ECLI:NL:PHR:2026:549

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
29 mei 2026
Publicatiedatum
29 mei 2026
Zaaknummer
25/02413
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 WzdArt. 5 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling opvolgende machtiging tot opname en verblijf onder de Wet zorg en dwang bij wachtlijstproblematiek

Betrokkene verblijft op grond van een rechterlijke machtiging in een Wzd-zorglocatie van Silverein, maar is daar niet op zijn plek en kan niet naar huis vanwege een onveilige thuissituatie. De rechtbank verleende een opvolgende machtiging tot opname en verblijf voor zes maanden, waarbij rekening werd gehouden met de wachtlijst voor passende plekken binnen Silverein en de noodzaak van tijd voor verhuizing.

De advocaat van betrokkene stelde dat een open instelling, de Herbergier, een passende plek zou kunnen zijn, maar de rechtbank achtte dit voorstel niet concreet genoeg om het besluit te beïnvloeden. De specialist ouderengeneeskunde zou onderzoeken of de Herbergier een passende plek is, maar dit onderzoek was nog niet afgerond bij de beslissing.

In cassatie werd geklaagd over de motivering en het niet betrekken van de Herbergier als mogelijke passende plek, alsmede over de duur van de machtiging. De Hoge Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat voldaan is aan de wettelijke eisen van noodzaak, geschiktheid en subsidiariteit, en dat de duur van zes maanden gerechtvaardigd is gezien de wachtlijst en de noodzaak van een zorgvuldige verhuizing.

De klachten over een overbruggingsmachtiging worden verworpen omdat de rechtbank niet heeft bedoeld een dergelijke machtiging te verlenen. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de opvolgende machtiging tot opname en verblijf onder de Wzd blijft voor zes maanden van kracht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02413
Zitting29 mei 2026
CONCLUSIE
L.M. Coenraad
In de zaak
[betrokkene],
hierna: betrokkene,
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. F.W.E. Eijsvogels,
tegen
Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ),
hierna: het CIZ,
verweerder in cassatie.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wzd-zaak is door de rechtbank een opvolgende machtiging tot opname en verblijf verleend voor de duur van zes maanden. Betrokkene verblijft op een Wzd-zorglocatie van zorgaanbieder Silverein, maar is daar niet op zijn plek. Betrokkene kan naar het in cassatie onbestreden oordeel van de rechtbank echter niet naar huis. Hij staat op de wachtlijst voor enkele locaties binnen Silverein, maar nog niet duidelijk is wanneer een plek beschikbaar komt. Ook is er volgens de rechtbank tijd nodig om de verhuizing en plaatsing in goede banen te leiden, nu betrokkene al heeft aangegeven daaraan niet te zullen meewerken.
1.2
De rechtbank overweegt in de bestreden beschikking dat de specialist ouderengeneeskunde heeft toegezegd, in afwachting van plaatsing bij Silverein, dat zij zal onderzoeken of de door de advocaat van betrokkene geopperde mogelijkheid van de Herbergier [1] ook een passende plek voor betrokkene kan zijn. Namens betrokkene is aangevoerd dat de Herbergier een open instelling is waar geen verplichte zorg wordt verleend.
1.3
In cassatie wordt geklaagd dat de machtiging tot opname en verblijf ten onrechte is verleend dan wel dat de daartoe strekkende beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is. De eerste drie onderdelen van het middel nemen tot uitgangspunt dat de rechtbank in haar beoordeling van de vraag of voldaan is aan de wettelijke eisen van artikel 24 Wzd Pro en van de duur van de machtiging had moeten betrekken of ook de Herbergier een passende plek voor betrokkene is of kan zijn. De laatste twee onderdelen van het middel klagen dat, voor zover de rechtbank bedoeld heeft een overbruggingsmachtiging te verlenen, die beslissing onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is.
1.4
Naar mijn oordeel slagen de klachten niet.

