Conclusie
1.Inleiding
2.De eerste twee middelen
ik begrijp hier en hierna: [getuige 2]) en voor zover het hof die redengevend heeft geacht, dit in strijd is met art. 6 EVRM Pro.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van handel en uitvoer van heroïne, cocaïne, hennep en hasjiesj, deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot verdovende middelen. Het hof baseerde zijn oordeel op onder meer vondsten van drugs en versnijdingsmiddelen in stashlocaties, vingerafdrukken, telefoongegevens en getuigenverklaringen.
De verdachte speelde een belangrijke rol als beheerder van stashlocaties, had beschikkingsmacht over de voorraden en beschikte over een klantenlijst met buitenlandse telefoonnummers. De organisatie werkte professioneel met een telefooncarrousel en leverde drugs aan klanten in Frankrijk en België.
De advocaat van de verdachte stelde vier middelen van cassatie voor. De Hoge Raad verwierp de eerste drie middelen, die onder meer de bewijsvoering en strafmotivering betroffen. Het vierde middel slaagde omdat de redelijke termijn van inzending van stukken in cassatie was overschreden. Daarnaast constateerde de Hoge Raad ambtshalve dat het recht tot vervolging van het feit van medeplegen van opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj was verjaard.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof voor zover het betrekking had op het feit van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hasjiesj en de duur van de opgelegde gevangenisstraf, verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk voor dat feit, en verminderde de straf. Voor het overige werd het beroep verworpen.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt deel van het arrest wegens verjaring en schending redelijke termijn, vermindert gevangenisstraf en bevestigt overige bewezenverklaringen.