Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:474

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
8 mei 2026
Zaaknummer
24/01863
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 420bis SrArt. 81 lid 1 ROArt. 9 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen witwassen Mercedes na liquidatie vriend

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van witwassen en het plegen van witwassen als gewoonte, met een gevangenisstraf van zeven maanden, waarvan vier voorwaardelijk. De zaak betreft het gebruik en bezit van een Mercedes Benz die afkomstig was uit criminele activiteiten van haar overleden vriend, die was geliquideerd.

De verdachte reisde meerdere keren naar Ibiza, waar de Mercedes geparkeerd stond, en haalde de auto op na de liquidatie van haar vriend. Het hof oordeelde dat zij feitelijke zeggenschap had over de auto en deze gebruikte, en dat sprake was van bewuste en nauwe samenwerking met anderen, waaronder een medeverdachte en een vriend van de weduwe van het slachtoffer.

In cassatie werden vier middelen aangevoerd, waaronder klachten over het niet horen van de garagehouder, het bewijs van medeplegen en opzet, het rechtsgevolg van termijnoverschrijding en overschrijding van de inzendtermijn. De Hoge Raad concludeert dat het hof de verklaring van de garagehouder niet voor het bewijs heeft gebruikt, dat het bewijs voor medeplegen en opzet toereikend is, en dat de strafmatiging wegens termijnoverschrijding begrijpelijk is. De overschrijding van de inzendtermijn leidt niet tot cassatie. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling voor medeplegen witwassen bevestigd met strafmatiging wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01863
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 1 mei 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23002226-20) [1] wegens 1. “medeplegen van witwassen” en 2. “van het plegen van witwassen een gewoonte maken”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft hof beslissingen genomen ten aanzien van inbeslaggenomen voorwerpen op de wijze zoals nader in het arrest vermeld.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 25/02892. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte [2] en J. Kuijper, advocaat in Amsterdam , heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
Naar het hof heeft vastgesteld heeft zich in de onderhavige zaak het volgende voorgedaan. Op 27 juni 2017 is de verdachte naar Ibiza gevlogen. Twee dagen later, op 29 juni 2017, is zij samen met haar goede vriend [medeverdachte 1] vanuit Ibiza terug naar Nederland gevlogen. Zij waren naar het vliegveld gereden met de Mercedes Benz van deze [medeverdachte 1] , die bij de nabijgelegen garage ‘ [A] ’ werd geparkeerd. Daar zou het voertuig van 29 juni 2017 tot 24 juli 2017 blijven staan. Binnen die periode, op 7 juli 2017, werd [medeverdachte 1] echter doodgeschoten op een parkeerplaats in Breukelen .
2.2
Twee weken na de dood van [medeverdachte 1] , op 23 juli 2017, is de verdachte opnieuw naar Ibiza gevlogen. Zij is toen samen met ene [medeverdachte 2] , die al in Ibiza was, naar de ‘ [A] ’ gegaan, waar de Mercedes van [medeverdachte 1] is opgehaald. Volgens het hof had de verdachte daarbij een cruciale rol: zij moest haar gezicht laten zien om het voertuig mee te krijgen, omdat zij, naast [medeverdachte 1] , als enige aanwezig was bij het parkeren van de Mercedes op 29 juni 2017. De verdachte ontkent die rol, maar is niettemin veroordeeld voor het onder 1 tenlastegelegde witwassen van de Mercedes.
2.3
In cassatie wordt geklaagd over de afwijzing van het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van de garagehouder (middel 1), over het medeplegen en het opzet van het onder 1 bewezenverklaarde witwassen (middel 2), over het rechtsgevolg dat het hof heeft verbonden aan de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg (middel 3) en over overschrijding van de inzendtermijn in de cassatiefase (middel 4). Alvorens ik de middelen bespreek, geef ik, met het oog op het eerste en tweede middel, de bewezenverklaring van feit 1 en de daartoe relevante delen van het PROMIS-arrest van het hof weer.
3.
De bewezenverklaring en de uit de bewijsmiddelen voortvloeiende feiten en omstandigheden
3.1
Ten laste van de verdachte is door het hof onder 1 bewezenverklaard dat:
“zij in de periode van 7 juli 2017 tot en met 24 juli 2017 in Nederland en Spanje,
tezamen en in vereniging met anderen een voorwerp, te weten:
- een Mercedes Benz E63 AMG S4Matic Limousine, met [chassisnummer] met tijdelijk [kenteken 1] ,
heeft verworven en voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt,
terwijl zij en haar mededaders wisten dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - geheel of gedeeltelijk (mede) afkomstig was uit enig misdrijf”
3.2
Deze bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen waarnaar wordt verwezen in de voetnoten van het PROMIS-arrest van het hof, dat voor wat betreft de vastgestelde feiten en omstandigheden het volgende inhoudt (met weglating van voetnoten):

Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op basis van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast.
Uit de politieregistratiesystemen volgt dat [medeverdachte 1] vanaf 2011 contacten had met vele personen die crimineel actief zijn (geweest). Sommige van deze personen zijn een gewelddadige dood gestorven. Ook is regelmatig sprake geweest van doodsbedreigingen van [medeverdachte 1] . Op 26 juni 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen de politie en [medeverdachte 1] waarin werd meegedeeld dat er een dreiging op zijn leven was. Op 9 april 2017 heeft [medeverdachte 1] de politiemeldkamer gebeld vanwege een verdachte situatie waarbij hij aangaf dat hem eerder door de recherche verteld was dat er een dreiging op zijn leven was en hij mogelijk geliquideerd ging worden. [medeverdachte 1] komt voor in 38 rechercheonderzoeken, waaronder liquidatie-onderzoeken. Voor zijn overlijden was er een onderzoek terzake van witwassen op hem gestart en uit dat onderzoek is de verdenking ontstaan dat hij zich bezig heeft gehouden met het plegen van diverse misdrijven waar hij kennelijk (veel) geld mee verdiende. Bij onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte 1] zijn geen transacties, gevonden die duiden op een inkomen. [medeverdachte 1] is veroordeeld voor onder meer wederrechtelijke vrijheidsberoving, openlijke geweldpleging, overtreding van de Wet wapens en munitie, bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, oplichting en witwassen.
Op 7 juli 2017 is [medeverdachte 1] doodgeschoten op een parkeerplaats in Breukelen . De gewelddadige wijze waarop [medeverdachte 1] om het leven is gebracht, doet vermoeden dat sprake is geweest van een afrekening in het criminele milieu. In diverse media werd melding gemaakt van de liquidatie van de “Amsterdamse beroepscrimineel” [medeverdachte 1] .
Tijdens het onderzoek naar de ‘afhandeling’ van de erfenis van [medeverdachte 1] is onder andere de verdachte, een vriendin van [medeverdachte 1] , in beeld gekomen. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een Apple Macbook inbeslaggenomen. Uit onderzoek naar de browserhistorie is gebleken dat op 8 juli 2017 - enkele uren na de dood van [medeverdachte 1] - de volgende artikelen zijn bekeken:
(i) www.crimesite.nl/amsterdammer-doodgeschoten- breukelen /;
(ii) www.crimesite.nl/onderzoek-moordpoging-belserang-gestrand/;
(iii) www.parool.nl/binnenland/amsterdamse-crimineel- [medeverdachte 1] - [medeverdachte 1] -geliquideerd-in- breukelen ;
(iv) www.daishadewijs.nl/praten-met-geliquideerde-criminelen/.
In het artikel in Het Parool stond onder andere over [medeverdachte 1] dat hij was gewaarschuwd dat hij gevaar liep te worden vermoord, dat hij onlangs - samen met andere in [plaats] actieve criminelen - een partij van ongeveer 400 kilogram cocaïne zou hebben ‘geript’ (gestolen) en dat hij vermoedelijk betrokken was bij een poging de leider van motorclub [C] te liquideren. Verder blijkt dat de verdachte op 9 juli 2017 chatcontact had met een goede vriendin van haar, [betrokkene 2] . Het gaat over de speech die de verdachte eventueel zou houden op de begrafenis van [medeverdachte 1] . [betrokkene 2] zegt tegen de verdachte:
"Zeg ook dat je hem dankbaar bent dat hij je in vertrouwen nam want dat is hetgeen, wat een vriendschap maakt".Verder heeft de verdachte op 10 juli 2017 chatcontact met haar moeder, [betrokkene 1] , over [medeverdachte 1] . Haar moeder schrijft:
" [naam 1] , hij is veilig nu. Nu pas kan niemand hem ooit nog kwaad doen".De verdachte schrijft:
"Hij zag er de laatste paar maanden ook heel ongelukkig uit".Haar moeder schrijft
: "Dat was angst".De verdachte schrijft:
"In Spanje werd hij ook een beetje emo toen ik hem vroeg".Haar moeder schrijft:
"Maar hij deed stoer".
Op 7 juli 2017 is de woning van [medeverdachte 1] aan de [a-straat 1] in [plaats] doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is onder andere een factuur met bijlagen aangetroffen die betrekking heeft op de aankoop van een Mercedes. De factuur met betrekking tot de Mercedes is gericht aan [medeverdachte 1] en dateert van 17 mei 2017. Het gaat om een witte Mercedes Benz E63 AMG S4Matic Limousine, met [chassisnummer] (hierna: de Mercedes). De aanschafwaarde van de Mercedes is € 122.000,00. Uit een uitdraai van 10 juli 2017 van een zoekopdracht in verschillende registers volgt dat de Mercedes tijdelijk het Duitse [kenteken 1] had en dat [medeverdachte 1] de kentekenhouder was. De Spaanse autoriteiten hebben de Mercedes in Cadiz aangetroffen voorzien van valse kentekenplaten, dit betreft het [kenteken 2] .
Tijdens onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 1] is een berichtenwisseling aangetroffen over het parkeren van een auto in een garage op Ibiza (Spanje). De auto zou geparkeerd worden van 29 juni 2017 tot 24 juli 2017. Op hef adres dat ‘ [B] ’ aan [medeverdachte 1] heeft gestuurd, is autoverhuurbedrijf [A] gevestigd. Uit de historische vluchtgegevens van Transavia volgt dat de verdachte op 27 juni 2017 van Nederland naar Ibiza is gevlogen. Op 29 juni 2017 is zij op dezelfde vlucht als [medeverdachte 1] terug naar Nederland gevlogen. Verder is gebleken dat zij op 23 juli 2017 wederom naar Ibiza is gevlogen. Volgens de vluchtgegevens zou zij om 08.35 uur landen op Ibiza. Op 24 juli 2017 is de verdachte om 10.15 uur van [plaats] naar [plaats] gevlogen.
[medeverdachte 2] heeft als getuige tegenover de raadsheer-commissaris verklaard dat hij van [betrokkene 3] (
het hof begrijpt steeds: [betrokkene 3] ; de weduwe van [medeverdachte 1]) heeft gehoord dat [medeverdachte 1] (