2.Feiten en procesverloop

2.1
Betrokkene verblijft op grond van een (opvolgende) rechterlijke machtiging met een geldigheidsduur tot en met 7 april 2025 in een accommodatie van zorgaanbieder Silverein. [2]
2.2
Het CIZ heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (hierna: de rechtbank), bij verzoekschrift, binnengekomen bij de rechtbank op 21 maart 2025, verzocht ten aanzien van betrokkene een rechterlijke machtiging te verlenen voor de duur van zes maanden. Voor zover in cassatie van belang, is het verzoek als volgt toegelicht.
“Ten aanzien van de proportionaliteit en doelmatigheid blijkt uit de medische verklaring dat voortzetting van verblijf nodig is om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden. Betrokkene wil alleen thuis wonen en niet op een andere plek wat de kans op een vrijwillige verhuizing/opname elders klein maakt. Echter is terugkeren naar de thuissituatie niet wenselijk gezien het huiselijk geweld dat destijds aan de orde was. Het gedrag van betrokkene lijkt niet te zijn veranderd, wat het aannemelijk maakt dat bij terugkeer de situatie zich zal herhalen. Ook heeft zijn echtgenote medische problemen wat haar draagkracht kleiner maakt (bijlage 3 [de medische verklaring; A-G]).
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. Het is niet mogelijk om het ernstig nadeel in de thuissituatie af te wenden. Aangezien betrokkene zich verbaal verzet tegen het huidige verblijf en ook niet op een andere locatie wil verblijven is een rechterlijke machtiging onafwendbaar geworden (bijlage 3 [de medische verklaring; A-G]).”
2.3
De mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft plaatsgevonden op 3 april 2025. Daarbij zijn gehoord: betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, een specialist ouderengeneeskunde en de mentor van betrokkene. Van de mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Bij mondelinge uitspraak van 4 april 2025, schriftelijk uitgewerkt op 14 april 2025 (hierna: de bestreden beschikking), heeft de rechtbank de verzochte machtiging verleend tot en met 4 oktober 2025. [3] De rechtbank heeft, voor zover in cassatie van belang, in de bestreden beschikking als volgt overwogen:
“3.1 De rechtbank verleent de gevraagde machtiging voor de duur van zes maanden. Er is namelijk aan alle voorwaarden uit de Wet zorg en dwang voldaan. (…).
(…).
3.5.
De advocaat verzoekt om afwijzing van de maatregel. Zij brengt naar voren dat er geen sprake is van ernstig nadeel. Betrokkene kan enkel niet meer thuis wonen door een voorgevallen incident tussen betrokkene en zijn stiefzoon. Dat is een externe factor die niets te maken heeft met het functioneren van betrokkene. Betrokkene is in staat om met ondersteuning, nog zelfstandig thuis te wonen. De advocaat geeft aan dat betrokkene niet op de huidige afdeling thuishoort, omdat hij ‘veel beter’ is dan de rest. Dat geeft wrijving en zorgt voor conflicten met de andere medebewoners. Het verblijf van betrokkene op de afdeling is daarom niet noodzakelijk en er zijn minder ingrijpende mogelijkheden om het ernstig nadeel te voorkomen. Uit de processtukken en wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken blijkt dat er sprake is van een zeer kwetsbare thuissituatie, waarbij er geen steunsysteem aanwezig is om begeleiding van betrokkene thuis te faciliteren. Voorafgaand aan de opname is er in de thuissituatie sprake geweest van onveiligheid door het gedrag van betrokkene richting zijn echtgenote. Daarnaast valt te verwachten dat er zich in de thuissituatie opnieuw (fysieke) escalaties zullen voordoen gezien de ernstig verstoorde relatie tussen betrokkene en zijn stiefkinderen. Zonder juridisch kader zal betrokkene direct terugkeren naar de echtelijke woning. Het ernstig nadeel zal op dat moment vrijwel direct optreden, vanwege de gezinsdynamiek. Hieruit maakt de rechtbank op dat er wel sprake is van ernstig nadeel en dat betrokkene niet meer op een veilige en verantwoorde manier thuis kan wonen.
