ECLI:NL:PHR:2026:577

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/01336
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging veroordeling voor openlijke geweldpleging en medeplegen vernieling auto

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld wegens openlijke geweldpleging in vereniging en medeplegen van vernieling van een auto. Het hof legde een taakstraf van 120 uren op, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, en kende gedeeltelijke schadevergoeding toe aan de benadeelde partij. In eerste aanleg was de verdachte vrijgesproken door de kinderrechter.

Het incident vond plaats op 15 januari 2023 te Reeuwijk, waarbij de verdachte en zijn broer ruiten van een auto vernielden waarin de ex-vriendin van de verdachte, de benadeelde en de aangever zaten. Vervolgens werd de aangever door anderen meerdere malen geslagen. Het hof oordeelde dat de verdachte opzet had op de geweldshandelingen en daaraan een significante bijdrage leverde.

In cassatie werd geklaagd over de motivering van het opzet, met name dat het hof onvoldoende had gemotiveerd dat de verdachte opzet had op de geweldshandelingen tegen de aangever. De conclusie van de procureur-generaal stelt dat het middel faalt omdat het hof voldoende bewijs had, waaronder verklaringen van betrokkenen en het feit dat de verdachte met zijn broer de ruiten insloeg waardoor de slachtoffers uit de auto stapten en het geweld mogelijk werd.

De conclusie benadrukt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte niet slechts passief aanwezig was, maar actief heeft bijgedragen aan het geweld. De cassatie wordt verworpen en de veroordeling blijft in stand.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt veroordeling tot taakstraf en jeugddetentie wegens openlijke geweldpleging en vernieling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01336 J
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 27 maart 2025 (rolnr. 22-001571-24) veroordeeld wegens de voortgezette handeling van onder 1. en 2. “openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf, voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 lid 1 Sr Pro (volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag). Ook heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en voor het toegewezen gedeelte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, een en ander zoals in het arrest nader is omschreven. In eerste aanleg is de verdachte door de kinderrechter vrijgesproken.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Op 15 januari 2023 worden door de verdachte en zijn broer twee ruiten beschadigd van de auto waarin verdachtes ex-vriendin [betrokkene 1] , [benadeelde] en aangever [aangever] reden en wordt de aangever, die vanwege het inslaan van de ruiten uit de auto was gevlucht, vervolgens meermaals door anderen geslagen. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte opzet heeft gehad op laatstgenoemde (in vereniging gepleegde openlijke) geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. In cassatie wordt geklaagd over de motivering van dit opzet.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel faalt.

