Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:483

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
10 mei 2026
Zaaknummer
24/01759
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt medeplegen poging doodslag ondanks motiveringsklachten

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van poging tot doodslag. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken, maar het hof oordeelde anders op basis van videobeelden en getuigenverklaringen.

De verdediging voerde aan dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte het slachtoffer tweemaal tegen het hoofd had geschopt en dat er geen sprake was van opzet op medeplegen. Ook werd betoogd dat de verdachte de handelingen van medeverdachten niet kon voorzien en dat er geen gezamenlijk plan was. Het hof baseerde zijn oordeel op camerabeelden waarop de verdachte duidelijk te zien is terwijl hij het slachtoffer schopt, en op verklaringen van getuigen die dit bevestigen.

De procureur-generaal concludeert dat de motiveringsklachten niet slagen omdat het hof de bewijsmiddelen zorgvuldig heeft gewogen en het oordeel begrijpelijk heeft gemotiveerd. De Hoge Raad zal het middel verwerpen, maar ambtshalve strafvermindering toepassen wegens overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur, met vermindering naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, met strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer24/01759

Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte

Inleiding

1. Nadat de verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken ter zake van het onder 1 ten laste gelegde, is hij bij arrest van 30 april 2024 (parketnr. 23-000501-23) door het gerechtshof Amsterdam wegens (onder 1 primair) “
medeplegen van poging tot doodslag” en (onder 2) “
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro c van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het hof heeft daarbij een aantal bijzondere voorwaarden gesteld. Verder heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partij en in verband daarmee de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Tot slot bevat het arrest beslissingen op vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde straffen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M. Kuipers, advocaat in Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat heeft uitsluitend betrekking op het onder 1 ten laste gelegde.

Het middel en de deelklachten

3. Het middel ziet op het bewijs van het medeplegen van poging tot doodslag en bevat twee deelklachten.
4. De eerste deelklacht komt erop neer dat de conclusie van het hof dat de verdachte het slachtoffer twee keer tegen het hoofd heeft geschopt ontoereikend is gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is. Aangevoerd wordt:
- de verdediging heeft betoogd dat [getuige 1] haar verklaring dat de verdachte de aangever (meermalen) tegen het hoofd heeft geschopt, met name heeft gebaseerd op de beelden. Zodoende is de overweging van het hof dat de getuige op de beelden heeft gezien dat de aangever door de verdachte tegen zijn hoofd wordt geschopt in ieder geval deels strijdig met de eigen waarneming van het hof ten aanzien van de beelden;
- het hof heeft niet gereageerd op het verweer dat de getuige onjuist heeft verklaard over hoe vaak de verdachte richting de aangever heeft geschopt, en
- de overige omstandigheden zijn onvoldoende om het bewijsoordeel van het hof te dragen.
5. Met de tweede deelklacht wordt opgekomen tegen het oordeel dat de verdachte opzet had op het medeplegen van het feit. De steller van het middel voert aan:
- de verdediging heeft erop gewezen dat de verdachte de geweldshandelingen van de medeverdachten niet kon voorzien en ook niet kon overzien, zodat niet is voldaan het vereiste van dubbel opzet;
- de omstandigheid dat de verdachte en de medeverdachten konden profiteren van elkaars geweldshandelingen gaat uit van de vooronderstelling dat sprake was van een bewuste gezamenlijke uitvoering, terwijl – zoals de verdediging heeft betoogd – wat betreft de verdachte van een bewuste samenwerking niet zonder meer kan worden gesproken en
- de verdediging heeft betoogd dat de verdachte zich, gezien de context dat de verdachte zojuist zelf door de aangever tegen zijn hoofd was geschopt, niet dusdanig bewust was van de handelingen die door de medeverdachten werden verricht, dat van opzet op medeplegen noch van opzet op (het intreden van) de dood gesproken kan worden.

