Conclusie
Nummer24/03708
Inleiding
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd", en verder onder parketnummer 16-332214-22 wegens 3. “
poging tot uitlokking van moord”, 4. “
mishandeling” en 5. “
opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast met bevel tot verpleging van overheidswege. Verder heeft het hof een in beslag genomen, nog niet teruggegeven telefoon verbeurdverklaard. Ten slotte heeft het hof de vordering van één benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van een daarmee corresponderende schadevergoedingsmaatregel, en de tweede benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.
De bewezenverklaring en de bewijsvoering van de poging tot uitlokking van moord
3. primair
opdracht geeft tot het vermoorden en/of afmaken van die [benadeelde 1] ,
een geldbedrag hiervoor in het vooruitzicht stelt,
gedetailleerde informatie verschaft over die [benadeelde 1] , onder andere diens woonplaats, werkadres, werktijden en in welke auto die [benadeelde 1] rijdt”.
1. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 december 2023, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
bevel gevangenhouding van de raadkamer d.d. 05 januari 2023
(artikel 65 en Pro 80 Wetboek van Strafvordering)
[verdachte] ,
Beslissing
De rechtbank beveelt de gevangenhouding van de verdachte voor een termijn van 90 (negentig) dagen.
(het hof begrijpt: [benadeelde 1] )heeft aangifte tegen mij gedan. Ga naar die jongs. Je weet wie. Zeg tegen die jongs. Die man moet gepakt worden. Hij woont in [plaats] en werkt jeugdgevangenis [plaats] . Hij rijdt in zwarte Ford. Hij werkt altijd op donderdag ochtend van 7 tot 3. In de ochtend is het beste. Weinig mensen. Het moet goed gedaan worden. Geen bewijs. Mijn neef betaalt jullie. Ik heb jullie hem 1 keer laten zien dus jullie weten wie. Het moet afgelopen zijn met hem. Alle spullen zijn bij mijn neef (...)
”.
Voorzijde envelop:
Achterzijde envelop:
Brief gevonden in zijn cel:
Voorzijde envelop:
Achterzijde envelop:
PI [plaats] , [c-straat 1] , [verdachte] , Reg: 9514380.
”
19. Ten aanzien van feit 3 geeft cliënt toe dat hij twee brieven heeft geschreven.
Bewijsoverweging
deze brief heeft dezelfde dag nadere controle in de P.I. plaatsgevonden. Daarbij is een tweede brief van verdachte aangetroffen.
er onmiskenbaar op gericht om een ander (namelijk [betrokkene 1] of “die jongs”) uit te lokken om [benadeelde 1] te vermoorden. Uit de omstandigheid dat verdachte twee elkaar opvolgende brieven heeft geschreven, blijkt dat hij volhardend was in zijn wens om [benadeelde 1] te laten vermoorden en dat hij er kennelijk zeker van wilde zijn dat zijn boodschap werd ontvangen. Het hof leidt hieruit af dat verdachte opzet had op (de voltooiing van) het (grond)delict, namelijk het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroven van [benadeelde 1] .
De klachten van het middel
die man moet gepakt worden”) niet onmiskenbaar duiden op het vermoorden van [benadeelde 1] . Bovendien is het hof afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt hierover, zonder daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven. Ten aanzien van de tweede brief wordt aangevoerd dat het enkele schrijven en (hooguit) gereedmaken voor verzending daarvan naar zijn uiterlijke verschijningsvorm niet is gericht op de voltooiing van het ten laste gelegde feit.
Het juridisch kader: artikel 46a Sr
vanafwelk moment artikel 46a Sr strafbaarheid vestigt, alsmede over de vraag
totwelk moment strafbaarheid kan bestaan.
nietbewogen en (b) de beoogd bewogene is
welbewogen. [5]
welis bewogen (de situatie onder (b)). Naar de letter genomen impliceert het begrip ‘
pogingom een ander te bewegen’ (en voorheen: het
trachtente bewegen van een ander) dat strafbaarheid niet langer kan bestaan als het ‘bewegen’ is verwezenlijkt (oftewel: voltooid). Ik zal hierna uiteenzetten waarom dit genuanceerder ligt dan de wetstekst doet vermoeden. In dit verband kunnen de volgende gevallen worden onderscheiden: (i) de beoogd bewogene komt in actie, maar bereikt niet het stadium van een strafbare voorbereiding dan wel begin van uitvoering van het beoogde misdrijf, (ii) hij komt
weltot een strafbare voorbereiding dan wel begin van uitvoering van het beoogde misdrijf, (iii) hij voltooit het beoogde misdrijf, en (iv) hij pleegt een ander misdrijf dan waartoe hij werd bewogen.
welis bewogen (de situatie onder (b), ook wel: de ‘achterkant’ van de reikwijdte). Vanwege de relevantie voor de beoordeling van het middel in de onderhavige zaak, eindig ik met de bespreking van de gevallen waarin de beoogd bewogene
nietis bewogen (de situatie onder (a): de ‘voorkant’ van de reikwijdte).
