Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:526

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
24 mei 2026
Zaaknummer
24/03646
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste verstekverlening door onbekendheid BRP-inschrijving verdachte

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden verklaarde de verdachte niet-ontvankelijk in hoger beroep en verleende verstek omdat de verdachte en zijn raadsman niet verschenen waren. De verdachte was echter sinds één dag voor de terechtzitting ingeschreven in de Basisregistratie Personen (BRP) op een woonadres, wat het hof niet had onderzocht.

De dagvaarding was niet aan het BRP-adres betekend, en de verdachte was ten tijde van de dagvaarding niet ingeschreven, maar wel ten tijde van de terechtzitting. Hierdoor was het aanwezigheidsrecht van de verdachte geschonden, omdat hij niet correct was opgeroepen.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist heeft aangenomen dat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats had en dat verstek terecht kon worden verleend. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak voor een nieuwe berechting.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onjuiste verstekverlening en de zaak wordt terugverwezen voor nieuwe berechting.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/03646

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 1 augustus 2024 (parketnr. 21-001144-24) toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 416 lid 2 Sv Pro, nu de verdachte en zijn raadsman geen bezwaren hebben opgegeven tegen het vonnis in eerste aanleg (parketnr. 16-175788-22) en het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van de zaak noodzakelijk maken. Het hof heeft de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F. Visser, advocaat in Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 1 augustus 2024 ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte en dat daarmee het aanwezigheidsrecht van de verdachte is geschonden.
4. Volgens de toelichting op het middel stond de verdachte sinds 31 juli 2024, één dag voor de terechtzitting in hoger beroep, ingeschreven in de basisregistratie personen (hierna: BRP) op het woonadres [b-straat 1] te [plaats] , terwijl uit het proces-verbaal van de zitting niet blijkt dat het hof hiervan op de hoogte was of heeft onderzocht of de verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Daarom had het hof het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen om de verdachte in de gelegenheid te stellen bij de behandeling aanwezig te zijn, aldus de steller van het middel. De geldigheid van de betekening van de dagvaarding wordt door de steller van het middel nadrukkelijk
nietbetwist.
5. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich, voor zover hier van belang:
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 10 juni 2024, inhoudende dat de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie;
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 juni 2024, inhoudende dat op 17 juni 2024 en 22 juni 2024 getracht is om de dagvaarding in hoger beroep aan de verdachte in persoon uit te reiken op het adres [a-straat 1] te [plaats] , [1] maar dat dit niet gelukt is;
- de akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 4 juli 2024, inhoudende dat de dagvaarding is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie;
- de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 4 juli 2024, inhoudende dat de verdachte op dat moment niet staat geregistreerd op een woon- of verblijfadres;
- de akte van uitreiking van de uitspraak in hoger beroep d.d. 20 augustus 2024;
- de informatiestaat SKDB-persoon d.d. 20 augustus 2024, inhoudende dat de verdachte vanaf 31 juli 2024 in de BRP was ingeschreven op het woonadres [b-straat 1] te [plaats] .
6. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 1 augustus 2024 houdt onder meer het volgende in:

De verdachte genaamd:
[verdachte] .
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats]
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
is niet verschenen.
Hoewel correct opgeroepen, is de raadsman van verdachte, mr. R. van Veen, advocaat te Utrecht , [is] evenmin ter terechtzitting verschenen.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat het onderzoek wordt voortgezet.
7. De Hoge Raad heeft zich vrij recent (opnieuw) uitgesproken over een vergelijkbare klacht. [2] In de betreffende uitspraak herhaalt de Hoge Raad dat als een verdachte zonder bekende woon- of verblijfplaats rechtsgeldig is gedagvaard en noch hij noch zijn raadsman op de terechtzitting verschijnt, de rechter in beginsel mag aannemen dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht. [3]
8. Dat uitgangspunt kan echter achteraf onjuist blijken. Dat is met name het geval wanneer de dagvaarding weliswaar rechtsgeldig aan een medewerker van het Openbaar Ministerie is betekend, maar de verdachte
vóór de terechtzitting alsnog in de BRP blijkt te zijn ingeschrevenzonder dat dit de rechter bekend was. [4] Aan het recht van de verdachte om in zijn aanwezigheid te worden berecht, is in zo’n geval tekortgedaan.
9. Uit de onder nummer 5 weergegeven stukken van het geding en uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep volgt dat de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en dat de appeldagvaarding niet in persoon aan de verdachte is uitgereikt. Verder volgt daaruit dat de verdachte niet ten tijde van het dagvaarden, maar wel ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep in de BRP stond ingeschreven op het voornoemde woonadres in [plaats] .
10. Uit de stukken blijkt niet dat een afschrift van de dagvaarding aan dit BRP-adres is toegezonden, zodat moet worden aangenomen dat dit niet is gebeurd. Het oordeel van het hof dat van de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats hier te lande bekend was, dat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte en dat met de behandeling van de zaak kon worden doorgegaan, is achteraf bezien onjuist. Het middel is derhalve terecht voorgesteld.

Slotsom

11. Het middel slaagt.
12. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
13. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bij de stukken zit tevens een bericht van de persoon [naam 1] d.d. 1 juli 2024 waarin wordt gemeld dat de verdachte “
2.Vgl. HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:642, rov. 2.5 en 2.6.
3.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rechtsoverweging 3.33.
4.Vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3347.