3.6.
De opname en het verblijf zijn noodzakelijk en geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden. Betrokkene verzet zich hiertegen.
3.7.
Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
3.8.
De advocaat verzoekt subsidiair om de duur van de rechtelijke machtiging te beperken tot drie maanden, zodat er meer progressie komt in het zoeken naar een passende (vervolg) plek. De advocaat verzoekt de behandelaren om intussen ook te kijken naar alternatieve (open) plekken, buiten Silverein. Anders dan de advocaat ziet de rechtbank geen aanleiding de termijn van de machtiging te beperken in duur. Inmiddels heeft de specialist ouderengeneeskunde verschillende plekken binnen Silverein gevonden, waar betrokkene, zodra er plek is, met voorrang geplaatst zou kunnen worden. Het is echter nog niet duidelijk wanneer betrokkene daar terecht kan. Daarnaast is er tijd nodig om de verhuizing en de plaatsing in goede banen te leiden. Betrokkene heeft al aangegeven daar niet aan mee te zullen werken, zodat een rechterlijke machtiging daarvoor noodzakelijk is. De specialist ouderengeneeskunde heeft toegezegd dat zij, in afwachting van plaatsing bij Silverein, zal onderzoeken of de Herbergier (het voorstel van de advocaat) ook een passende plek voor betrokkene kan zijn. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat de inzet van de mentor en de specialist ouderengeneeskunde erop gericht is om zo snel mogelijk een passende vervolgplek voor betrokkene te realiseren.”
2.5
Bij procesinleiding, ingekomen bij de griffie op 4 juli 2025, heeft betrokkene tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. Van het gemaakte voorbehoud het cassatiemiddel aan te vullen of aan te passen na ontvangst van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft betrokkene geen gebruik gemaakt.
2.6
Het CIZ heeft geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel bevat vijf onderdelen. Alle onderdelen steunen op de overweging van de rechtbank in r.o. 3.8 dat de specialist ouderengeneeskunde heeft toegezegd dat zij, in afwachting van plaatsing bij Silverein, zal onderzoeken of de Herbergier, het voorstel van de advocaat, ook een passende plek voor betrokkene kan zijn.
Onderdelen I-III
3.2
In
onderdeel Iwordt aangevoerd dat er in cassatie van uit moet worden gegaan dat plaatsing in een open instelling voor betrokkene een passende vervolgplek is of kan zijn, omdat de rechtbank in het midden heeft gelaten of een dergelijke plaatsing een passende vervolgplek is of kan zijn. [4] De Herbergier is een open instelling waar geen verplichte zorg wordt verleend en de vraag of plaatsing in een open instelling een passende vervolgplek voor betrokkene is of kan zijn, is afhankelijk van de uitkomst van het onderzoek dat de specialist ouderengeneeskunde nog diende te verrichten. Ervan uitgaand dat plaatsing in een open instelling een passende vervolgplek voor betrokkene is of kan zijn, wordt geklaagd dat aan de voorwaarden uit artikel 24 lid 3 onder Pro b tot en met d Wzd niet is voldaan: de voortzetting van het verblijf is niet noodzakelijk (onder b) noch geschikt (onder c) om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden en er is daarvoor een minder ingrijpende mogelijkheid (onder d). De rechtbank had het verzoek in het licht van artikel 24 lid 3 Wzd Pro moeten afwijzen dan wel de behandeling van het verzoek in afwachting van de afronding van het onderzoek van de specialist ouderengeneeskunde moeten aanhouden, aldus dit onderdeel.
3.3
Onderdeel IIricht zich, in het licht van onderdeel I, met een motiveringsklacht tegen r.o. 3.5 tot en met 3.8 van de bestreden beschikking. Het onderdeel voert aan dat de specialist ouderengeneeskunde ten tijde van de bestreden beschikking nog moest onderzoeken of de Herbergier, voorgesteld door de advocaat, een passende vervolgplek voor betrokkene kan zijn en dat de uitkomsten van dat onderzoek nog niet beschikbaar waren. Onder die omstandigheden kon de rechtbank (nog) niet beslissen of aan de voorwaarden genoemd in artikel 24 lid Pro 3, onder b, c en/of d Wzd was voldaan en of een juridisch kader nodig was. Geklaagd wordt dat de beslissing van de rechtbank dat aan deze voorwaarden is voldaan daarom onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is.