het hof begrijpt steeds: [medeverdachte 1]) en [verdachte] (
het hof begrijpt steeds: de verdachte) samen de Mercedes hebben geparkeerd bij een parkeergarage in de buurt van de luchthaven (op Ibiza). Na het overlijden van [medeverdachte 1] begreep [medeverdachte 2] van [betrokkene 3] dat zij de auto naar het Spaanse vasteland gebracht wilde hebben, maar dat zij de auto niet meekreeg. De eigenaar van de garage wilde de auto alleen meegeven aan degene die er het laatst met [medeverdachte 1] bij was en dat was de verdachte. Op 23 juli 2017 was [medeverdachte 2] al op Ibiza toen de verdachte hem vroeg haar te vergezellen bij het ophalen van de Mercedes. [medeverdachte 2] wist niet waar deze auto stond. De verdachte kreeg de auto mee nadat zij in gesprek was geweest met de man van de garage en haar telefoon aan, hem liet zien. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen met de ferry naar het vasteland van Spanje gereisd. [medeverdachte 2] weet niet meer zeker of [verdachte] de overtocht heeft betaald. [medeverdachte 2] is samen met de verdachte naar zijn huis in [plaats] gereden en heeft het merendeel van deze rit voor zijn rekening genomen (als bestuurder). De broer van [medeverdachte 2] heeft samen met de verdachte de auto naar het vliegveld van [plaats] gereden.
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer in gebruik bij de verdachte volgt dat zij na de dood van [medeverdachte 1] meermalen contact heeft gehad met een telefoonnummer in gebruik bij [betrokkene 4] , een goede vriend van [medeverdachte 1] . Vooral op 21 en 22 juli 2017 hebben zij veel contact. Ook is gebleken dat de verdachte op 22 juli 2017 omstreeks 13.37 uur gebeld werd door een telefoonnummer in gebruik bij [A] . Dat gesprek duurde 328 seconden. Meteen daarna, omstreeks 13.43 uur, heeft de verdachte het telefoonnummer van [betrokkene 4] gebeld. Ook zijn op de telefoon van de verdachte foto’s en afbeeldingen aangetroffen van Google Maps, gemaakt op 23 en 24 juli 2017 tussen 21.04 uur en 03.25 uur. De afbeeldingen geven de route […] aan. Die route gaat langs de oostkust van Spanje. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat een vriend van [betrokkene 3] in telefonisch contact stond met de verdachte om te vertellen wat zij moest doen.
Op 24 juli 2017 is heimelijk een gesprek opgenomen dat werd gevoerd door [betrokkene 3] en [betrokkene 4] in een broodjeszaak in [plaats] . In dat gesprek heeft [betrokkene 4] onder meer het volgende gezegd
: "Ik heb nog geen prijs... hij heeft mij gezegd... Ik vertrouw die gasten niet, laat die waggie gewoon naar [plaats] komen, dan geef je gewoon wat die waggie kost, dan geef je gewoon wat die waard is. Snap je.. Dan zeggen hun allemaal nee, dit, we willen die waggie verkopen nu... (...) Die waggie is nu naar [plaats] , met een hoop geklaag, maar ze zeggen ze willen helpen. Die waggie moest op de boot. Weet je wie die 300 heeft betaald? [verdachte] . (...) "Ik heb geen geld bij me. Betaal jij even." Dan weet je toch al met wat voor intentie hij komt. "Jij komt met die intentie dat je die auto voor een prikje wilt.” Je hebt die auto gezien toch, je was daar? (...) Hij komt echt alsof hij die auto voor een prikkie wilt. Ik ben die auto met hem gaan halen in..ntv… begrijp je. (…) Ik zeg tegen [verdachte] , ze moeten met mij praten, niet met jou. Ze moeten niet bij jou klagen, ze moeten bij mij klagen. (...) Ze moeten ook mij hebben. Hij weet dat hij die auto gaat krijgen. Ik heb een afspraak met hem gemaakt. Jullie willen helpen, verplaats die auto voor mij (...) Is goed, verplaats die auto maar. Jij bepaalt niet waar. Ik zeg je naar waar die auto naar toe gaat. (...) Die waggie is al verkocht. Het is naar [naam 2] (fon) gegaan. (...) Ja maar het staat niet op [medeverdachte 1] zijn naam. Het staat op zijn naam. Eén of andere bedrijfsnaam ofzo... Het staat niet op zijn naam. (...) Als jij die auto gewoon verkoopt en die auto is 125 waard. (...) [verdachte] heeft die auto meegekregen omdat die man d’r herkende, snap je. (...) Je kan nu rekenen op minimaal nog een ton, van die waggie, toch? (...) Maar ik zei wel tegen [verdachte] , ik zeg, je weet toch, respect voor je dat je zo vroeg bent gegaan. Ze zegt ja schat, ik heb het gedaan voor [medeverdachte 1] en zijn gezin ik heb het voor [betrokkene 3] en de kids gedaan (...) Ik zei haar ook, het is goed dat je bent gegaan, want je bent de enige die kon gaan."
(…)
De verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] al vier jaar haar beste vriend was. Verder heeft zij verklaard dat zij op Ibiza met [medeverdachte 1] in de Mercedes heeft gereden en dat zij haar tas daarin heeft laten liggen toen zij met [medeverdachte 1] de Mercedes naar de garage bracht. Omdat zij wist waar de garage (
het hof begrijpt: [A]) was en omdat haar tas nog in de Mercedes lag, is zij naar Ibiza gevlogen en heeft zij de dag daarvoor telefonisch contact gehad met de garagehouder. Ook heeft zij verklaard dat zij de kosten van de overtocht van de auto naar het vasteland van Spanje heeft betaald en dat zij in de Mercedes een lift kreeg naar [plaats] . (…). De verdachte heeft met betrekking tot feit 1 ontkend dat zij de persoon was die de auto mee zou kunnen krijgen - zij heeft buiten de garage op [medeverdachte 2] gewacht, heeft niet met de garagehouder gesproken en niet als bestuurder in de auto gereden. Zij wist niet dat [medeverdachte 1] zich in het criminele milieu begaf en dacht dat hij zijn geld verdiende met het organiseren van feesten. (…).”

