Conclusie
advocaat: mr. F.W.E. Eijsvogels,
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel Iwordt aangevoerd dat er in cassatie van uit moet worden gegaan dat plaatsing in een open instelling voor betrokkene een passende vervolgplek is of kan zijn, omdat de rechtbank in het midden heeft gelaten of een dergelijke plaatsing een passende vervolgplek is of kan zijn. [4] De Herbergier is een open instelling waar geen verplichte zorg wordt verleend en de vraag of plaatsing in een open instelling een passende vervolgplek voor betrokkene is of kan zijn, is afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek dat de specialist ouderengeneeskunde nog diende te verrichten. Ervan uitgaand dat plaatsing in een open instelling een passende vervolgplek voor betrokkene is of kan zijn, wordt geklaagd dat aan de voorwaarden uit artikel 24 lid 3 onder Pro b tot en met d Wzd niet is voldaan: de voortzetting van het verblijf is niet noodzakelijk (onder b) noch geschikt (onder c) om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en er is daarvoor een minder ingrijpende mogelijkheid (onder d). De rechtbank had het verzoek in het licht van artikel 24 lid 3 Wzd Pro moeten afwijzen dan wel de behandeling van het verzoek in afwachting van de afronding van het onderzoek van de specialist ouderengeneeskunde moeten aanhouden, aldus dit onderdeel.
De eerste reden is dat de advocaat van betrokkene heeft verzocht de rechterlijke machtiging in duur te beperken, zodat er meer progressie komt in het zoeken naar een passende (vervolg)plek. Hierbij verwijst het onderdeel naar HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475, r.o. 3.3. Naar ik begrijp, wordt met deze verwijzing een beroep gedaan op de uit deze uitspraak voorvloeiende motiveringsplicht van de rechtbank in geval van een voldoende toegelicht bezwaar tegen de duur van de verzochte machtiging.
De tweede reden is dat de rechtbank de benodigde tijd voor het onderzoek door de specialist oudergeneeskundige in aanmerking had moeten nemen, omdat deze benodigde tijd en de uitkomst van dat onderzoek van belang zijn of kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of een rechterlijke machtiging kan worden opgelegd en voor de duur van de machtiging (met name indien uit het onderzoek blijkt dat de Herbergier een passende vervolgplek is of kan zijn).
noodzakelijkis om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden;
geschiktis om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en
geen minder ingrijpende mogelijkhedenzijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
onderdelen I en IIwordt in de kern geklaagd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 24 lid Pro 3, onder b-d, Wzd van noodzaak, geschiktheid en subsidiariteit van de verleende machtiging, dan wel dat de beslissing dat aan deze voorwaarden is voldaan onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, gelet op – kortweg – de nog te onderzoeken mogelijkheid van een open vervolgplaats voor betrokkene in de Herbergier.
Onderdeel IIIbevat de motiveringsklacht dat de rechtbank in haar oordeel over de duur van de machtiging niet in aanmerking heeft genomen hoeveel tijd naar verwachting gemoeid is met het door de specialist ouderengeneeskunde toegezegde onderzoek naar de vraag of de Herbergier ook een passende plek voor betrokkene kan zijn.
behandelaarsom tijdens de wachttijd voor passende plekken binnen Silverein ook opties buiten Silverein te onderzoeken. De rechtbank overweegt in r.o. 3.8 immers:
misschieneen goede oplossing is.
Bovendien is van belang dat de advocaat de rechtbank niet heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van het verzoek om het onderzoek naar de geschiktheid van de Herbergier uit te voeren alvorens de rechtbank op het verzoek beslist. Wel heeft de rechter ter zitting de specialist ouderengeneeskunde gevraagd te kijken of de Herbergier een optie zou kunnen zijn, waarop de arts bevestigend heeft geantwoord. Daar komt bij dat de specialist ouderengeneeskunde, weliswaar in zijn algemeenheid, als volgt heeft verklaard over wachttijden buiten de huidige zorgaanbieder Silverein:
Overigens maken de mails waarnaar de advocaat ter zitting verwijst geen deel uit van het in cassatie overgelegde dossier in eerste aanleg. Het is mij daardoor ook niet duidelijk aan wie die mails waren gericht: aan de behandelaars en/of aan de rechtbank.
onderdelen I-IIImijns inziens af. Dat een open instelling – waarvoor, naar ik de onderdelen begrijp, geen machtiging op grond van de Wzd vereist zou zijn – voor betrokkene een passende vervolgplek is of kan zijn en dat ten tijde van de beslissing van de rechtbank nog onduidelijk was of de Herbergier die passende vervolgplek zou kunnen zijn, maakt in deze zaak mijns inziens niet dat niet is voldaan aan de eisen van noodzaak, geschiktheid en subsidiariteit van de verleende machtiging, zoals het onderdeel betoogt. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat er op het moment van beoordeling immers nog geen concrete passende vervolgplek voor betrokkene
is, hoe wenselijk dat ook zou zijn.
Ook had de rechtbank in haar beoordeling van de vraag of voldaan is aan de wettelijke eisen van artikel 24 lid Pro 3, onder b-d, Wzd (onderdeel I en II) en van de duur van de machtiging (onderdeel III), niet de vraag hoeven te betrekken of ook de Herbergier – als open plek waarin geen verplichte zorg wordt verleend – een passende plek voor betrokkene is of kan zijn (zie hiervoor onder 3.17-3.22).
onderdeel IIIop HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475 betrokkene niet baten. De uitspraak wijst op de rechterlijke motiveringplicht na een voldoende toegelicht bezwaar van betrokkene.
De beslissing om de duur van de machtiging niet te bekorten is daarmee mijns inziens voldoende gemotiveerd en ook begrijpelijk.