3.4
Onderdeel IIIricht zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.8 dat er geen aanleiding is om de machtiging in duur te beperken tot drie maanden, zoals de advocaat had verzocht. Het oordeel van de rechtbank is volgens het onderdeel onvoldoende gemotiveerd, omdat de rechtbank niet (kenbaar) in aanmerking heeft genomen hoeveel tijd naar verwachting gemoeid is met het onderzoek dat de specialist oudergeneeskundige heeft toegezegd uit te voeren naar de vraag of de Herbergier ook een passende plek voor betrokkene kan zijn. De rechtbank had dit wel in aanmerking moeten nemen om de volgende twee redenen, aldus het onderdeel.
De eerste reden is dat de advocaat van betrokkene heeft verzocht de rechterlijke machtiging in duur te beperken, zodat er meer progressie komt in het zoeken naar een passende (vervolg)plek. Hierbij verwijst het onderdeel naar HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475, r.o. 3.3. Naar ik begrijp, wordt met deze verwijzing een beroep gedaan op de uit deze uitspraak voorvloeiende motiveringsplicht van de rechtbank in geval van een voldoende toegelicht bezwaar tegen de duur van de verzochte machtiging.
De tweede reden is dat de rechtbank de benodigde tijd voor het onderzoek door de specialist oudergeneeskundige in aanmerking had moeten nemen, omdat deze benodigde tijd en de uitkomst van dat onderzoek van belang zijn of kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of een rechterlijke machtiging kan worden opgelegd en voor de duur van de machtiging (met name indien uit het onderzoek blijkt dat de Herbergier een passende vervolgplek is of kan zijn).
3.5
Deze eerste drie onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Daarbij stel ik het volgende voorop.
3.6
De wettelijke eisen voor het verlenen van een machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf of voortzetting van het verblijf staan in artikel 24 Wzd Pro. Lid 3 in verbinding met lid 1 van deze bepaling bepaalt dat de rechter een rechterlijke machtiging kan verlenen, indien naar het oordeel van de rechter:
a. het gedrag van een cliënt als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening of verstandelijke handicap, dan wel als gevolg van een daarmee gepaard gaande psychische stoornis of een combinatie daarvan, leidt tot ernstig nadeel;
b. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf
noodzakelijkis om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden;
c. de opname en het verblijf of de voortzetting van het verblijf
geschiktis om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden, en
d. er
geen minder ingrijpende mogelijkhedenzijn om het ernstige nadeel te voorkomen of af te wenden.
3.7
In cassatie onbestreden is het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.2-3.4 dat het gedrag van betrokkene als gevolg van zijn psychogeriatrische aandoening, te weten een uitgebreide neurocognitieve stoornis, vermoedelijk vasculair, leidt tot het door de rechtbank genoemde ernstig nadeel.
3.8
Ook in cassatie onbestreden is het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.5 dat betrokkene niet meer op een veilige en verantwoorde manier thuis kan wonen.
3.9
Eveneens onbestreden in cassatie zijn de overwegingen van de rechtbank in r.o. 3.8 dat de specialist ouderengeneeskunde verschillende plekken binnen Silverein heeft gevonden, waar betrokkene, zodra er plek is, met voorrang geplaatst zou kunnen worden, maar dat nog onduidelijk is wanneer betrokkene daar terecht kan.
3.1
Van de voornoemde oordelen en overwegingen moet dus in cassatie worden uitgegaan.
3.11
Ik keer terug naar de bespreking van de onderdelen I-III.
