt zich aan het bedenken waar we hem kunnen neerzetten. [verdachte] geeft aan dat ze die bij hem achterom kunnen zetten.
Om 15.27 uur (sessienummer 4092)
[medeverdachte 2] roept dan ‘ik moet tanken hij is helemaal leeg’. [medeverdachte 1] en [verdachte] lachen.
Om 15.30 uur (sessienummer 4093)
[verdachte] zegt dat hij nog een plekje heeft waar hij hem binnen kan zetten. Oké zegt [medeverdachte 1] .
Om 15.39 uur (sessienummer 4093)
Blijkt dat [medeverdachte 4] bij [medeverdachte 2] in de auto zit, want [medeverdachte 1] dacht hem te zijn vergeten. [medeverdachte 1] zegt bij Nederweert te stoppen voor een bakkie en dan spreken we verder af .. ntv... met de bus .... ntv.
Om 15.59 uur ontvangt [medeverdachte 2] een
sms-berichtvan [telefoonnummer 1] op naam van [bedrijf 1] te [plaats] , inhoudende: ‘Hallo, ik hoor net van [betrokkene 2] dat jullie mijn bus hebben meegenomen, maar zo werkt dat niet jongens’.
Op 6 november 2014 om 18.42 uur (sessienummer 418) vindt er een
telefoongesprekplaats tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , gebruiker telefoonaansluiting [telefoonnummer 1] , onder andere inhoudende:
[betrokkene 1] zegt: ‘Luister, ik ga niet zomaar overal naar toe rijden of weet ik veel wat (...) daar gaat het niet om maar het gaat zich er om ik weet niet waarom jullie mijn bus meenemen bij [betrokkene 2] ’.
[medeverdachte 2] zegt: ‘Nou dan moet je dat aan hem vragen dan kan hij jou dat precies uitleggen’.
(...)
[betrokkene 1] zegt: ‘Ik kan ook naar de politie gaan en zeggen dat jullie mijn bus hebben gestolen, is ook geen probleem’.
[medeverdachte 2] zegt: ‘Zodra [betrokkene 2] ons/mij de papieren geeft wat afgesproken is krijgt hij die terug’.
Op 3 december 2014 worden er door een nummer dat niet op naam staat twee sms-en verstuurd naar een nummer in gebruik bij [medeverdachte 2] met de volgende inhoud:
heb aangiften gedaan van afpersen en diefstal van die bus door een motorclub uit Limburg heb geen namen en clubnaam genoemd dus kijk maar wat je met die bus doet.
Op 17 maart 2015 in de auto van [medeverdachte 2] het volgende
OVC-gesprekmet [betrokkene 3] opgenomen:
Om 23.03 uur (sessienummer 2737)
[medeverdachte 2] zegt: Ja daar heb ik toen toch met [medeverdachte 1] die bus afgepakt.
[betrokkene 3] vraagt: weetje die te vinden?
[medeverdachte 2] zegt: Op een gegeven moment kreeg ik een berichtje dat hij aangifte gedaan had.
Om 23.11 uur (sessienummer 2738)
[betrokkene 3] : Wat is er met die bus gebeurd? Verkocht?
[medeverdachte 2] : Weet ik niet. Ik denk het wel. Die hebben ze volgens mij ergens in de sloop geduwd. [verdachte] zou dat geregeld hebben.
[betrokkene 3] : Maar jullie hadden die papieren toch?
[medeverdachte 2] : Nee...
[betrokkene 3] : Jullie gaan een bus meenemen zonder papieren?
[medeverdachte 2] : Heeft [medeverdachte 1] gedaan. Ja... [medeverdachte 1] pakte gewoon de sleutel.
Om 23.13 uur (sessienummer 2739)
[medeverdachte 2] zegt: hij zou gewoon terugkrijgen als hij de eerste tien had betaald.
[betrokkene 3] zegt: als hij aangifte had gedaan had je daar zeker al wat van gehoord.
(…)
[betrokkene 3] zegt: Waar wil je aangifte van doen als je zelf fout bezig ben?
[medeverdachte 2] zegt: daarom had hij het op een afpersing gegooid.
