Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:535

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
25 mei 2026
Zaaknummer
24/02012
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 SrArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep op noodweer wegens culpa in causa bij mishandeling

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uur wegens mishandeling van een aangever op 15 oktober 2021 in Almere. De mishandeling bestond uit het grijpen en dichtknijpen van de keel van de aangever. Verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte het beroep op noodweer had verworpen, omdat hij de confrontatie niet zou hebben uitgelokt.

Het hof oordeelde dat verdachte samen met zijn gezelschap de regels binnen het bedrijf niet naleefde, de aanwijzingen van de aangever negeerde en bewust de confrontatie zocht door onder meer het filmen van de aangever met zijn telefoon als pressiemiddel in een gespannen situatie. Dit leidde tot een gewelddadige reactie van de aangever, waarna verdachte handelde uit noodweer. Het hof stelde dat verdachte culpa in causa had, waardoor het beroep op noodweer faalde.

De Hoge Raad bevestigt dat culpa in causa alleen kan worden aangenomen onder bijzondere omstandigheden waarbij de verdachte willens en wetens de confrontatie zoekt en een gewelddadige reactie uitlokt. Het hof heeft dit oordeel zorgvuldig gemotiveerd en de gedragingen van verdachte in de context van de situatie beoordeeld. Het cassatieberoep faalt daarom en wordt verworpen. Tevens merkt de Hoge Raad ambtshalve op dat de redelijke termijn in cassatie is overschreden, maar dat dit geen aanleiding geeft tot vernietiging van het arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof oordeelde terecht dat sprake is van culpa in causa waardoor het beroep op noodweer faalt.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer 24/02012

Zitting26 mei 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij arrest van 8 mei 2024 (parketnr. 21-000613-22) door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, wegens "
mishandeling" veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uur, met aftrek van het voorarrest conform artikel 27 lid 1 Sr Pro (inhoudende dat bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf vermindering van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag wordt toegepast, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht).
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P. Scholte, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

3. Het middel klaagt over de verwerping van het beroep op noodweer.
4. In de schriftuur wordt – kort gezegd – betoogd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt, omdat het hof te snel heeft aangenomen dat verdachte zelf de confrontatie heeft uitgelokt (‘
culpa in causa’), terwijl de gedragingen van verdachte die aanname niet rechtvaardigen.

Het oordeel van het hof

5. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat de verdachte:

op 15 oktober 2021 te Almere [aangever] heeft mishandeld door hem bij de keel te grijpen en daarin te knijpen.
6. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 oktober 2021, opgenomen op pagina 1000-1002 van het dossier van de politie eenheid Midden-Nederland, met nummer PL0900-2021328597, met fotobijlage op pagina 1003-1010, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 1] , inhoudende als - zakelijk weergegeven - verklaring van [aangever] :
Ik ben werkzaam bij [A] gevestigd op de [a-straat 1] in [plaats] . Op vrijdag 15 oktober 2021 omstreeks 15:15 uur was ik op de [b-straat] aangekomen na het kruispunt richting de A6. Ik was hier omdat ik gevraagd werd om een berging te doen. Ik heb het voertuig geborgen. Ik heb ook last van mijn adamsappel, hierdoor kan ik slecht slikken op dit moment. Dit komt doordat ik bij de keel gegrepen ben.
2. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 26 oktober 2021, opgenomen op pagina 202-206 van het dossier van de politie eenheid Midden- Nederland, met nummer PL0900-2021328597, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 2] , inhoudende als – zakelijk weergegeven – verklaring van [aangever] :
Ik ben naar de [a-straat] gereden met de twee mannen (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ) in mijn auto. Bij de [a-straat] liet ik de mannen uitstappen en stond er een derde persoon met zijn auto voor de deur van [a-straat 1] . De mannen zijn uitgestapt. Er stond ook een man, vrouw en twee kinderen. Zij kwamen voor een ANWB vervangauto. Ik wilde hun eerst helpen, omdat het een kleine moeite was. Ik zette de bergingsauto in de garage en gaf de mannen aan dat zij even moesten wachten buiten. Ik sloot de roldeur en was zelf in de hal. Toen ik naar de ontvangsthal liep stonden de drie mannen in de hal en wilden de auto leeghalen. Ik gaf de mannen aan dat ik eerst de man, vrouw en twee kinderen ging helpen en dat ik de drie mannen daarna ging helpen. De mannen begonnen moeilijk te doen en zeiden dat zij nu de auto wilden leeghalen. Ik gaf nogmaals aan dat zij even moesten wachten en dat ik hun daarna ging helpen. Ze waren het hier niet mee eens en het werd van kwaad tot erger. De mannen zeiden dat zij zelf de loods in gingen. Hierop gaf ik aan dat dat niet te bedoeling is. De man die er als laatste bij kwam zei dat hij er schijt aan had en gewoon de loods in ging. Ik heb die man uitgelegd dat hij niet zomaar de hal in kan, omdat dat gewoon de regels zijn. Ik zag dat één van die mannen de loods in liep. Hierop heb ik ze terug gestuurd en ze zeiden direct: “Het maakt ons niet uit. Wij gaan nu de auto in en anders maken we je af.”
Vervolgens heb ik gezegd dat ik de politie ging bellen. Zij zeiden: “Als je de politie gaat bellen, maken we je dood.” De bijrijder van de Audi [zei] dat. Ik ben het halletje in gelopen om de politie te bellen. Ik deed hierop de voordeur dicht, zodat ik rustig de politie kon bellen. Hierop zei de bestuurder van de Audi: “Je kan ons niet opsluiten. Als je dat wel doet of de politie belt, dan maak ik je dood.” Er ontstond toen een worsteling bij de deur. Ik schrok hier erg van omdat de bedreigingen erger werden. Ik liep naar de hal toe, omdat daar die andere twee mannen waren. Ik gaf ze opnieuw aan dat ze gewoon even moeten wachten. De bestuurder stond in de hal en hij bleef bij de deur staan. Ik zag dat de derde man (het hof begrijpt: verdachte) voor mij ging staan, zijn telefoon pakte en zei: “Ik ga een foto maken. Ik weet jou en jouw familie te vinden en ik maak jullie helemaal kapot. Ik maak jullie gewoon dood!” Hij stond zo dicht voor mij om een foto te maken dat ik mij zo angstig voelde dat ik als enige verweer zag om die telefoon een slinger te geven. Daarop viel die man mij aan. Hierbij kneep die man heel erg mijn keel dicht.
3. Een in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen camerabeelden d.d. 16 oktober 2021, opgenomen op pagina 1038 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende een – zakelijk weergegeven – relaas van verbalisant [verbalisant 3] :
Pleegdatum: 15-10-2021
15:45 Slachtoffer (het hof begrijpt: aangever) opent een deur en loopt door de deur naar een andere ruimte.
15:45 De drie verdachten besluiten om achter het slachtoffer aan te lopen.
15:46 Het slachtoffer komt terug in beeld en wordt gevolgd door verdachte [medeverdachte 1] . Te zien is dat het slachtoffer de deur dicht doet.
15:46 Verdachte (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) is het hier kennelijk niet mee eens en grijpt naar de deurklink.
15:46 Verdachte wil de deur openen en trekt met kracht de deur naar zich toe. Slachtoffer probeert de deur gesloten te houden.
15:46 Er ontstaat een worsteling. Te zien is dat de deur op dit moment nog intact is.
15:46 De deur valt dicht. Door het gewicht van beide personen is hierdoor het raam gebarsten.
15:46 Het raam is gebarsten en op dat moment komt ook verdachte [verdachte] weer in beeld.
15:46 Verdachte [verdachte] mengt zich in het gevecht/worsteling.
15:46 Verdachten weten de deur open te krijgen.
15:46 De derde verdachte, [medeverdachte 2] , komt nu pas in beeld. Het lijkt erop alsof de verdachten het pand willen verlaten. Echter blijven zij toch binnen staan.
15:46 [medeverdachte 1] en [verdachte] blijven in de deur opening staan. [medeverdachte 2] besluit weer terug de andere ruimte in te lopen.
15:46 Het slachtoffer loopt achter [medeverdachte 2] aan.
15:47 [verdachte] en [medeverdachte 1] blijven bij de deur staan. Zichtbaar is dat [verdachte] wel wat zegt tegen het slachtoffer.
15:47 Het slachtoffer komt terug en lijkt nu een verhitte discussie te hebben met [medeverdachte 1] en [verdachte] .
15:47 Verdachte [verdachte] besluit zijn telefoon te gebruiken.
15:47 Het slachtoffer grijpt, of doet een poging, de telefoon van verdachte [verdachte] .
15:47 Het lijkt er op alsof het slachtoffer hier een zwart object/goed in zijn rechterhand heeft. Het is aannemelijk dat dit de telefoon betrof welke verdachte [verdachte] vast hield.
15:47 De arm van het slachtoffer maakt een slaande /gooiende beweging. Hierna is een zwarte vlek te zien (het hof begrijpt: de telefoon van verdachte) welke door het beeld vliegt.
(…)
15:47 Dan ontstaat er een handgemeen tussen verdachte [verdachte] en het slachtoffer.
15:47 Hier zitten de handen van verdachte [verdachte] ter hoogte van de hals van het slachtoffer.
15:47 Het handgemeen blijft enkele seconden doorgaan.
(...)
15:47 Te zien is dat zowel verdachte als slachtoffer elkaar bij de nek vasthebben.
(...)
15:47 Er blijft een worsteling gaande.
(...)
15:48 Alle verdachten verlaten het pand.
4. De door verdachte ter terechtzitting van 24 april 2024 - zakelijk weergegeven - afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:
Ik heb het filmen met mijn telefoon ingezet als legitiem wapen.
7. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 24 april 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord gevoerd, onder meer inhoudende:

Primair verzoek ik om cliënt vrij te spreken, nu aan mijn cliënt een geslaagd beroep op noodweer toekomt. Subsidiair verzoek ik over te gaan tot een schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel. Meer subsidiair verzoek ik om aan cliënt een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.
Het is niet vast te stellen dat het letsel van aangever het gevolg is geweest van hetgeen cliënt verweten wordt. Dat cliënt aangever op enig moment bij de keel heeft vastgepakt, staat niet ter discussie. Cliënt betwist dat hij in de keel van aangever heeft geknepen. De politie heeft aangever verantwoordelijk gesteld voor bevoegdheden die de politie dient uit te oefenen en aangever heeft dat kennelijk zo begrepen dat niemand bij de auto mocht komen. De politie had tegen cliënt gezegd dat zij de spullen uit de auto konden halen en ik begrijp dan de verontwaardiging bij mijn cliënt. De frustratie die daardoor is ontstaan, kan ik mij voorstellen. Aangever heeft daar niet helemaal eerlijk over verklaard. Cliënt, zijn broer en vriend proberen zich vervolgens toegang tot de auto te verschaffen, hetgeen zij wellicht beter niet hadden kunnen doen. Aangever probeert hen vervolgens op te sluiten en de broer van cliënt probeert dat te voorkomen en dat lukt. Er ontstaat een worsteling. Daarna besluit mijn cliënt om te filmen en dat is wellicht niet handig, maar dat is geen daad van agressie. Cliënt wilde veiligstellen wat daar gebeurde, indien het verder zou escaleren. Aangever pakt vervolgens de telefoon van cliënt en gooit deze weg. Cliënt heeft op dat moment de afweging gemaakt om niet weg te lopen en heeft ervoor gekozen om aangever weg te duwen, de goederen uit de auto te halen en samen met de anderen te vertrekken. Aangever is vervolgens begonnen met slaan, zoals dat ook volgt uit de stills. Op dat moment heeft cliënt - hetgeen ten laste is gelegd - aangever bij de keel gepakt en vastgehouden en van zich afgehouden. Cliënt heeft aangever niet geslagen. In die situatie had van mijn cliënt onder die omstandigheden niet verwacht hoeven te worden dat hij door die deur naar buiten zou lopen. Dat was verstandiger geweest, maar het was ook niet te voorzien dat aangever hem aan zou vallen. Het handelen van mijn cliënt is binnen de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit gebleven. Het valt mij ten slotte op dat aangever in zijn aangifte over een aantal punten zwijgt en pas later, na het zien van de beelden, enkele verklaringen geeft.
8. Het hof heeft het beroep op noodweer als volgt verworpen:

Uit voorgaande feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof dat er, nadat een worsteling heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte, een kort moment van relatieve rust is zonder uitoefening van geweld. Vervolgens is het aangever geweest die de telefoon van verdachte afpakt en weggooit. In zoverre is er sprake van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van een goed van verdachte.
Verdachte heeft als reactie op deze gedraging vervolgens aangever bij zijn keel gepakt en deze dichtgeknepen.
Met betrekking tot de vraag of verdachte ten aanzien van deze gedragingen succesvol een beroep kan doen op noodweer overweegt het hof als volgt. Verdachte, zijn broer en vriend luisterden niet naar aangever en hebben zich niet gehouden aan de algemene regels die golden binnen het bedrijf. Op het moment dat verdachtes auto - na berging daarvan - op dat bedrijf staat, is het bedrijf daarvoor verantwoordelijk. Bovendien heeft aangever aanwijzingen gegeven en verdachte en zijn gezelschap gevraagd om even te wachten, waaraan door hen geen gehoor is gegeven. Verdachte wilde zijn spullen uit de auto halen en was niet bereid om daarvoor te wachten. Vervolgens volgden zij aangever naar de andere ruimte en ontstaat er in de hal uiteindelijk een worsteling. Uit het dossier valt af te leiden dat verdachte, samen met de twee anderen, dwingend was in zijn wens om zijn spullen uit zijn auto te halen en ook dat hij weinig boodschap had aan de binnen het bedrijf van aangever geldende regels en de door aangever gegeven instructies. Verdachte had tussendoor ook steeds de gelegenheid om naar buiten te gaan en te wachten maar heeft er desondanks bewust voor gekozen om in het halletje te blijven staan. Op een gegeven moment besluit verdachte dan om aangever - zonder diens toestemming en terwijl aangever in de uitoefening van zijn functie is - met zijn telefoon visueel vast te leggen. Verdachte heeft dat gedaan met de kennelijke wens om aangevers gedrag te sturen en heeft ter terechtzitting in hoger beroep ook erkend dat hij dat heeft ingezet als een in zijn ogen “legitiem wapen”. Het hof is van oordeel dat deze gedragingen escalerende handelingen van verdachte zijn geweest, tijdens een al gespannen situatie en nadat er eerder al een worsteling bij de deur heeft plaatsgevonden tussen aangever en de broer van verdachte. Verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer ten aanzien van de telefoon uitgelokt.
Gelet op alle voorgaande feiten en omstandigheden, de uiterlijke verschijningsvorm en in het bijzonder de wijze van handelen en het provocerende gedrag van verdachte, is het hof van oordeel dat verdachte zelf een prominent aandeel heeft gehad in zowel het ontstaan als in het laten escaleren van de situatie. Het hof merkt daarbij op dat verdachte de confrontatie eenvoudig had kunnen vermijden door naar de aanwijzingen van aangever te luisteren en rustig (buiten) te wachten totdat hij aan de beurt was, zelfs nog nadat de deur naar buiten weer opnieuw open stond. Verdachte was echter niet bereid om te wachten, luisterde niet en is direct de discussie met aangever aangegaan. Bovendien is verdachte bewust binnen blijven staan en heeft hij - tijdens de al gespannen situatie - zijn telefoon doelbewust als middel ingezet om zijn zin te krijgen en daarmee zelf (en opnieuw) de confrontatie met aangever opgezocht. Naar het oordeel van het hof is er daarom in het onderhavige geval sprake van bijzondere omstandigheden, waarbij de gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het kunnen slagen van een beroep op noodweer. Het hof is gelet op het voorgaande van oordeel dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt en zal dit daarom verwerpen.

De toelichting op het middel

9. De steller van het middel klaagt dat het oordeel dat sprake is van ‘culpa in causa’ blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans uitgaat van een te ruime invulling daarvan. Voorts wordt geklaagd dat dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd, nu de door het hof in aanmerking genomen gedragingen – het blijven staan in het halletje en het filmen van aangever – niet kunnen dragen dat verdachte willens en wetens de confrontatie heeft gezocht en een gewelddadige reactie heeft uitgelokt. Daarbij wordt erop gewezen dat het hof in het midden heeft gelaten wie het handgemeen is begonnen, terwijl uit de feiten en omstandigheden volgt dat de aangever de telefoon heeft afgepakt en de verdachte heeft geslagen.