4.Het eerste middel

4.1
Het middel heeft betrekking op feit 1 en klaagt dat de afwijzing van het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van de garagehouder van ‘ [A] ’, althans het gebruik van de door deze getuige afgelegde verklaring voor het bewijs, niet verenigbaar is met het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
Het procesverloop in hoger beroep
4.2
De verdediging heeft bij appelmemorie van 19 oktober 2020 (onder meer) verzocht om “de eigenaren/garagehouder van het bedrijf [A] op Ibiza" te horen. Dat verzoek is op de regiezitting van 29 juni 2021 door het hof als volgt afgewezen:
“- het hof
wijst toede verzoeken tot het horen van de getuigen [betrokkene 4] , [medeverdachte 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 1] en [betrokkene 5] ;
- het hof
wijst afde overige getuigenverzoeken, omdat de punten waarover deze getuigen kunnen verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing. Deze getuigen kunnen slechts verklaren over wat zij van anderen hebben gehoord over de relevante feiten. Deze getuigen kunnen hierover echter niets uit eigen wetenschap verklaren. Mede in het licht van de wel toegewezen verzoeken valt redelijkerwijs aan te nemen dat de verdachte door deze beslissing niet in haar verdediging wordt geschaad.”
4.3
Blijkens de ter terechtzitting van 17 april 2024 overgelegde pleitnota heeft de raadsman dit getuigenverzoek aldaar in voorwaardelijke vorm herhaald. Het hof heeft dat verzoek wederom afgewezen en daartoe overwogen dat het de verklaring van de betreffende garagehouder niet voor het bewijs gebruikt:
“Voorwaardelijk verzoek
De raadsman heeft een (voorwaardelijk) verzoek gedaan tot het horen als getuige van de garagehouder op Ibiza (…) als het hof tot een bewezenverklaring komt van feit 1.
Nu aan de gestelde voorwaarde is voldaan, komt het hof toe aan beoordeling van dit verzoek. Het hof wijst het voorwaardelijk verzoek van de raadsman tot het horen van de garagehouder af. Het horen van de garagehouder is niet noodzakelijk, omdat het hof zijn verklaring niet voor het bewijs gebruikt.”
4.4
Het hof heeft in het bestreden arrest verder nog het volgende overwogen:

Beoordeling
Feit 1: medeplegen van witwassen van de Mercedes
Witwashandelingen
Het hof is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte de Mercedes heeft verworven, voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt.
De termen “verwerven” en “voorhanden hebben” veronderstellen feitelijke zeggenschap ten aanzien van het voorwerp, waarbij niet is vereist dat het voorwerp zich in de fysieke nabijheid bevindt. Bij “gebruikmaken” gaat het om het op een of andere wijze aanwenden van het betrokken voorwerp ten behoeve van de witwasser zelf of ten behoeve van derden.
Het hof stelt op basis van de voorgaande feiten en omstandigheden het volgende vast.
- De verdachte heeft de Mercedes op 29 juni 2017 samen met [medeverdachte 1] in de garage van [A] geparkeerd.
- Op 22 juli 2017 heeft de verdachte telefonisch contact gehad met deze garage.
- Op 23 juli 2017 is de verdachte naar Ibiza gevlogen en heeft toen [A] aan [medeverdachte 2] aangewezen en is met [medeverdachte 2] in de Mercedes weggereden, met [medeverdachte 2] als bestuurder.
- Vervolgens heeft de verdachte, deels samen met [medeverdachte 2] , op 23 en 24 juli 2017 met de Mercedes een route afgelegd langs de oostkust van Spanje en is de verdachte op 24 juli 2017 van [plaats] naar [plaats] gevlogen.
Het hof legt de verklaring van de verdachte, dat zij buiten de garage op [medeverdachte 2] heeft gewacht en niet met de garagehouder heeft gesproken, als ongeloofwaardig terzijde. Daartoe is het volgende redengevend. De fysieke aanwezigheid van de verdachte op 23 juli 2017 was noodzakelijk om de Mercedes van de garagehouder mee te krijgen, omdat de verdachte, naast [medeverdachte 1] , als enige aanwezig was bij het parkeren van de Mercedes in [A] . Zij was dus niet - of niet alleen - met [medeverdachte 2] mee om de garage aan te wijzen en haar tas te pakken. De verdachte was vooral ter plaatse om haar gezicht te laten zien. Dit blijkt onder meer uit wat [betrokkene 4] op 24 juli 2017 tegen [betrokkene 3] heeft gezegd:
“ [verdachte][het hof begrijpt: de verdachte]
heeft die auto meegekregen omdat die man d’r herkende"en
"Ik zei haar ook, het is goed dat je bent gegaan, want je bent de enige die kon gaan".In diezelfde lijn heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de eigenaar van de garage de auto alleen wilde meegeven aan degene die er het laatst met [medeverdachte 1] bij was, te weten de verdachte.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte feitelijke zeggenschap heeft gehad ten aanzien van de Mercedes en deze auto aldus heeft verworven en voorhanden heeft gehad. Dat zij niet de rechthebbende op de auto was, doet daar niet aan af. Ook is het hof van oordeel dat de verdachte gebruik heeft gemaakt van de Mercedes door (zich) erin te (laten) rijden van de garage op Ibiza naar het vliegveld bij [plaats] . Of de verdachte (een deel van) deze rit zelf heeft gereden of enkel bijrijder was, is daarbij niet relevant. Het hof verwerpt dan ook het verweer van de raadsman dat de verdachte geen enkele witwashandeling ten aanzien van de Mercedes heeft verricht.
Anders dan de advocaat-generaal, is het hof van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte met het opzet handelde om de Mercedes aan het zicht van politie en justitie te onttrekken en/of te verhullen wie de rechthebbende op de auto was, nu niet onaannemelijk is dat de verdachte handelde met het enkele doel de Mercedes terug te brengen naar de weduwe en kinderen van [medeverdachte 1] . De verdachte zal daarom van het tenlastegelegde verhullen/verbergen worden vrijgesproken.”
4.5
De toelichting op het middel houdt onder meer in dat het hof (wel degelijk) gebruik heeft gemaakt van de verklaring van de eigenaar van de garage. Weliswaar heeft het hof “bij de vaststelling dat de fysieke aanwezigheid van de verdachte op 23 juli 2017 noodzakelijk was om de Mercedes van de garagehouder mee te krijgen niet expliciet de daarop betrekking hebbende verklaring van de garagehouder als bewijsmiddel genoemd, maar het vat die verklaring in de overwegingen wel samen terwijl het niet ook een ander bewijsmiddel noemt waaruit die door het hof vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen blijken.” De verklaringen van [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] die het hof in dat verband noemt, zijn daartoe niet toereikend, aldus de steller van het middel. En al zou moeten worden geoordeeld dat het hof de verklaring van de garagehouder niet direct voor het bewijs heeft gebezigd, zo vervolgt zij, dan is van indirect gebruik daarvan sprake. Immers, voornoemde verklaringen van [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] “[kunnen] op niets anders gebaseerd zijn dan wat de garagehouder te kennen zou hebben gegeven.” De belastende verklaring van de garagehouder zou daarom “als
de auditu-verklaring alsnog ondersteunend [zijn] voor het veroordelend arrest van het hof.”
Het juridisch kader
4.6
In zijn uitspraak van 14 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1253 (post-Keskin) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
“2.9.2 De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in bepaalde gevallen het belang bij het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. Dat is aan de orde als het verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt.
(…)
Beoordeling van de ‘overall fairness’ van de procedure
2.12.1
De voor het Nederlandse stelsel kenmerkende omstandigheid dat de rechter in de loop van het strafproces beslissingen neemt over het oproepen en horen van getuigen, is niet alleen van betekenis bij de beoordeling van getuigenverzoeken, maar ook bij de eindbeoordeling van de zaak. Zoals in het onder 2.2 genoemde arrest van 4 juli 2017 is overwogen, moet de rechter voordat hij einduitspraak doet, nagaan of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Zo nodig zal hij hetzij ambtshalve alsnog overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), hetzij bij zijn beslissing over de bewezenverklaring onder ogen moeten zien of en zo ja, welke gevolgen moeten worden verbonden aan de omstandigheid dat de verdediging, ondanks het nodige initiatief daartoe, geen gebruik heeft kunnen maken van de mogelijkheid om de relevante getuige(n) in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen.
2.12.2
Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het EHRM deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn (i) de reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend met betrekking tot een getuige van wie de verklaring voor het bewijs wordt gebruikt, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragingsgelegenheid. Deze beoordelingsfactoren moeten daarbij in onderling verband worden beschouwd. Naarmate het gewicht van de verklaring groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. Dit betekent dat met name in gevallen waarin niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen zonder dat die in beslissende mate zal steunen op de verklaring van de getuige, terwijl de verdediging het nodige initiatief heeft getoond om het ondervragingsrecht te kunnen uitoefenen en een goede reden ontbreekt om de getuige niet te horen, de rechter (alsnog) zal moeten overgaan tot het oproepen en horen van die getuige, althans nog zal moeten doen wat redelijkerwijs mogelijk is om de verdediging de gelegenheid te bieden tot uitoefening van het ondervragingsrecht.