3.Het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het onder 1 bewezenverklaarde opzet ontoereikend is gemotiveerd.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“1.
hij op 15 januari 2023 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk openlijk, te weten, in elk geval op of aan de openbare weg en op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [aangever] door hem met kracht tegen het hoofd althans het lichaam te slaan en trappen.
2.
hij op 15 januari 2023 te Reeuwijk, gemeente Bodegraven-Reeuwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk en wederrechtelijk een auto VW Polo met kenteken [kenteken] , die aan [benadeelde], toebehoorde heeft beschadigd.”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. De verklaring van de verdachte.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 13 maart 2025 verklaard -zakelijk weergegeven-:
Ik was wel aanwezig bij het geweldsincident op 15 januari 2023 te Reeuwijk. Het klopt dat er tussen mij en mijn ex-vriendin [betrokkene 1] eerder die dag telefonisch een discussie was over airpods.
Ik werd wakker en ik zag dat ik door een anoniem telefoonnummer was gebeld. Toen ik terugbelde, kreeg ik [benadeelde] en [aangever] aan de telefoon. Zij zeiden dat ik die airpods aan [betrokkene 1] terug moest geven. Anders zouden ze naar mijn huis komen.
2. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2023 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023015772-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 10-12) :
als de op 15 januari 2023 afgelegde verklaring van
[betrokkene 1] :
Op 16 januari 2023 (het hof begrijpt dat dit gelet op de datum van aangifte moet zijn: 15 januari 2023) ben ik met [benadeelde] en [aangever] vanuit de McDonalds in de richting van de Rijksweg A12 gegaan. Vlak voor de rotonde moesten wij ineens stoppen voor een zwarte auto, een Volkswagen. Er stapten 2 jongens uit de zwarte auto. Ik wist niet wie die jongens waren. Wij zijn weggereden, in de richting van de [a-straat] .
Uit de zwarte Volkswagen stapten 5 jongens. Ik weet zeker dat het dezelfde auto is als de zwarte Volkswagen waar kort daarvoor op de rotonde de 2 jongens uitstapten. Ik hoorde de jongens schreeuwen dat wij uit de kankerauto moesten stappen.
Ik deed wat er gevraagd werd en ben uit de auto gestapt.
Vervolgens werden de autoruit aan de bestuurderskant linksvoor en de achterruit van onze auto ingeslagen.
Volgens mij sloegen ze met de vuisten op de ramen van onze auto. Ik hoorde hele harde klappen waarna de ruiten braken. Ik zag dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte [verdachte] ) de ruit aan de bestuurder kant insloeg en [betrokkene 2] de achterruit insloeg.
Ik schrok hier heel erg van en ben gelijk uit de auto gestapt. Ik keek in de richting van [benadeelde] en ik zag dat hij een vuistslag in het gezicht kreeg van [verdachte] . Ik zag dat hij drie keer met zijn rechtervuist het gezicht van [benadeelde] raakte. Ik weet niet meer of het alleen [verdachte] was die sloeg of dat er meerdere personen bij betrokken waren.
3. Een proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever d.d. 17 januari 2023 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-2023015772-8. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 26-28) :
als de op 15 januari 2023 afgelegde verklaring van
[betrokkene 1] :
Ik zag 5 jongens uit de Volkswagen stappen. Ik herkende twee jongens als [betrokkene 2] en [verdachte] , mijn ex-vriend (het hof begrijpt: de verdachte).
4. Een proces-verbaal van aangifte van [aangever] d.d. 16 januari 2023 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL15002023015772-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 13-15) :
als de op 15 januari 2023 afgelegde verklaring van
[aangever] :
We werden klemgereden en ik zag dat er meerdere personen uit de auto’s stapten. Het waren naar mijn inschatting wel 6 tot 8 personen.
Ik zag dat iedereen die uit de twee auto's waren gestapt bij onze auto op de ramen gingen slaan.
Ik hoorde ze zeggen dat we allemaal uit de auto moesten, dat we snel er uit moesten komen. Het kwam echt dreigend over. Ik dacht echt dat ze ons wilden aanvallen. Ik was echt doodsbang.
Opeens zag ik dat de autoruit aan de bestuurderskant kapotgeslagen werd en vervolgens de achterruit van de kofferbak.
Ik schrok toen zo erg dat ik ben uitgestapt. Ik wilde daar weg en wilde vluchten. Toen ik was uitgestapt vroeg ik nog aan de jongen waarvan ik het signalement weet, wat er aan de hand was. Ik werd toen gelijk door hem geslagen. Ik heb meerdere klappen in mijn gezicht gekregen en kreeg van een andere jongen nog meer klappen. Ik zag dat ik meerdere keren door vuisten van de jongens werd geraakt.
Ik heb zeker een klap of 15 in mijn gezicht gekregen.
5. Een proces-verbaal van aangifte van [benadeelde] d.d. 16 januari 2023 van de politie eenheid Den Haag met nr. PL1500-20230158-2. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 31-33) :
als de op 16 januari 2023 afgelegde verklaring van
[benadeelde] :
Een van de jongens, een lange jongen met een fors postuur, had een dik gezicht met een sik, sloeg mijn raam aan de bestuurderskant met zijn vuist in.
Ik ben toen via de bijrijderstoel naar buiten gegaan en in de sloot gesprongen. Ik denk dat ik een minuut of twee in de sloot heb gestaan en zag hoe mijn vriend [aangever] in elkaar werd geslagen. Ik zag dat [aangever] met zijn rug tegen de witte bus aan werd gedrukt door twee personen en hij werd ook door deze twee personen in elkaar geslagen. Ik zag dat ze meerdere keren met zijn vuisten tegen het gezicht van [aangever] sloegen.
Ik zag dat het raam aan de bestuurderszijde vernield was, dat de achterruit van de kofferbak was vernield en dat de Bluetoooth speaker was vernield.
De aangever verstrekte de volgende aanvullende informatie:
- Volkswagen Polo;
- Kenteken [kenteken] .”
3.4
Het bestreden arrest houdt over feit 1 nog de volgende bewijsoverweging in:
“Namens de verdachte heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit van het onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde openlijk geweld. Daartoe heeft de raadsvrouw onder meer aangevoerd dat de verdachte weliswaar aanwezig was bij de gepleegde geweldshandelingen, maar zelf geen geweldshandelingen heeft verricht.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
Voor openlijk geweld moet er volgens vaste jurisprudentie van de zijde van de verdachte sprake zijn geweest van een significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld. Hierbij moet het gaan om een materiële of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht.
Naar het oordeel van het hof is op grond van de stukken in het dossier voldoende komen vast te staan dat er voorafgaand aan het geweldsincident telefonisch contact is geweest tussen [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) en [aangever] (hierna: [aangever] ) enerzijds en de verdachte anderzijds over de airpods die de verdachte nog van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) zou hebben.
Verder heeft de verdachte verklaard dat hij bij het geweldsincident dat volgde aanwezig was en heeft hij blijkens de verklaring van [betrokkene 1] met zijn broer ruiten van de auto waarin zij zat met [benadeelde] en [aangever] kapot geslagen. Door de vernieling van de ruiten waren [aangever] , [benadeelde] en [betrokkene 1] zo bang geworden dat ze uit de auto zijn gestapt.
Hierdoor is de mogelijkheid ontstaan voor anderen om [aangever] vervolgens in elkaar te slaan.
Op grond van het vorenstaande staat voor het hof vast dat de verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij ook opzet heeft gehad op de onder 1 meest subsidiair ten laste geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd. Derhalve acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 meest subsidiair tenlastegelegde openlijk geweld. Het verweer wordt verworpen.”
3.5
Uit de toelichting op het middel volgt dat het cassatieberoep zich richt tegen het oordeel van het hof dat de verdachte opzet heeft gehad op de onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde geweldshandelingen. Dat oordeel zou ontoereikend zijn gemotiveerd althans onbegrijpelijk zijn omdat die overweging volgens de steller van het middel (uitsluitend) berust op de aanwezigheid van de verdachte ter plaatse en het kennelijke (door de verdachte overigens betwiste) vernielen van de ruiten, terwijl het hof niet overweegt dat de verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan de daarop volgende geweldshandelingen tegen [aangever] . Volgens de steller van het middel volgt uit het enkel vernielen van de ruiten niet zonder meer opzet op meer of iets anders. Dat er voorafgaand telefonisch contact is geweest over de airpods is volgens hem onvoldoende. Uit de overwegingen van het hof zou niet blijken van enig planmatig handelen, wetenschap van de eventuele intentie van anderen of andere omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat en waarom er een aanmerkelijke kans bestond dat na de kennelijke handelingen van de verdachte ten aanzien van de auto geweldshandelingen door anderen zouden worden gepleegd. Volgens de steller van het middel blijkt uit de bewijsvoering niet van omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte het geweld tegen [aangever] heeft uitgelokt of bevorderd. Tegen deze achtergrond zou de bewezenverklaring ontoereikend zijn gemotiveerd.
3.6
Het hof heeft (in de bewijsoverweging) vastgesteld dat op grond van de dossierstukken voldoende vast is komen te staan dat er voorafgaand aan het geweldsincident telefonisch contact is geweest tussen [benadeelde] (hierna: [benadeelde] ) en [aangever] (hierna: [aangever] ) enerzijds en de verdachte anderzijds over de airpods die de verdachte nog zou hebben van zijn ex-vriendin [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ). Ook heeft het hof vastgesteld dat de verdachte heeft verklaard dat hij bij het geweldsincident dat volgde aanwezig was en dat de verdachte – blijkens de verklaring van [betrokkene 1] – met zijn broer ruiten van de auto waarin zij zat met [benadeelde] en [aangever] kapot heeft geslagen, als gevolg waarvan zij alle drie zo bang zijn geworden dat ze uit de auto zijn gestapt. Het hof overweegt dat door dit gedrag van de verdachte en zijn broer de mogelijkheid is ontstaan voor anderen om [aangever] vervolgens in elkaar te slaan. Het hof oordeelt vervolgens “[o]p grond van het vorenstaande” dat de verdachte niet enkel de groep getalsmatig heeft versterkt, maar dat hij ook opzet heeft gehad op de onder 1 meest subsidiair ten laste geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante bijdrage heeft geleverd en zich daarmee schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde openlijke geweldpleging.
3.7
De bewoordingen “[o]p grond van het vorenstaande” zijn ongelukkig omdat het hof in dat vorenstaande niet uitdrukkelijk de uit bewijsmiddel 2 blijkende omstandigheid betrekt dat de verdachte – na het kapot slaan van de ruiten – driemaal met zijn vuist in het gezicht sloeg van [benadeelde] (die daarna blijkens bewijsmiddel 5 een sloot is ingesprongen). Dat neemt naar ik meen niet weg dat mede op grond daarvan in voldoende mate uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte een voldoende significante bijdrage aan de geweldpleging van [aangever] (door twee anderen) heeft geleverd. In de bewijsvoering ligt besloten dat geweldshandelingen tegen ook de (willekeurige) inzittenden van de auto door de verdachte en de medeverdachten niet werden geschuwd en daarmee eveneens dat de verdachte niet enkel (passief) aanwezig was bij het openlijk gepleegde geweld. [1] Daarbij neem ik in aanmerking dat in cassatie niet het oordeel van het hof wordt betwist dat sprake is van een voortgezette handeling en daarmee dus van één ongeoorloofd wilsbesluit. [2]

4.Afronding

4.1
Het middel faalt. Gezien de vrijspraak door de kinderrechter ligt het niet in de rede om het middel af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 13 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1093, r.o. 3.4 en 3.5.
2.Zie over voortgezette handeling bijv. HR 20 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1111,