3.12
In de
onderdelen I en IIwordt in de kern geklaagd dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 24 lid Pro 3, onder b-d, Wzd van noodzaak, geschiktheid en subsidiariteit van de verleende machtiging, dan wel dat de beslissing dat aan deze voorwaarden is voldaan onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, gelet op – kortweg – de nog te onderzoeken mogelijkheid van een open vervolgplaats voor betrokkene in de Herbergier.
Onderdeel IIIbevat de motiveringsklacht dat de rechtbank in haar oordeel over de duur van de machtiging niet in aanmerking heeft genomen hoeveel tijd naar verwachting gemoeid is met het door de specialist ouderengeneeskunde toegezegde onderzoek naar de vraag of de Herbergier ook een passende plek voor betrokkene kan zijn.
3.13
Naar ik begrijp nemen deze onderdelen tot uitgangspunt dat de rechtbank in haar beoordeling van de vraag of voldaan is aan de wettelijke eisen van artikel 24 lid Pro 3, onder b-d, Wzd en van de duur van de machtiging, had moeten betrekken of ook de Herbergier – als open instelling waarin geen verplichte zorg wordt verleend – een passende plek voor betrokkene is of kan zijn.
3.14
Het oordeel van de rechtbank in r.o. 3.6 en r.o. 3.7 dat de opname en het verblijf noodzakelijk en geschikt zijn om het ernstig nadeel te voorkomen of af te wenden en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn die het beoogde effect hebben, moet mijns inziens ten eerste gelezen worden in het licht van het direct daaraan voorafgaande, in cassatie onbestreden, oordeel van de rechtbank in r.o. 3.5:
“(…) Zonder juridisch kader zal betrokkene direct terugkeren naar de echtelijke woning. Het ernstig nadeel zal op dat moment vrijwel direct optreden, vanwege de gezinsdynamiek. Hieruit maakt de rechtbank op dat er wel sprake is van ernstig nadeel en dat betrokkene niet meer op een veilige en verantwoorde manier thuis kan wonen.”
3.15
Voor zowel het oordeel van de rechtbank over noodzaak, geschiktheid en subsidiariteit als haar oordeel over de duur van de verleende machtiging is ook relevant dat de rechtbank in r.o. 3.8, ook in cassatie onbestreden, heeft overwogen dat de specialist ouderengeneeskunde verschillende plekken binnen Silverein heeft gevonden waar betrokkene, zodra er plek is, met voorrang geplaatst zou kunnen worden, gevolgd door de overwegingen:
“Het is echter nog niet duidelijk wanneer betrokkene daar terecht kan. Daarnaast is er tijd nodig om de verhuizing en de plaatsing in goede banen te leiden. Betrokkene heeft al aangegeven daar niet aan mee te zullen werken, zodat een rechterlijke machtiging daarvoor noodzakelijk is.”
3.16
Kortom, zo begrijp ik de redenering van de rechtbank: op het moment van beoordeling door de rechtbank kon betrokkene niet terug naar huis, omdat het ernstig nadeel daar zou herleven, en stond hij op de wachtlijst voor een passende vervolgplek binnen Silverein, waarbij nog onduidelijk was hoe lang het zou duren eer een plek beschikbaar zou zijn. Bij die stand van zaken heeft de rechtbank geoordeeld dat voldaan was aan de vereisten voor het verlenen van een machtiging voor de duur van zes maanden, zodat betrokkene op de huidige Wzd-locatie kon verblijven totdat hij zou kunnen verhuizen naar een passende vervolgplek.
3.17
In haar beoordeling van de vraag of voldaan is aan de wettelijke eisen van artikel 24 lid Pro 3, onder b-d, Wzd en van de duur van de machtiging, heeft de rechtbank dus niet betrokken of ook de Herbergier een passende plek voor betrokkene is of kan zijn.