Om 23.19 uur (sessienummer 2740)
[betrokkene 3] vraagt: Toen jullie die afspraak hadden met die ene gast, hadden jullie die vast of is die naar een afspraak gekomen?
[medeverdachte 2] zegt: Die hadden wij vast, daar zijn we aan de deur gegaan.
[betrokkene 3] vraagt: was [betrokkene 1] daarbij?
[medeverdachte 2] zegt: Die zat in de auto he. Weet je wat het is, wij waren eerst naar Amsterdam geweest voor een verhaal, toen zei [medeverdachte 1] ...
Op 14 april 2015 wordt in de auto van [medeverdachte 2] een OV-gesprek (sessienummer 4121) opgenomen. [medeverdachte 2] vertelt dat [betrokkene 1] altijd een grijze Vito heeft gereden en dat deze aangifte heeft gedaan van afpersing van de motorclub.
De
politieheeft ook onderzoek gedaan naar welke auto het betreft en komt op basis van een verklaring van [betrokkene 1] d.d. 22 januari 2012 dat hij een grijze Mercedes Vivano heeft (opmerking rechtbank: bedoeld zal zijn Viano), een OVC-gesprek op 14 april 2015 van [medeverdachte 2] en het aantreffen van [betrokkene 2] bij een verkeerscontrole van 23 augustus 2014 in deze auto, tot de conclusie dat het een Mercedes Benz Viano met het kenteken [kenteken 1] betreft. Uit nader onderzoek blijkt dat de kleur van deze auto briljant-zilver metallic is. Voorts wordt gerelateerd dat de Mercedes-Benz type Viano en de Mercedes-Benz type Vito uiterlijk identiek zijn, doch het interieur verschillend is.
Verdachte [verdachte] heeft ter terechtzitting van 29 maart 20121 verklaard dat hij zich niet kan herinneren met wie hij op 6 november 2014 in de auto van [medeverdachte 1] zat. Hij denkt dat hij niet is uitgestapt.”
2.4
De bewijsoverwegingen van de rechtbank waarmee het hof zich heeft verenigd houden verder in:
“De verdachte wordt verweten dat hij samen met anderen – al dan niet met geweld of bedreiging met geweld – een Mercedes-Benz bus heeft gestolen dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest.
Diefstal
De rechtbank stelt op basis van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen het volgende vast.
Op 6 november 2014 vanaf 11.22 uur zijn [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] in de auto van [medeverdachte 1] op weg naar Echt , alwaar zij om 11.42 uur [medeverdachte 3] oppikken en uiteindelijk arriveren in ‘s-Hertogenbosch. Aldaar aangekomen staat de auto tussen 14.59 uur en 15.25 uur stationair op de [a-straat] te [plaats] , zijnde het woonadres van [betrokkene 2] . Uit de OVC-gesprekken blijkt dat [verdachte] en [medeverdachte 3] in de auto zijn achtergebleven en dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] naar [betrokkene 2] zijn gegaan. In een OVC-gesprek geeft [medeverdachte 2] aan dat [medeverdachte 1] de sleutel van de bus heeft gepakt. Om 15.22 uur stapt [medeverdachte 1] weer in de auto en zegt dat ‘hij’ de boodschap heeft gesnapt. [medeverdachte 1] wil zo snel mogelijk weg uit de buurt. Tevens kan uit de OVC-gesprekken worden afgeleid dat [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte 3] met de Mercedes-bus is weggereden.
Hoewel het dossier aanwijzingen bevat dat [betrokkene 2] gebruiker was van de weggenomen bus en [betrokkene 1] zich richting de verdachten lijkt op te werpen als eigenaar, kan de rechtbank op basis van het dossier niet met zekerheid vaststellen wie als de daadwerkelijk eigenaar van de betreffende Mercedes bus gezien dient te worden. Wel kan worden bewezenverklaard dat deze in ieder geval toebehoorde aan een ander dan verdachte en/of zijn medeverdachten.