Het beoordelingskader: culpa in causa

10. Gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, kunnen in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. [1]
Zulke bijzondere omstandigheden kunnen naar het oordeel van de Hoge Raad zijn:
- de verdachte heeft de aanval uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij was aldus uit op een confrontatie;
- de verdachte heeft willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer uitgelokt.
11. Hoe genuanceerd de grenzen liggen, blijkt uit de volgende casusposities die door de Hoge Raad als
onvoldoende voor culpa in causa zijn aangemerkt:
- de verdachte heeft de confrontatie en de kans op escalatie bewust opgezocht, terwijl hij er ook voor had kunnen kiezen dit niet te doen;
- de verdachte heeft zich willens en wetens in een situatie begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel;
- de verdachte heeft zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen voorzien.
12. Uit de vergelijking van deze casusposities leid ik af dat een geval van culpa in causa uitsluitend kan worden aangenomen wanneer het handelen van de verdachte de aanval door het latere slachtoffer in bepaalde mate heeft
teweeggebracht. Het aspect van
uitlokking(van een gewelddadige reactie) dan wel van
uitdagingc.q.
provocatie(van het slachtoffer) is doorslaggevend. Niet voldoende is dat de verdachte zich welbewust heeft begeven in een situatie waarin een aanval door het latere slachtoffer waarschijnlijk is. Kortom, het enkele opzoeken van een confrontatie is niet voldoende; het gaat om het initiëren ervan, het nemen van een flinke trede op de escalatieladder.
13. Aan de motivering van dit oordeel stelt de Hoge Raad bovendien hoge eisen. De feitenrechter dient zijn oordeel te gronden op “
nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen”. [2]

De bespreking van het middel

14. Het hof heeft geoordeeld dat het afpakken en weggooien van de telefoon van de verdachte kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van een goed van de verdachte door de aangever. De verdachte heeft daarna de aangever bij de keel gepakt en die dichtgeknepen. De verdachte beroept zich op noodweer. Vervolgens heeft het hof beoordeeld of culpa in causa aan een geslaagd beroep op noodweer in de weg staat. Het hof heeft daartoe – door mij samengevat – in aanmerking genomen dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de instructies van de aangever, zich niet aan de gespannen situatie heeft onttrokken terwijl daartoe gelegenheid bestond, en vervolgens heeft bijgedragen aan de escalatie door de aangever bij wijze van pressiemiddel (opzichtig) te filmen.
15. Anders dan de steller betoogt, heeft het hof zijn oordeel niet uitsluitend gebaseerd op het blijven staan in het halletje en het filmen van de aangever, maar deze gedragingen bezien in de context van een reeds gespannen situatie. In dat licht acht ik het oordeel dat de verdachte willens en wetens de confrontatie heeft gezocht en een gewelddadige reactie heeft uitgelokt niet onbegrijpelijk. Dat het hof in het midden heeft gelaten wie het handgemeen is begonnen, doet daaraan m.i. niet af, nu het oordeel omtrent culpa in causa is gegrond op de aan de aanranding voorafgaande gedragingen van de verdachte en niet op de initiatie van het daaropvolgende fysieke geweld.
16. Kortom, met het oordeel dat de verdachte willens en wetens de confrontatie heeft gezocht, een gewelddadige reactie heeft uitgelokt en aldus een prominent aandeel heeft gehad in het ontstaan en de escalatie van de situatie, heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de rechtspraak van de Hoge Raad inzake culpa in causa. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

Slotsom

17. Het middel faalt en kan worden afgedaan met een aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
18. Ambtshalve merk ik op dat de redelijke termijn in cassatie zal zijn overschreden, nu de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep op 22 mei 2024 uitspraak zal doen. De Hoge Raad kan volstaan met de enkele constatering daarvan, aangezien het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde taakstraf minder dan honderd uren beloopt. [3]
19. Ambtshalve gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
20. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
2.HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456,
3.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, r.o. 3.1.2. en 3.1.3.