3.18
De rechtbank heeft het voorstel voor de Herbergier door de advocaat van betrokkene kennelijk opgevat als een verzoek aan de
behandelaarsom tijdens de wachttijd voor passende plekken binnen Silverein ook opties buiten Silverein te onderzoeken. De rechtbank overweegt in r.o. 3.8 immers:
“De advocaat verzoekt de behandelaren om intussen ook te kijken naar alternatieve (open) plekken, buiten Silverein. (…) De specialist ouderengeneeskunde heeft toegezegd dat zij, in afwachting van plaatsing bij Silverein, zal onderzoeken of de Herbergier (het voorstel van de advocaat) ook een passende plek voor betrokkene kan zijn.”
3.19
In deze overwegingen ligt mijns inziens het oordeel van de rechtbank besloten dat de door de advocaat geopperde, eventuele, mogelijkheid van de Herbergier niet dermate concreet was dat de rechtbank daarmee rekening moest houden in haar beslissing de machtiging te verlenen. Dit is naar mijn mening een oordeel dat zo nauw verweven is met een waardering van het verhandelde ter zitting op dit punt, dat dit in cassatie alleen op begrijpelijkheid kan worden getoetst.
3.2
Gelet op het verhandelde ter zitting vind ik dit oordeel, en de overwegingen waarop dit is gestoeld, niet onbegrijpelijk. Ik citeer daartoe de desbetreffende passages uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling:
“Rechter: Die plekken van de Herbergier (die de advocaat voorstelt), is dat een WZD-locatie?
Advocaat: Als hij naar een open locatie mag, is die maatregel dan wel nodig?
(…)
Advocaat: Ik had gisteren mails gestuurd van de Herbergier. Op 2 locaties zou plek zijn. Dat is voor mensen met dementie maar in een vrije setting. In zijn situatie zou dat misschien een goede oplossing zijn. Je kan zien waar er plek is. (…)
Rechter: Voor de Herbergier is een PGB nodig. Meneer heeft geen financiën?
Mentor: Zijn echtgenote beheert deze.
Rechter: U wilt kijken naar de Herbergier, of dat een optie zou kunnen zijn?
SOG: Ja. Hij heeft hier een valse start gemaakt. Omdat we nu meer weten kan betrokkene een nieuwe plek een goede start maken.
(…)”
3.21
Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat op het moment van beoordeling door de rechtbank nog nader onderzoek nodig zou zijn om te bepalen of de Herbergier inderdaad een passende plek zou kunnen zijn. De advocaat van betrokkene verklaart ook zelf dat de Herbergier
misschieneen goede oplossing is.
Bovendien is van belang dat de advocaat de rechtbank niet heeft verzocht om aanhouding van de behandeling van het verzoek om het onderzoek naar de geschiktheid van de Herbergier uit te voeren alvorens de rechtbank op het verzoek beslist. Wel heeft de rechter ter zitting de specialist ouderengeneeskunde gevraagd te kijken of de Herbergier een optie zou kunnen zijn, waarop de arts bevestigend heeft geantwoord. Daar komt bij dat de specialist ouderengeneeskunde, weliswaar in zijn algemeenheid, als volgt heeft verklaard over wachttijden buiten de huidige zorgaanbieder Silverein:
“SOG: (…), maar buiten Silverein zal hij achteraan aansluiten omdat hij van buiten komt. Ik weet dan ook niet of we hem geplaatst krijgen met de ZZP.”
3.22
Gelet op het voorgaande is het dus niet onbegrijpelijk dat de rechtbank de eventuele mogelijkheid van de Herbergier niet heeft betrokken in haar beoordeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging. De rechtbank geeft zich in haar beschikking wel rekenschap van de Herbergier als optie, door te overwegen dat de specialist ouderengeneeskunde heeft toegezegd, in afwachting van plaatsing bij Silverein, dat zij zal onderzoeken of de Herbergier ook een passende vervolgplek zal zijn. Ik begrijp dit als een aansporing aan de specialist ouderengeneeskunde om de wachttijd voor een plek bij Silverein ook te gebruiken om te onderzoeken of de Herbergier geschikt is voor betrokkene.