Als de uitoefening van het ondervragingsrecht niet wordt gerealiseerd, moet de rechter onderzoeken of voldoende compenserende factoren hebben bestaan voor de door de verdediging ondervonden beperkingen bij het onderzoek naar de betrouwbaarheid van de verklaring van de getuige, waarmee ook de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing wordt gewaarborgd. Als de rechter oordeelt dat (vooralsnog) onvoldoende compenserende factoren hebben bestaan, onderzoekt hij of daartoe alsnog stappen kunnen worden gezet. Het gaat er daarbij in de kern om dat de rechter de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige zorgvuldig onderzoekt, een en ander in samenhang met het overige bewijsmateriaal en in het licht van de betwisting door de verdachte van die verklaring. Van belang daarbij kunnen zijn verklaringen van personen tegenover wie de getuige – kort na de gebeurtenissen waar het om gaat – zijn of haar verhaal heeft gedaan of die anderszins feiten en omstandigheden waarop de getuigenverklaring ziet, kunnen bevestigen. Het kan onder omstandigheden ook gaan om verklaringen van deskundigen die de totstandkoming en de betrouwbaarheid van de verklaring van de niet-ondervraagde getuige dan wel de persoon van die getuige aan een onderzoek hebben onderworpen. Verder kan compensatie betrekking hebben op procedurele waarborgen zoals de beschikbaarheid van een audiovisuele vastlegging van het verhoor van de getuige of het ondervragen van de zojuist genoemde personen of deskundigen. In dit verband kan ook van belang zijn dat de verdediging wel een beperkte mogelijkheid heeft gehad om vragen te (doen) stellen aan de getuige.
2.12.3
De toetsing in cassatie kan gericht zijn op de vraag of de beslissing het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘the overall fairness of the trial’. Bij deze beoordeling kan van belang zijn of de feitenrechter zijn oordeel dat dit het geval is, (nader) heeft gemotiveerd.
Verder heeft wat hiervoor onder 2.12.2 is overwogen ook betekenis voor de toetsing in cassatie van klachten die zich specifiek richten tegen een beslissing tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd. Het belang bij de betreffende cassatieklacht kan ontbreken als de procedure in haar geheel – ondanks de afwijzing van het verzoek tot het horen en oproepen van die getuige – voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Het ligt daarom in de rede dat, als een dergelijke klacht wordt aangevoerd, de schriftuur een toelichting bevat dat en waarom de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden.
4.7
Uit deze rechtspraak volgt dat de beslissing (a) tot afwijzing van een verzoek tot het oproepen en horen van een getuige die een belastende verklaring heeft afgelegd, moet worden onderscheiden van de beslissing (b) om het tenlastegelegde mede op grond van een verklaring van een niet-ondervraagde getuige bewezen te verklaren in overeenstemming is met het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces.
4.8
Voor de (toetsing in cassatie van de) onder (a) genoemde beslissing is van belang dat de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin tot gevolg heeft dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. De enkele omstandigheid dat de beslissing van het hof met dit kader niet in overeenstemming is of zou zijn, maakt echter op zichzelf nog niet dat de procedure als geheel niet voldoet aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Daarvan kan pas sprake zijn als het hof de verklaring van de betreffende niet-ondervraagde getuige voor het bewijs gebruikt en de onder 4.6 (rechtsoverweging 2.12.2) weergegeven toets tot die conclusie noopt. Gebruikt het hof die belastende verklaring niet voor het bewijs, dan kan de omstandigheid dat een behoorlijke en effectieve uitoefening van het ondervragingsrecht ten aanzien van die getuige heeft ontbroken aan het door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces niet in de weg staan.
De beoordeling van het middel
4.9
Aan haar standpunt dat het hof de verklaring van de garagehouder – anders dan het hof heeft overwogen (zie randnr. 4.3) – (wel degelijk) voor het bewijs heeft gebruikt, heeft de steller van het middel ten grondslag gelegd dat het hof die verklaring in zijn overwegingen “samen[vat]”. Daarin volg ik de steller van het middel niet, gelet op het volgende.
4.1
Het hof heeft overwogen dat i) de verdachte, naast [medeverdachte 1] , als enige aanwezig was bij het parkeren van de Mercedes in [A] , dat ii) uit heimelijk opgenomen communicatie blijkt dat [betrokkene 4] op 24 juli 2017 tegen [betrokkene 3] heeft gezegd dat de verdachte de auto heeft meegekregen omdat “die man” haar kende en dat het goed is dat de verdachte is gegaan, omdat zij de enige was die kon gaan, en dat iii) [medeverdachte 2] als getuige tegenover de raadsheercommissaris heeft verklaard dat hij van [betrokkene 3] heeft begrepen dat laatstgenoemde de auto naar het Spaanse vaste land gebracht wilde hebben, maar dat zij de auto niet meekreeg. “De eigenaar van de garage wilde de auto alleen meegeven aan degene die er het laatst met [medeverdachte 1] bij was en dat was de verdachte”, zo vervolgt het hof de weergave van de verklaring van [medeverdachte 2] . Het hof heeft op basis van deze vaststellingen geoordeeld – en dat betreft dus geen ‘samenvatting’ van hetgeen de garagehouder heeft verklaard – dat de fysieke aanwezigheid van de verdachte op 23 juli 2017 noodzakelijk was om de Mercedes van de garagehouder mee te krijgen en dat de verdachte (dus) (vooral) ter plaatse was om haar gezicht te laten zien. Anders dan de steller van het middel meent, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk.
4.11
In haar standpunt dat de hierboven genoemde verklaringen van [betrokkene 4] en [medeverdachte 2] “op niets anders gebaseerd kunnen zijn dan wat de garagehouder te kennen zou hebben gegeven” volg ik de steller van het middel evenmin. Waarom dit het geval zou zijn wordt in de schriftuur niet nader onderbouwd. Bovendien verwijst [medeverdachte 2] in zijn verklaring naar hetgeen hij “van [betrokkene 3] ” heeft gehoord en begrepen. Als deze verklaring van [medeverdachte 2] dus al een ‘de auditu’verklaring betreft – de vraag of het ‘Keskin-kader’ ook op dergelijke verklaringen dient te worden toepast nog daargelaten – dan wijst deze in de richting van [betrokkene 3] als bron van die verklaring (en dus niet op de garagehouder).
4.12
Nu het hof de (door de steller van het middel als belastend aangemerkte) verklaring van de garagehouder direct noch indirect voor het bewijs heeft gebruikt, de schriftuur geen (nadere) toelichting bevat dat en waarom de afwijzing van het verzoek tot het horen van de garagehouder tot gevolg heeft dat het recht op een eerlijk proces is geschonden en ik voor een dergelijke conclusie ook zelf geen aanleiding zie, ontbreekt het belang bij de klacht.
4.13
Voor zover in de schriftuur nog wordt aangevoerd dat de garagehouder “[kan] bevestigen dat verzoekster op 23 juli 2021 met een man bij de garage kwam ( [betrokkene 6] ) en dat de Mercedes aan die man was weggegeven en die man met de Mercedes is weggereden” en dat de afwijzing van het getuigenverzoek op de terechtzitting van 29 juni 2021 ook om die reden onbegrijpelijk en/of ontoereikend gemotiveerd is, geldt dat deze lezing niet strijdig is met de vaststellingen van het hof. Die onderbouwing van het getuigenverzoek tast de begrijpelijkheid van ’s hofs oordeel dat “de punten waarover deze getuigen [waaronder de garagehouder, MvW] kunnen verklaren in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in deze strafzaak te nemen beslissing” dan ook geenszins aan. Dat het hof in dat kader ook nog heeft overwogen dat de betreffende getuige niets uit eigen wetenschap kan verklaren, doet daaraan, wat daarvan ook zij, niet af.

