Conclusie
1.Inleiding
2.Het middel
Zaakdossier 2: Afpersing [betrokkene 2]
OVC-gesprekkenopgenomen:
peilbakenaangebracht in de auto Opel Vectra van [medeverdachte 1] is dit voertuig op donderdag 6 november 2014 van 14.59 tot 15.25 uur stationair op de [a-straat] te [plaats] . Dit betreft het GBA adres van [betrokkene 2] .
sms-berichtvan [telefoonnummer 1] op naam van [bedrijf 1] te [plaats] , inhoudende: ‘Hallo, ik hoor net van [betrokkene 2] dat jullie mijn bus hebben meegenomen, maar zo werkt dat niet jongens’.
telefoongesprekplaats tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 1] , gebruiker telefoonaansluiting [telefoonnummer 1] , onder andere inhoudende:
OVC-gesprekmet [betrokkene 3] opgenomen:
politieheeft ook onderzoek gedaan naar welke auto het betreft en komt op basis van een verklaring van [betrokkene 1] d.d. 22 januari 2012 dat hij een grijze Mercedes Vivano heeft (opmerking rechtbank: bedoeld zal zijn Viano), een OVC-gesprek op 14 april 2015 van [medeverdachte 2] en het aantreffen van [betrokkene 2] bij een verkeerscontrole van 23 augustus 2014 in deze auto, tot de conclusie dat het een Mercedes Benz Viano met het kenteken [kenteken 1] betreft. Uit nader onderzoek blijkt dat de kleur van deze auto briljant-zilver metallic is. Voorts wordt gerelateerd dat de Mercedes-Benz type Viano en de Mercedes-Benz type Vito uiterlijk identiek zijn, doch het interieur verschillend is.
Kader medeplichtigheid
W10 225), of daarvan een adequate oorzaak hoeft te zijn (Hoge Raad 8 januari 1985,
NJ1988/6, m.nt. ThWvV). Voldoende is, dat de door de medeplichtige verrichte handeling het misdrijf van de ander daadwerkelijk heeft bevorderd. De Hoge Raad sprak in 1996 van het mogelijk of gemakkelijker maken van het misdrijf van de ander (Hoge Raad 10 juni 1996,
NJ1997/585). Hulp die in het geheel geen betekenis heeft gehad en het misdrijf dus niet heeft bevorderd, valt buiten het bereik van medeplichtigheid (De Hullu,
Materieel strafrecht2021/VII.5.4).