Overigens maken de mails waarnaar de advocaat ter zitting verwijst geen deel uit van het in cassatie overgelegde dossier in eerste aanleg. Het is mij daardoor ook niet duidelijk aan wie die mails waren gericht: aan de behandelaars en/of aan de rechtbank.
3.23
Op het voorgaande stuiten de klachten van de
onderdelen I-IIImijns inziens af. Dat een open instelling – waarvoor, naar ik de onderdelen begrijp, geen machtiging op grond van de Wzd vereist zou zijn – voor betrokkene een passende vervolgplek is of kan zijn en dat ten tijde van de beslissing van de rechtbank nog onduidelijk was of de Herbergier die passende vervolgplek zou kunnen zijn, maakt in deze zaak mijns inziens niet dat niet is voldaan aan de eisen van noodzaak, geschiktheid en subsidiariteit van de verleende machtiging, zoals het onderdeel betoogt. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat er op het moment van beoordeling immers nog geen concrete passende vervolgplek voor betrokkene
is, hoe wenselijk dat ook zou zijn.
Ook had de rechtbank in haar beoordeling van de vraag of voldaan is aan de wettelijke eisen van artikel 24 lid Pro 3, onder b-d, Wzd (onderdeel I en II) en van de duur van de machtiging (onderdeel III), niet de vraag hoeven te betrekken of ook de Herbergier – als open plek waarin geen verplichte zorg wordt verleend – een passende plek voor betrokkene is of kan zijn (zie hiervoor onder 3.17-3.22).
3.24
Overigens kan het beroep namens betrokkene in
onderdeel IIIop HR 8 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1475 betrokkene niet baten. De uitspraak wijst op de rechterlijke motiveringplicht na een voldoende toegelicht bezwaar van betrokkene.
3.25
Over het verzoek van de advocaat om de machtiging in duur te beperken, blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling:
“Advocaat: Subsidiair: Dan voor 3 maanden om de druk er op te houden en intussen te kijken naar alternatieven. Buiten Silverein. Een open plek is moeilijk.”
3.26
De rechtbank ziet in r.o. 3.8 geen aanleiding voor een kortere duur, omdat er inmiddels plekken binnen Silverein zijn gevonden waarvoor betrokkene op de wachtlijst staat, maar nog onduidelijk is wanneer betrokkene daar terecht kan en omdat er bovendien tijd nodig is om de verhuizing en plaatsing in goede banen te leiden. De termijn van zes maanden is aldus naar het oordeel van de rechtbank nodig bevonden voor de plaatsing en verhuizing van betrokkene naar een plek binnen de organisatie. Dat laat naar het kennelijke oordeel van de rechtbank onverlet dat er intussen naar alternatieven kan en zal worden gekeken, daarbij wijzend op de toezegging van de specialist ouderengeneeskunde onderzoek te doen naar de Herbergier en de inzet van daarnaast ook de mentor van betrokkene.
De beslissing om de duur van de machtiging niet te bekorten is daarmee mijns inziens voldoende gemotiveerd en ook begrijpelijk.
Onderdelen IV en V
3.27
Onderdeel IVis voorgesteld voor het geval de bestreden beschikking aldus dient te worden begrepen dat de verleende rechterlijke machtiging een overbruggingsmachtiging is. Geklaagd wordt dat de rechtbank in dat geval heeft miskend dat de Wzd, meer in het bijzonder artikel 24 Wzd Pro, daarvoor in de omstandigheden van deze zaak geen juridische basis biedt. Daarom is de beslissing van de rechtbank in strijd met de Wzd, meer in het bijzonder met artikel 24 Wzd Pro, en met artikel 5 EVRM Pro. Verder wordt geklaagd dat de rechtbank heeft miskend dat in deze zaak niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor een overbruggingsmachtiging als bedoeld in de uitspraak van de Hoge Raad van 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1063.