De bewezenverklaring en bewijsmotivering

6. De bewezenverklaring onder 1 primair houdt (onder meer) in dat de verdachte:

op 15 oktober 2022 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven, positie heeft ingenomen voor die [slachtoffer] en meermaals met geschoeide voet met kracht tegen het hoofd van die [slachtoffer] heeft geschopt terwijl die [slachtoffer] , al dan niet bewusteloos, op de grond lag, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
7. Het arrest bevat de volgende bewijsoverweging (onderstrepingen door mij) [1] :

“Bewijsvoering en bespreking van een bewijsverweer

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer heeft geschopt. Ook kan niet worden vastgesteld dat het slachtoffer door de schop van de verdachte zijn bewustzijn heeft verloren. Hierop gelet en in aanmerking genomen dat de verdachte als schoeisel lichte sneakers droeg, moet vrijspraak volgen van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling. Van medeplegen is volgens de raadsman geen sprake, omdat er geen sprake was van een gezamenlijk plan, terwijl een gemeenschappelijke uitvoering ook niet evident is. Er was geen sprake van simultane (maar van opeenvolgende) geweldsuitoefening door verschillende personen op het slachtoffer en excessieve geweldshandelingen, zoals het schoppen tegen het hoofd door anderen, kunnen niet aan de verdachte worden toegerekend bij gebreke van dubbel opzet op zowel het medeplegen als op de geweldshandelingen van die anderen. Daarbij is van belang dat het de bedoeling van de verdachte was om [betrokkene 1] te ontzetten door [slachtoffer] tegen zijn arm te schoppen en niet om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel of erger toe te brengen. Uitgaande van deze lezing van de feiten heeft de raadsman betoogd dat het handelen van de verdachte niet als poging tot doodslag kan worden gekwalificeerd. Daarbij heeft de raadsman ook gewezen op het beperkte letsel van [slachtoffer] .
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting het volgende vast.
Op 15 oktober 2022 heeft in [plaats] omstreeks 5:30 uur nabij [a-straat] een vechtpartij plaatsgevonden tussen de verdachte en [slachtoffer] en een aantal anderen. Van die vechtpartij heeft een omstander beeldopnamen aan de politie ter beschikking gesteld. Gelet op de tijd en plaats waarop de vechtpartij plaatsvond en bij gebreke van aanwijzingen van het tegendeel, gaat het hof er vanuit dat alle betrokkenen schoenen droegen.
Ter terechtzitting in hoger beroep zijn onder meer de opnamen met de aanduiding WA0001 en WA0004 in slow motion bekeken.
Op de beelden met aanduiding WA0004 heeft het hof het volgende waargenomen. Vanaf seconde 00:03 ligt [slachtoffer] op zijn rug op de grond. Hij heeft zijn knieën opgetrokken en is in worsteling met degene die bovenop hem zit (zijnde [betrokkene 1] volgens het proces-verbaal van onderzoek camerabeelden). Zijn knieën blijven opgetrokken en de worsteling met [betrokkene 1] duurt voort terwijl hij van seconde 00:06 tot 00:11 meermalen wordt geslagen door een man met een lichtkleurige jas met schoudertas (zijnde NN1 volgens voormeld proces-verbaal). NN1 loopt in seconde 00:11 weg naar rechts, het beeld uit. In seconde 00:08 is een man met een lange jas tot over de knieën en met een petje op van links het beeld in komen rennen (zijnde NN4 volgens voormeld proces-verbaal). Hij assisteert [betrokkene 1] in zijn nog voortdurende worsteling met [slachtoffer] en staat daarbij naast de rechterzijde van het hoofd van [slachtoffer] , boven de rechterarm van [slachtoffer] .
In seconde 00:13 komt de verdachte van links het beeld inlopen. Hij kiest positie ter hoogte van de kruin van [slachtoffer] . De verdachte geeft [slachtoffer] , die dan nog in worsteling is met [betrokkene 1] bovenop hem, met zijn rechtervoet één harde schop in seconde 00:15. Hij lijkt te schoppen tegen een lichaamsdeel dat zich enigszins boven de grond bevindt.
Het is voor het hof niet duidelijk te zien welk lichaamsdeel de verdachte met zijn schop raakt. Wel is te zien dat onmiddellijk volgend op de schop van de verdachte in seconde 00:15 de benen van het slachtoffer op de grond vallen, alsof zijn spierspanning op dat moment plots wegvalt. Direct daarop, in seconde 00:16, stapt [betrokkene 1] , die nog bovenop het slachtoffer zat, van hem weg. [slachtoffer] ligt dan bewegingsloos op de grond.Vervolgens geeft NN4, die nog op dezelfde positie naast het hoofd van het slachtoffer staat, hem in seconde 00:17 een krachtige schop tegen het hoofd. In de laatste seconde, 00:19, van deze opname is te zien dat NN4 naar rechts wegloopt in dezelfde richting als NN1, terwijl de verdachte als enige gaat in de richting van de bewegingsloos op de grond liggende [slachtoffer] .
Op de beelden met aanduiding WA0001 heeft het hof het volgende waargenomen. Het hof stelt vast dat deze opname begint waar opname WA0004 eindigt. In seconde 00:00 tot en met 00:03 is te zien dat [slachtoffer] bewegingsloos op de grond ligt en dat NN4 en NN1 naar rechts weglopen, waarbij NN1 een voorsprong heeft van enkele seconden op NN4. De verdachte is de enige die dan nog dichtbij het slachtoffer staat op de positie waar eerder NN4 zich bevond. Hij maakt een krachtige schoppende beweging in de richting van het hoofd van [slachtoffer] . De camera draait dan weg, zodat op de beelden niet te zien is dat de verdachte [slachtoffer] raakt. In seconde 00:04 wordt er door een ander nog een harde trap gegeven tegen het hoofd van [slachtoffer] . De verdachte is op dat moment al enkele meters bij [slachtoffer] weggelopen en gaat in dezelfde richting als NN1 en NN4. Tijdens het afspelen van deze beelden is een vrouwenstem te horen die schreeuwt: "Oh, nee! Hallo! Stop!”