Op basis van de weergegeven bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de Mercedes-bus met het oogmerk van wederrechtelijk toe-eigening is weggenomen. De rechtbank leidt dit niet alleen af uit de mededeling van [betrokkene 1] die een half uur na het vertrek uit ’s- Hertogenbosch contact opneemt met de vraag waarom ze zijn bus hebben meegenomen, maar ook uit de OVC-gesprekken die onderweg in de auto hebben plaatsgevonden. Zo zegt [verdachte] dat hij een pistool en pepperspray bij zich heeft, wordt besproken dat degene naar wie zij op weg zijn hen niet kent en dus ook niet weet dat hij moet wegrennen. Eenmaal op de plaats van bestemming aangekomen zegt [medeverdachte 1] dat ze die Vito gelijk meenemen en zegt hij tegen [verdachte] en [medeverdachte 3] dat zij in de auto stand-by moeten blijven en hij de sleutel op de auto laat staan. Al wachtend bespreken [medeverdachte 3] en [verdachte] dat ‘hij’ misschien andere mensen heeft gebeld en dat het goed is dat het lang duurt, hetgeen [medeverdachte 3] bevestigt en zegt: ‘De Vito mee en dat is het toch goed’. Tenslotte zegt [medeverdachte 1] bij terugkomst dat ‘hij’ de boodschap heeft gesnapt en hij wil zo snel mogelijk uit de buurt weg.
De rechtbank leidt uit vorenstaande omstandigheden af dat geen sprake is geweest van een vriendelijk gesprek en van het vrijwillig afstaan van de Mercedes-bus. Met het Openbaar Ministerie en de verdediging is de rechtbank echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld of dit met geweld of bedreiging van geweld gepaard is gegaan. Op basis van het dossier kan immers niet worden vastgesteld wat er zich tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] heeft afgespeeld. Voorts is het enkel ongevraagd benaderen van [betrokkene 2] onvoldoende om tot een diefstal met geweld te komen. De verdachten dienen derhalve te worden vrijgesproken van dit deel van de tenlastelegging.
Medeplegen?
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is welke rol de verschillende verdachten bij die diefstal hebben gehad en of ze zijn aan te merken als medepleger.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1]
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn blijkens de OVC-gesprekken bij een woning (van vermoedelijk [betrokkene 2] ) aan de deur gegaan, waarbij [medeverdachte 1] de sleutel van de Mercedes-bus heeft gepakt. Vervolgens is [medeverdachte 2] met de Mercedes-bus weggereden.
Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.
[verdachte] en [medeverdachte 3]
[verdachte] en [medeverdachte 3] zijn niet naar de woning van [betrokkene 2] gegaan, maar zijn – in opdracht van [medeverdachte 1] – in de auto achtergebleven, kennelijk met het doel om stand-by te blijven. De sleutel wordt daarbij op de auto gelaten. Al wachtende bespreken [verdachte] en [medeverdachte 3] dat [betrokkene 2] misschien wel andere personen heeft gebeld en dat ze het wel zien als er anderen komen. [verdachte] heeft onderweg al aangegeven dat hij een pistool en pepperspray heeft meegenomen.
De rechtbank leidt uit vorenstaande af dat [verdachte] en [medeverdachte 3] kennelijk (ingeval van [verdachte] : bewapend met pepperspray en een pistool) op de uitkijk stonden en stand-by waren voor het geval er iets mis zou gaan en zij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in dat geval getalsmatig zouden kunnen versterken. Tevens waren zij op de hoogte van het feit dat er een Viano-bus moest worden meegenomen.
De rechtbank acht echter – anders dan de officier van justitie – deze handelingen onvoldoende om te komen tot de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. Er is immers geen sprake van een gezamenlijk uitvoering en de bijdrage van verdachte aan de tenlastegelegde diefstal is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. De rechtbank spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
Wel is de rechtbank van oordeel dat verdachte met zijn handelingen behulpzaam is geweest bij de uitvoering van deze diefstal en daarop ook opzet heeft gehad. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder 2 meest subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan diefstal met een valse sleutel.