5.Het tweede middel

5.1
Het middel heeft betrekking op feit 1 en valt in twee deelklachten uiteen.
5.2
De
eerste deelklachthoudt in dat het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen niet uit de bewijsvoering kan volgen.
5.3
Het hof heeft over het onder 1 bewezenverklaarde medeplegen het volgende overwogen:
“Medeplegen
Het hof is van oordeel dat bewezen is dat de verdachte de Mercedes tezamen en in vereniging met anderen heeft witgewassen. Het criterium voor medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking. De vraag of sprake is van een zodanige samenwerking, hangt sterk af van de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Er is sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen zowel de verdachte en [betrokkene 4] , als tussen de verdachte en [medeverdachte 2] . Uit de telefoongegevens van de verdachte en het heimelijk opgenomen gesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 3] volgt dat de verdachte omstreeks het tijdstip van het ophalen van de Mercedes uit de garage op Ibiza veelvuldig contact had met [betrokkene 4] in Nederland. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat een vriend van [betrokkene 3] telefonisch contact had met de verdachte, om te vertellen wat zij moest doen. Verder heeft [medeverdachte 2] verklaard dat de verdachte hem vroeg haar te vergezellen bij het ophalen van de Mercedes op Ibiza. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte de Mercedes uit deze garage heeft meegekregen, dat hij niet meer zeker weet of [verdachte] de overtocht heeft betaald en dat hijzelf het merendeel van de rit naar [plaats] voor zijn rekening heeft genomen. De verdachte heeft bevestigd de overtocht van de Mercedes naar het Vasteland van Spanje te hebben betaald. Ook tussen [medeverdachte 2] en de verdachte was dus sprake van een bewuste en nauwe samenwerking.”
5.4
Het hof heeft vastgesteld dat i) [medeverdachte 2] heeft verklaard dat een vriend van [betrokkene 3] , de weduwe van [medeverdachte 1] , (waarbij het hof kennelijk vaststelt dat [betrokkene 4] een zodanige vriend is) in telefonisch contact stond met de verdachte om te vertellen wat zij moest doen, ii) uit historische telefoongegevens volgt dat de verdachte na de dood van [medeverdachte 1] meermalen – en vooral op 21 en 22 juli 2017 (de twee dagen voordat de Mercedes bij [A] werd opgehaald) – contact heeft gehad met [betrokkene 4] , een goede vriend van [medeverdachte 1] , dat iii) de verdachte op 22 juli 2017 omstreeks 13:37 uur contact heeft gehad met een telefoonnummer dat in gebruik is bij [A] (welk contact werd geïnitieerd door laatstgenoemde) en dat de verdachte meteen daarna [betrokkene 4] heeft gebeld en dat iv) uit heimelijk opgenomen communicatie van 24 juli 2017 tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 4] blijkt dat laatstgenoemde onder meer heeft gezegd: “Ik vertrouw die gasten niet. (…) Die waggie is nu naar [plaats] , met een hoop geklaag, maar ze zeggen ze willen helpen. (…) Ik zeg tegen [verdachte] [ik begrijp: de verdachte, MvW], ze moeten met mij praten, niet met jou. (…) Jullie willen helpen, verplaats die auto voor mij (…). Jij bepaalt niet waar. Ik zeg je naar waar die auto naar toe gaat”.
5.5
Het hof heeft verder vastgesteld dat v) [medeverdachte 2] heeft verklaard dat de verdachte hem op 23 juli 2017 heeft gevraagd om haar te vergezellen bij het ophalen van de Mercedes en dat zij vervolgens samen met de ferry naar het vasteland van Spanje zijn gereisd, dat vi) de verdachte heeft verklaard dat zij de kosten voor de overtocht op zich heeft genomen en dat vii) [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een groot deel van de rit naar [plaats] (als bestuurder) op zich heeft genomen.
5.6
Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat zowel tussen de verdachte en [betrokkene 4] als tussen de verdachte en [medeverdachte 2] sprake was van een voor medeplegen vereiste bewuste en nauwe samenwerking, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.7
De eerste deelklacht faalt.
5.8
De
tweede deelklachthoudt in dat het bewezenverklaarde opzet niet uit de bewijsvoering kan volgen.
5.9
Het hof heeft ten aanzien van de wetenschap van de verdachte omtrent de criminele herkomst van de Mercedes het volgende overwogen:

Wetenschap verdachte van criminele herkomst van de Mercedes
In deze zaak is geen sprake van direct bewijs dat de Mercedes afkomstig is uit een concreet gronddelict. Niettemin kan worden bewezen dat de Mercedes afkomstig is uit enig misdrijf. Uit de politieregistratiesystemen volgt dat [medeverdachte 1] vanaf 2011 contacten had met vele personen die crimineel actief zijn (geweest). Sommige van deze personen zijn een gewelddadige dood gestorven. Het feit dat door [medeverdachte 1] veel contacten werden onderhouden met personen met criminele antecedenten, levert, in samenhang met zijn eigen criminele antecedenten, een witwastypologie op. Na onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte 1] is gebleken dat er geen transacties zichtbaar waren die duiden op een inkomen waarmee de aankoop van de Mercedes van € 122.000,00 kan worden verklaard. Het ontbreken van inkomen en de afwezigheid van (ander) legaal vermogen levert eveneens een witwastypologie op.
Uit het voorgaande volgt dat sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Dit betekent dat van de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag worden verlangd dat de Mercedes niet van misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft een dergelijke verklaring niet gegeven. Zij heeft evenwel betoogd dat zij niet wist dat de Mercedes afkomstig was uit enig misdrijf. Het hof acht in dit verband het navolgende van belang.
De wijze waarop [medeverdachte 1] om het leven is gebracht, doet vermoeden dat sprake is geweest van een Iiquidatie. In diverse media werd melding gemaakt van de liquidatie van de “Amsterdamse beroepscrimineel" [medeverdachte 1] . Anders dan de raadsman heeft betoogd, kan uit de berichten die zijn verschenen in de media worden begrepen dat [medeverdachte 1] zijn geld verdiende met criminele activiteiten. Uit een chatgesprek tussen de verdachte en haar moeder op 10 juli 2017 volgt dat de verdachte wist - of door haar moeder erop werd gewezen - dat [medeverdachte 1] tot zijn dood gevaar liep en in angst leefde. Voorts acht het hof van belang dat de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] al vier jaar haar beste vriend was en dat [betrokkene 2] in een chatgesprek met de verdachte op 9 juli 2017 heeft geschreven dat [medeverdachte 1] de verdachte in vertrouwen nam. Bovendien is uit onderzoek naar de browserhistorie van de Apple Macbook van de verdachte gebleken dat op 8 juli 2017 - enkele uren na de dood van [medeverdachte 1] - artikelen zijn geopend die erop duiden dat [medeverdachte 1] zich bewoog in het criminele milieu; hierin ging het over levensgevaar, cocaïne en poging tot liquidatie. Ook indien deze artikelen niet door de verdachte zelf maar door haar moeder zouden zijn geopend en gelezen, is het hoogst onaannemelijk dat de strekking daarvan niet op 8 juli 2017 of kort daarna met de verdachte - die [medeverdachte 1] al enige jaren beschouwde als beste vriend - is gedeeld en dat zij ook niet anderszins met de criminele activiteiten van [medeverdachte 1] is geconfronteerd.
Het hof stelt aldus vast dat de verdachte in ieder geval vanaf of kort na het overlijden van [medeverdachte 1] op 7 juli 2017 moet hebben beseft dat hij zich in criminele kringen had bevonden en dat zijn vermogen, waaronder zijn Mercedes, meer dan vermoedelijk een criminele herkomst had. Haar verklaring dat zij dacht dat [medeverdachte 1] zijn geld verdiende met het organiseren van feesten acht het hof, in het licht van de in het voorgaande vastgestelde feiten en omstandigheden, ongeloofwaardig. Dientengevolge heeft de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de Mercedes geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf.”
5.1
Het hof heeft vastgesteld dat i) de verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte 1] al vier jaar haar beste vriend was, dat ii) een goede vriendin van de verdachte op 9 juli 2017 in een chatgesprek met de verdachte heeft geschreven dat [medeverdachte 1] de verdachte in vertrouwen nam, dat iii) de wijze waarop [medeverdachte 1] om het leven is gebracht doet vermoeden dat sprake is geweest van een Iiquidatie, iv) dat in diverse media melding werd gemaakt van de liquidatie van de “Amsterdamse beroepscrimineel" [medeverdachte 1] , dat v) uit een chatgesprek tussen de verdachte en haar moeder op 10 juli 2017 volgt dat de verdachte – al dan niet via haar moeder – wist dat [medeverdachte 1] tot zijn dood gevaar liep en in angst leefde, dat vi) uit onderzoek naar de browserhistorie van de Apple Macbook van de verdachte is gebleken dat op 8 juli 2017 artikelen zijn geopend die erop duiden dat [medeverdachte 1] zich in het criminele milieu bewoog en dat – in het geval dat haar moeder en niet de verdachte zelf die artikelen heeft geopend – het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strekking daarvan niet op of kort na 8 juli 2017 met de verdachte is gedeeld. Het op deze vaststellingen gebaseerde oordeel van het hof dat de verdachte in ieder geval vanaf of kort na het overlijden van [medeverdachte 1] op 7 juli 2017 moet hebben beseft dat [medeverdachte 1] zich in criminele kringen bevond, acht ik niet onbegrijpelijk.
5.11
Uit de vaststellingen van het hof blijkt verder dat vii) de Mercedes een aanschafwaarde heeft van € 122.000,00 en dat viii) na onderzoek naar de bankrekening van [medeverdachte 1] is gebleken dat er geen transacties zichtbaar waren die duiden op een inkomen waarmee deze aankoop kan worden verklaard. Deze vaststellingen, in samenhang met het oordeel van het hof dat de verklaring van de verdachte dat zij dacht dat [medeverdachte 1] zijn geld verdiende met het organiseren van feesten ongeloofwaardig is, acht ik toereikend voor ‘s hofs oordeel dat de verdachte minst genomen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de Mercedes geheel of gedeeltelijk afkomstig was uit enig misdrijf.
5.12
De tweede deelklacht slaagt evenmin, zodat het middel in zijn geheel faalt.