buitenhet bereik van artikel 46a Sr. Als de te bewegen persoon hetzij in de fase van strafbare voorbereiding, hetzij tot en met een begin van uitvoering of tot voltooiing van het beoogde misdrijf komt, dan kan degene die hem heeft bewogen als dader in de zin van artikel 47 lid 1 sub Pro 2 Sr worden aangemerkt. Dat levert, al naar gelang de fase waarin de bewogene c.q. uitgelokte is gekomen, uitlokking van (voorbereiding van dan wel poging tot) het misdrijf op. [6] Het onder (iv) genoemde geval waarin de bewogene een ander misdrijf pleegt, moet evident wél tot de reikwijdte van artikel 46a Sr worden gerekend. Het betreft namelijk één van de door de minister onderscheiden gevallen die zowel onder het oude artikel 134bis Sr als onder artikel 46a Sr vallen: de bewogene geeft geen uitvoering aan het voornemen van de dader. [7]
is bewogenen het ‘bewegen’ dus is verwezenlijkt (voltooid). [9] Wat daar ook van zij, de argumenten voor de opvatting dat artikel 46a Sr zich evenwel, net als zijn voorganger, uitstrekt tot het geval van ‘de uitlokking zonder gevolgen’, acht ik overtuigender.
tothet begin van uitvoering – en thans, voor zover dat strafbaar is,
totde fase van voorbereiding – ‘uitlokking zonder gevolgen’ strafbaar stelt. Zou dat anders zijn, dan ontstaat een onwenselijke, straffeloze fase tussen het moment van bewegen en een strafbare voorbereiding dan wel begin van uitvoering. Dat strookt ook niet met de ratio van de strafbaarstelling. Immers, de verleidingshandeling verliest niet aan strafwaardigheid als de bewogene daaraan gevolg heeft gegeven, maar – bijvoorbeeld door een vroegtijdige aanhouding – niet in de strafbare voorfase van het beoogde delict is geraakt.
niethebben bereikt. Niettemin bestaan daarvoor goede redenen. Ik licht dit toe.
gedragingen die gelet op de feiten en omstandigheden waaronder deze worden begaan een voldoende duidelijke gerichtheid op voltooiing van het misdrijf impliceren, die dus niet in een zodanig ver verwijderd of los verband staan dat er nog wezenlijk onzekerheid over bestaat of de pleger zal doorzetten. Er moet derhalve een zekere concrete gevaarzetting zijn of wellicht iets scherper: er moet een bepaalde grens zijn gepasseerd waardoor de handelingen al zo nauw bij het misdrijf zelf komen dat dit impliceert dat direct tot het zelfstandig strafbaar gestelde gedrag zal worden overgegaan (het ‘jetzt geht es los-criterium). [14] Daarin schuilt m.i. ook de kern: niet iedere wilsuiting levert een strafbare poging op, zodat steeds vastgesteld moet worden dat de gedraging
voldoende concreetgericht is op de voltooiing van het specifieke misdrijf dat (kenbaar) door de dader is voorgenomen.
kanstrafbaarheid reeds in dit ‘voorstadium’ worden gevestigd. Dat zal al snel het geval zijn als de verdachte er zijnerzijds alles aan heeft gedaan om het uitlokkingsmiddel aan de te bewegen persoon te presenteren. Dat strookt bovendien met de ratio van de strafbaarstelling, die als gezegd is gelegen in het strafwaardige karakter van de verleidingshandeling. Concrete op de voltooiing van de uitlokking gerichte gedragingen kunnen als verleidingshandelingen worden aangemerkt, ook zonder dat zij de te bewegen persoon hebben bereikt. [17]
De bespreking van het middel
nietvolgen dat er handelingen zijn verricht die naar hun uiterlijk verschijningsvorm zijn gericht op voltooiing van uitlokking van moord, nu de in de brief opgenomen uitlokkingsmiddelen nog niet zijn aangewend. Het kennelijk andersluidende oordeel van het hof is dan ook onbegrijpelijk, aldus de steller van het middel.
Brief gevonden in zijn cel”. In reactie op het bewijsverweer omtrent de vindplaats van de tweede brief, heeft het hof overwogen dat naar aanleiding van het onderscheppen van de eerste brief diezelfde dag een nadere controle in de penitentiaire inrichting heeft plaatsgevonden. Daarbij is de tweede brief van de verdachte aangetroffen die, aldus het hof, eveneens klaar was voor verzending en was voorzien van een postzegel, een adres en een retouradres.
geschreven en/of ter verzending heeft aangeboden. Nu het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het ter verzending aanbieden van de eerste brief reeds een poging tot uitlokking van moord oplevert, is het noch voor de bewezenverklaring noch voor de kwalificatie van het bewezen verklaarde vereist dat de tweede brief eveneens ter verzending was aangeboden.