Conclusie
De rechtbank verklaart aldus bewezen dat verdachte op 6 november 2014 te ‘s- Hertogenbosch [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opzettelijk behulpzaam is geweest bij de diefstal van een Mercedes-bus middels een onbevoegd gebruikte sleutel (parketnummer 03/702613-15 feit 2 meest subsidiair).”
Het verweer van de verdediging
2.5
Tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 27 januari 2025 heeft de raadsman van de verdachte gepleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnota, die – voor zover hier van belang – inhoudt:

Kader medeplichtigheid
Voor de strafbaarheid van medeplichtigheid gelden drie voorwaarden:
1. de medeplichtige moet opzet hebben op zijn eigen bijdrage en op het misdrijf dat wordt ondersteund. In dit kader is voorwaardelijk opzet voldoende;
2. de medeplichtige moet daadwerkelijk hulp hebben verleend, hetzij voorafgaand aan hetzij tijdens het plegen van het misdrijf;
3. het misdrijf zelf, dan wel een strafbare poging daartoe of strafbare voorbereiding daarvan, moet zijn gevolgd.
Met betrekking tot de tweede voorwaarde geldt dat de verleende hulp niet onontbeerlijk hoeft te zijn voor de uitvoering van het misdrijf (Hoge Raad 7 januari 1918,
W10 225), of daarvan een adequate oorzaak hoeft te zijn (Hoge Raad 8 januari 1985,
NJ1988/6, m.nt. ThWvV). Voldoende is, dat de door de medeplichtige verrichte handeling het misdrijf van de ander daadwerkelijk heeft bevorderd. De Hoge Raad sprak in 1996 van het mogelijk of gemakkelijker maken van het misdrijf van de ander (Hoge Raad 10 juni 1996,
NJ1997/585). Hulp die in het geheel geen betekenis heeft gehad en het misdrijf dus niet heeft bevorderd, valt buiten het bereik van medeplichtigheid (De Hullu,
Materieel strafrecht2021/VII.5.4).
Medeplichtigheid in de onderhavige zaak
De verdediging betwist niet dat op grond van de bewijsmiddelen in het dossier kan worden vastgesteld dat aan de eerste voorwaarde voor medeplichtigheid (dubbel opzet) is voldaan. Wat de verdediging betreft is dit echter anders voor de tweede voorwaarde (het daadwerkelijk hulp verlenen). Ik zal dat toelichten.
Uit de vaststellingen die op grond van het dossier kunnen worden gedaan (en door de rechtbank zijn gedaan), kan ten aanzien van de rol van cliënt blijken dat hij met de medeverdachten naar Den Bosch is gegaan.
In Den Bosch aangekomen, gaf [medeverdachte 1] aan dat het beter was als hij met [medeverdachte 2] zou uitstappen en dat cliënt en ‘ [medeverdachte 4] ’ in de auto zouden blijven zitten, want anders zou ‘hij’ niet naar buiten komen. Toen de motor van het voertuig was uitgeschakeld, vroeg cliënt of hij moest blijven zitten. [medeverdachte 1] gaf aan dat dit het geval was. [medeverdachte 1] liet de sleutel op de auto staan en stapte samen met [medeverdachte 2] uit. 5 minuten daarna bespraken cliënt en ‘ [medeverdachte 4] ’ dat het lang duurde voordat de persoon open deed en dat het wel geregeld zou zijn. ‘ [medeverdachte 4] ’ gaf aan dat de persoon misschien andere mensen had gebeld, waarop cliënt reageerde dat ze het wel zouden zien als er andere mensen zouden komen. 5 minuten hierna gaf cliënt aan dat het lang duurde en dat dat een goed teken was. 13 minuten daarna stapte [medeverdachte 1] terug in de auto. Hij deelde mee dat ‘hij’ de boodschap had gesnapt, waarna rijgeluiden te horen waren. Hierna werd onder andere besproken dat cliënt een plek had waar de Mercedes-Benz kon worden weggezet.