3.28
Onderdeel Vhangt samen met onderdeel IV. Onderdeel V is voorgesteld voor het geval dat de bestreden beschikking aldus dient te worden begrepen dat de verleende rechterlijke machtiging een overbruggingsmachtiging is en dat wordt geoordeeld dat het, naar ik begrijp, in de omstandigheden van dit geval ook mogelijk is een overbruggingsmachtiging te verlenen. Geklaagd wordt dat de rechtbank in dat geval haar beslissing tot verlening van een rechterlijke machtiging voor zes maanden onvoldoende gemotiveerd heeft. Daartoe wordt aangevoerd dat de rechtbank de tijd die de specialist ouderengeneeskunde naar verwachting nodig heeft voor het onderzoek naar de vraag of de Herbergier een passende vervolgplek voor betrokkene kan zijn en het verweer van betrokkene om de duur van de machtiging te beperken tot drie maanden, niet (kenbaar) in aanmerking heeft genomen.
3.29
Deze onderdelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
3.3
Beide onderdelen zijn aangevoerd voor het geval dat de bestreden beschikking zo begrepen moet worden dat de door de rechtbank verleende machtiging is aan te merken als overbruggingsmachtiging, zoals bedoeld door de Hoge Raad in zijn uitspraak van 7 juli 2023, [5] waarin de Hoge Raad overweegt:
“3.6 (…) het belang van continuïteit van zorg in een vertrouwde omgeving kan meebrengen dat voor een betrokkene in een geval als het onderhavige – bij wie sprake is van een verschuiving van voorliggende Wvggz-problematiek naar voorliggende Wzd-problematiek – een machtiging wordt verleend onder het regime van zijn vertrouwde omgeving, dus de instelling waar hij verblijft, indien het verlenen van die machtiging bijdraagt aan een soepele overplaatsing van de betrokkene naar (een instelling met) het andere regime. Dit is echter slechts toelaatbaar indien de machtiging wordt verleend met het oog op een reeds voorziene overgang van betrokkene naar een instelling met het andere regime en voor een daarop toegesneden beperkte duur (een overbruggingsmachtiging).”
3.31
De bestreden beschikking geeft geen enkele aanleiding te vermoeden dat de rechtbank met het verlenen van de machtiging een zogenoemde overbruggingsmachtiging als bedoeld in voornoemde uitspraak van de Hoge Raad heeft willen verlenen. Dat in de bestreden beschikking niet is voldaan aan een of meer van de voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke overbruggingsmachtiging doet dan ook niet ter zake.
3.32
De onderdelen falen derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
3.33
Evenmin is overigens sprake van een niet-toelaatbare variant van de door de Hoge Raad bedoelde overbruggingsmachtiging waarbij de onder het ene wettelijke regime verleende machtiging tijdelijk ten uitvoer wordt gelegd bij een onder het andere wettelijke regime geregistreerde accommodatie. [6]
Slotsom
3.34
Nu geen van de onderdelen slaagt, kan het middel niet tot cassatie leiden.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Een Herbergier is een kleinschalige woonvoorziening voor 16 - 24 mensen met dementie. De organisatie kent meerdere locaties (zie www.herbergier.nl). Uit de processtukken wordt niet duidelijk om welke locatie(s) het zou gaan. In navolging van de bestreden beschikking en van de procesinleiding hanteer ik in deze conclusie de aanduiding “de Herbergier”.
2.Ontleend aan het verzoekschrift van het CIZ.
4.Het onderdeel lijkt hier uit te gaan van een hypothetische feitelijke grondslag. Vgl. B.T.M. van der Wiel & L.V. van Gardingen, in: Cassatie 2026/117.
5.HR 7 juli 2023, ECLI:NL:HR:2023:1063,
6.Zie bijvoorbeeld mijn conclusie van 17 januari 2025, ECLI:NL:PHR:2025:76 over een niet-toelaatbare variant van de door de Hoge Raad geïntroduceerde overbruggingsmachtiging in verband met de Wzd-beddenproblematiek (een Wzd-machtiging die faciliteert dat deze tijdelijk in een Wvggz-accommodatie ten uitvoer wordt gelegd, totdat de betrokkene kan worden overgeplaatst naar een Wzd-accommodatie).