6.Het derde middel

6.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn dient te leiden tot een matiging van de op te leggen straf in die zin dat het hof – in plaats van de door hem passend geachte gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk – een gevangenisstraf zal opleggen voor de duur van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk. Volgens de steller van het middel staat deze verhoging van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf met één maand “niet in rechtens acceptabele verhouding” tot de door het hof geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn (te weten: ruim tien maanden in eerste aanleg en één jaar en ruim zes maanden in hoger beroep).
6.2
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn in feitelijke aanleg het volgende in:
“Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat een ieder recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde waarborg strekt er onder meer toe te voorkomen dat een verdachte onnodig lang onder de dreiging van een strafvervolging moet leven.
De overschrijding van de redelijke termijn leidt, ook wanneer deze zeer aanzienlijk is, volgens vaste rechtspraak in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Vermindering van de op te leggen straf is telkens de aangewezen sanctie.
De redelijke termijn is aangevangen met de inverzekeringstelling van de verdachte op 6 november 2017. De redelijke termijn van 2 jaren is in eerste aanleg met ruim 10 maanden overschreden, omdat vonnis is gewezen op 24 september 2020. In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 6 oktober 2020 en is deze termijn geëindigd met dit arrest op 1 mei 2024, waarmee de redelijke termijn van 2 jaren met 1 jaar en ruim 6 maanden is overschreden.
Het hof is, alles afwegende, van oordeel dat in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, passend is, doch zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.”
6.3
Vooropgesteld dient te worden dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet snel sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. [3]
6.4
Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. De vermindering van de straf is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden. Algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd, zijn niet te geven. In dit verband dient evenwel te worden opgemerkt dat behalve de oplegging van een straf die minder hoog is dan de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, als strafvermindering ook geldt de oplegging van een straf die op grond van art. 9 Sr Pro als minder zwaar moet worden aangemerkt, of die in (gedeeltelijk) voorwaardelijke vorm wordt opgelegd. [4]
6.5
Het hof heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in eerste aanleg en in hoger beroep met ruim tien maanden respectievelijk één jaar en zes maanden is overschreden. Het hof heeft verder geoordeeld dat het, “alles afwegende”, een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk (met een proeftijd van drie jaren) passend is, maar dat het, gelet op deze overschrijding, deze straf zal matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk (met een proeftijd van drie jaren). Dat betekent dat het hof de geconstateerde termijnoverschrijding met strafvermindering heeft gecompenseerd in die zin dat het één vierde deel van de door hem passend geachte (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm heeft opgelegd. Dat oordeel acht ik, gelet op hetgeen ik hiervoor onder 6.3 en 6.4 heb vooropgesteld, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
6.6
Het middel faalt.

7.Het vierde middel

7.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
7.2
Namens de verdachte is op 8 mei 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 25 maart 2025 ter de griffie van de Hoge Raad ontvangen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met ruim twee maanden overschreden. Deze overschrijding kan niet meer door een voortvarende behandeling worden gecompenseerd. Gelet echter op de omstandigheid dat het onvoorwaardelijke deel van de door het hof opgelegde gevangenisstraf niet meer dan drie maanden bedraagt, kan worden volstaan met de constatering van die overschrijding. [5]

8.Afronding

8.1
Het eerste, tweede en derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het vierde middel slaagt, maar leidt niet tot cassatie.
8.2
Ambtshalve merk ik op dat sinds het instellen van het cassatieberoep op 8 mei 2024 tot aan deze conclusie meer dan twee jaren zijn verstreken, zodat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in cassatie ook op die wijze is overschreden. Als gezegd brengt de omvang van de door het hof opgelegde straf echter met zich dat kan worden volstaan met de constatering van die overschrijding.
8.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Het cassatieberoep is daarna deels weer ingetrokken.
3.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:2008:BD2578, rov. 3.7.
4.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:2008:BD2578, rov. 3.21 en 3.22.
5.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.2.