Wat de verdediging betreft, kan niet méér worden vastgesteld dan dat cliënt met de medeverdachten mee is gegaan naar Den Bosch, mogelijk wapens bij zich had, in de auto is blijven zitten en na het wegnemen van de Mercedes-Benz heeft meegedacht over een plek om het voertuig weg te zetten. Wat dat laatste betreft, merkt de verdediging op dat gedragingen die na het misdrijf worden verricht als zodanig geen medeplichtigheid kunnen opleveren. Wat het meegaan naar Den Bosch, het al dan niet meenemen van wapens en het in de auto blijven zitten betreft, merkt de verdediging op dat niet kan worden vastgesteld dat dit het misdrijf van de anderen daadwerkelijk heeft bevorderd. Zo kan – en dat heeft de rechtbank ook overwogen – niet worden vastgesteld wat in de woning van [betrokkene 2] is besproken, zodat evenmin kan worden vastgesteld of de aanwezigheid van cliënt aan [betrokkene 2] is medegedeeld en (dus) eventueel kan hebben bijgedragen aan het feit. Het handelen van cliënt duidt niet op enige bevordering van het feit. In zoverre stelt de verdediging zich op het standpunt dat de gedragingen van cliënt in het geheel geen betekenis hebben gehad en het feit dus niet hebben bevorderd, zodat geen sprake is van medeplichtigheid.
Het Openbaar Ministerie stelt dat cliënt betrokken zou zijn geweest bij de planningsfase. Waaruit blijkt dat er sprake is geweest van een planningsfase? Welke planning is gemaakt? Welke (strafbare) rol zou cliënt in dat geval hebben? Vragen waar op basis van het dossier geen antwoord op kan worden gegeven. Daarnaast zou er een sleutel op de auto hebben gestaan, hetgeen niet met voldoende zekerheid uit het dossier blijkt. Indien dat wel zo is, wat zegt dat over de strafbare rol van cliënt? Die zit gewoon achterin. Het zien of er mensen komen is niet direct het op de uitkijk staan. Uit het dossier blijkt niet dat cliënt op de uitkijk stond en/of moest staan, noch dat er contact was tussen cliënt en de medeverdachten binnen. Sterker nog, ze zeiden tegen elkaar: het duurt lang, wat erop duidt dat er geen contact was.
Daarnaast stelt het Openbaar Ministerie dat de reden dat [verdachte] niet richting het slachtoffer is gegaan niet gelegen is in de afspraak dat hij een kleine rol zou hebben. De reden zou – volgens het Openbaar Ministerie – zijn dat het juist was om het feit mogelijk te maken. Dat is omgekeerde medeplichtigheid zo lijkt het. Dus het juist niet meegaan is volgens het Openbaar Ministerie medeplegen, dat kan ik niet volgen.
Het is vanuit het Openbaar Ministerie veel als als als of het invullen van bepaalde gebeurtenissen, maar dat telt niet altijd in het recht. Zeker niet in dit geval. Het Openbaar Ministerie vult in dat cliënt mee heeft gepland, op de uitkijk stond en getalsmatig zou verstreken, maar dat blijkt niet uit het dossier. Uit het dossier blijkt niet meer dan dat cliënt mee was en in de auto bleef zitten. Dit is geen significante rol die voldoende is voor medeplichtigheid. Alle rollen die het OM cliënt toebedeelt, vinden geen steun in het bewijs. Er wordt van alles ingevuld, maar dat moet wel uit de bewijsmiddelen blijken.
Conclusie
Gelet op het voorgaande, verzoekt de verdediging Uw hof cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde.”
Het juridisch kader
2.6
Art. 48 aanhef Pro en onder 1 Sr luidt:
“Als medeplichtigen van een misdrijf worden gestraft:
1°. zij die opzettelijk behulpzaam zijn bij het plegen van het misdrijf;”
2.7
Art. 49 lid 4 luidt Pro:
“Bij het bepalen van de straf komen alleen die handelingen in aanmerking die de medeplichtige opzettelijk heeft gemakkelijk gemaakt of bevorderd, benevens hun gevolgen.”