Kort nadat de verdachte was weggelopen, zijn twee politieambtenaren naar [slachtoffer] gerend. Zij zagen dat hij in foetushouding op de grond lag, dat hij bloed op zijn gezicht had en dat er bloed uit zijn mond kwam. Ook hoorden zij dat [slachtoffer] een snurkende ademhaling had. Een en ander was voor hen reden om een reanimatie te starten. Bij het starten van de reanimatie gaf [slachtoffer] direct weerstand, waarna hij door de politieambtenaren in de stabiele zijligging is gelegd en zij de ademhaling van [slachtoffer] in de gaten hebben gehouden. [slachtoffer] is door ambulancepersoneel onderzocht.
De [getuige 2] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] op de grond lag en door 3 á 4 man werd geschopt en geslagen, dat hij naar [slachtoffer] ging toen deze mannen waren weggerend en zag dat [slachtoffer] snakte naar lucht en niet bij bewustzijn was, maar de politie en de ambulance er gelukkig heel snel waren.
[slachtoffer] heeft verklaard dat hij in de vechtpartij op de grond viel en voelde dat er tegen zijn hoofd werd getrapt en dat hij zijn bewustzijn verloor. Als letsel beschreef hij enorme pijn in zijn hoofd, waardoor hij niet goed kon nadenken, een bonkende pijn aan zijn rechter oog en rechter jukbeen, dat ook erg dik en gevoelig was, een bonkende pijn aan zijn rechter oor, dat ook gevoelig en dik was en een stekende pijn in zijn kaak aan de rechter zijde, waardoor hij lastig kon eten en drinken.
De [getuige 1] heeft verklaard dat zij een persoon die voldeed aan het signalement van de verdachte drie keer tegen het hoofd van de op de grond liggende man heeft zien schoppen en dat zij dit later ook op de filmpjes heeft gezien die aan de politie zijn gegeven. Het hof acht deze verklaring van [getuige 1] bruikbaar voor het bewijs voor zover deze inhoudt dat zij heeft gezien dat een persoon die voldeed aan het signalement van de verdachte meermalen tegen het hoofd van de op de grond liggende man ( [slachtoffer] ) heeft geschopt. Het hof gaat op basis van de beelden en de verklaring van [getuige 1] er vanuit dat de verdachte in iedere geval tweemaal tegen het hoofd van [slachtoffer] heeft geschopt.
De verdachte heeft zelf verklaard dat hij de man door wie hij zelf dacht te zijn geschopt op de grond zag liggen met iemand bovenop hem die hem vasthield, dat hij het gevecht wilde stoppen en toen tegen de persoon die onderop lag heeft geschopt.
Het hof acht de verklaring van de verdachte dat hij [slachtoffer] met zijn eerste schop tegen zijn arm heeft geraakt niet aannemelijk. Het hof stelt mede op grond van de voormelde bewijsmiddelen vast dat de verdachte met deze schop [slachtoffer] hard op zijn hoofd heeft geraakt. Het hof komt tot die vaststelling mede op basis van de positie van de verdachte ten opzichte van het slachtoffer op het moment van deze schop, die goed mogelijk maakte het hoofd van [slachtoffer] te raken, en omdat het hof het bewustzijnsverlies van het [slachtoffer] beschouwt als het gevolg van deze schop. De verdachte heeft niet verklaard over andere handelingen van anderen die dit bewustzijnsverlies kunnen verklaren en zulke handelingen zijn op de beelden ook niet te zien, terwijl op de beelden wel te zien is dat het bewustzijnsverlies intreedt onmiddellijk na de schop van de verdachte.
Ook komt het hof tot het oordeel dat sprake was van een bewuste en nauwe samenwerking tussen de verdachte en de anderen die het zojuist beschreven geweld op [slachtoffer] hebben uitgeoefend. Daarvoor vindt het hof redengevend dat de geweldshandelingen van de verdachte en de anderen deels gelijktijdig en deels zeer kort op elkaar volgend hebben plaatsgevonden, waarbij de verdachte en zijn mededaders het door de anderen op [slachtoffer] uitgeoefende geweld hebben gezien en zij konden profiteren van elkaars geweldshandelingen. Zo maakte de wijze waarop [betrokkene 1] [slachtoffer] in bedwang hield het gemakkelijk voor NN1 om [slachtoffer] te slaan en voor de verdachte om [slachtoffer] te schoppen. De eerste schop van de verdachte beëindigde de worsteling tussen [betrokkene 1] en [slachtoffer] , hetgeen het voor [betrokkene 1] mogelijk maakte om bij [slachtoffer] weg te stappen. De bewusteloze toestand waarin [slachtoffer] door deze trap kwam te verkeren, maakte het voor NN4 gemakkelijk om [slachtoffer] nogmaals tegen het hoofd te schoppen.
Het hof komt op grond van het voorgaande tot het oordeel dat de verdachte en zijn mededaders voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] hebben gehad. Alleen al het zo hard met geschoeide voet tegen het hoofd van een persoon schoppen dat deze daardoor zijn bewustzijn verliest, brengt, zo leren de algemene ervaringsregels, een aanmerkelijke kans op de dood met zich. Die kans is door de verdachte en zijn mededaders nog vergroot doordat zij de bewusteloos op de grond liggende [slachtoffer] vervolgens nog meermalen met kracht met geschoeide voet tegen zijn hoofd hebben geschopt. Uit de aard van dit handelen van de verdachte en zijn mededaders volgt, naar de uiterlijke verschijningsvorm, dat zij deze aanmerkelijke kans ook bewust hebben aanvaard. Het hof is van oordeel dat het handelen van de verdachte moet worden gekwalificeerd als het medeplegen van een poging tot doodslag.
Het tot vrijspraak strekkende verweer wordt verworpen, zowel voor zover dat inhoudt dat geen sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood, als voor zover dat inhoudt dat geen sprake is van medeplegen.

De bespreking van het middel

8. Het middel bevat motiveringsklachten die in de kern steunen op argumenten die al op het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. De bewijsmotivering van het hof, dat die argumenten ook onder ogen heeft gezien, vind ik goed te volgen. Over de cassatieklachten zal ik daarom kort zijn.
9. Aan het oordeel dat de verdachte het slachtoffer twee keer tegen het hoofd heeft geschopt heeft het hof (onder meer) zijn waarnemingen op basis van de camerabeelden en de verklaring van [getuige 1] ten grondslag gelegd. Gezien (alleen al) de inhoud van die bewijsmiddelen is dat oordeel niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. De eerste deelklacht faalt.
10. Zijn oordeel dat de verdachte het feit in vereniging heeft gepleegd heeft het hof gemotiveerd met de overweging dat “
de geweldshandelingen van de verdachte en de anderen deels gelijktijdig en deels zeer kort op elkaar volgend hebben plaatsgevonden, waarbij de verdachte en zijn mededaders het door de anderen op [slachtoffer] uitgeoefende geweld hebben gezien en zij konden profiteren van elkaars geweldshandelingen.” Het oordeel is gezien die onderbouwing niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd. Ook de tweede deelklacht faalt dus.

Slotsom

11. Het middel faalt in al zijn onderdelen. De rechtbank had de verdachte vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Het ligt daarom niet voor de hand dat de Hoge Raad het middel afdoet met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
12. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad (naar verwachting) uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie met meer dan een maand is overschreden. Daarom zal strafvermindering moeten plaatsvinden. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De voetnoten, waarin wordt verwezen naar de onderliggende bewijsmiddelen, laat ik in het citaat weg.