2.8
Art. 48 aanhef Pro en onder 1 Sr stelt strafbaar de zogenoemde gelijktijdige of simultane vorm van medeplichtigheid. Dit omvat allerlei vormen van hulp, waaronder het met raad en daad terzijde staan, maar ook het op de uitkijk staan. [2] Medeplichtigheid is alleen strafbaar wanneer het handelen van de verdachte objectief gezien effect heeft gehad, zo komt ook tot uitdrukking in art. 49 lid 4 Sr Pro, dat bepaalt dat alleen de behulpzaamheid die het grondfeit in enigerlei opzicht heeft bevorderd of gemakkelijk gemaakt in aanmerking mag worden genomen bij het bepalen van de straf. [3] Een ‘adequate causale bijdrage’ voor de totstandkoming van het grondfeit is evenwel niet vereist. [4] De hulp van de verdachte hoeft aldus niet van doorslaggevende of substantiële betekenis te zijn. Van effectiviteit kan bijvoorbeeld reeds sprake zijn bij het geruststellen van een dief door op de uitkijk te staan, zodat de dief rustig zijn gang kan gaan. Ook wanneer het uitkijken uiteindelijk overbodig blijkt te zijn, kan die bijdrage als effectief worden beschouwd. Dat kan anders zijn als de dief zich niet bewust was van de hulp van degene die op de uitkijk staat. [5]
De bespreking van het middel
2.9
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij medeplichtig is geweest aan de diefstal van een Mercedes-Benz bus, door – voorzien van pepperspray en een pistool – op de uitkijk te staan om bij onraad te waarschuwen, in een auto stand-by te staan en de plegers getalsmatig te versterken. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van medeplichtigheid. Daartoe is in de kern aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat de verdachte op de uitkijk stond en in contact stond met de medeverdachten die de bus hebben meegenomen, maar slechts dat hij mee is gegaan en in de auto is blijven zitten, en dat niet kan worden gezegd dat hij daarmee de diefstal heeft bevorderd.
2.1
Uit de gebezigde bewijsmiddelen komt het volgende naar voren. De verdachte is samen met de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] naar de woning gereden waar de bus stond geparkeerd. Tijdens de rit naar deze woning zegt de verdachte tegen de medeverdachten dat hij pepperspray en een pistool meegenomen heeft. [medeverdachte 1] stelt voor dat hij en [medeverdachte 2] uitstappen en de verdachte en [medeverdachte 3] blijven zitten, omdat hij (ik begrijp: het slachtoffer) anders niet naar buiten komt. Als ze bij de woning aankomen zegt [medeverdachte 1] tegen de verdachte en [medeverdachte 3] dat zij in de auto stand-by moeten blijven en hij de sleutel op de auto laat staan. Wanneer de verdachte en [medeverdachte 3] bespreken dat het wel lang geduurd heeft voordat het slachtoffer open deed, zegt [medeverdachte 3] dat hij misschien andere mensen heeft gebeld. De verdachte reageert daarop met: “We zien het wel als andere mensen komen.”
2.11
In het door het hof bevestigde vonnis heeft de rechtbank daaruit afgeleid dat de verdachte – bewapend met pepperspray en een pistool – en [medeverdachte 3] kennelijk op de uitkijk stonden en stand-by waren voor het geval er iets mis zou gaan en zij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in dat geval getalsmatig zouden kunnen versterken. Die redenering kan ik goed volgen, gelet op de inhoud van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen en kan, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet verder worden getoetst. Tegen die achtergrond heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat de verdachte met dit op de uitkijk staan en stand-by staan behulpzaam is geweest bij de uitvoering van de diefstal van de bus en aldus medeplichtig is daaraan. Dat – door het hof bevestigde – oordeel getuigt, in het licht van het hiervoor geschetste juridische kader, niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt mij niet onbegrijpelijk voor. In dat oordeel liggen ook genoegzaam besloten de redenen voor afwijking van het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging als bedoeld in art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv dat geen sprake is van medeplichtigheid.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.In de zaken 25/01200, 25/01198 en 25/01280 zijn geen middelen ingediend en is het cassatieberoep om die reden reeds niet-ontvankelijk verklaard.
2.J. de Hullu en P.H.P.H.M.C. van Kempen,
3.Zie HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2629,
4.HR 8 januari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC0142,
5.De Hullu en Van Kempen,