ECLI:NL:PHR:2026:594

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
24/02906
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e lid 3 SrArt. 511e lid 1 SvArt. 511g lid 2 SvArt. 415 lid 1 SvArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen schatting wederrechtelijk verkregen voordeel in ontnemingszaak professioneel vuurwerk

In deze ontnemingszaak heeft het gerechtshof Amsterdam het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op €132.765,00, voortvloeiend uit professionele vuurwerkhandel en witwassen. De betrokkene stelde in cassatie dat het hof ten onrechte een contante lening van €65.000,00 niet had meegeteld en dat uitgaven voor boodschappen en brandstof ten onrechte waren meegenomen in de kasopstelling.

De verdediging voerde aan dat de lening aannemelijk was gemaakt door een getuigenverklaring en een leningsovereenkomst, en dat de kosten voor boodschappen en brandstof door de ouders van de betrokkene werden gedragen. Het hof verwierp deze verweren, stellende dat de betrokkene over voldoende contant geld beschikte en geen aannemelijke verklaring gaf voor de lening, en dat de uitgaven voor boodschappen en brandstof wel degelijk door de betrokkene zelf werden betaald.

De procureur-generaal concludeert dat het hof voldoende en begrijpelijk heeft gemotiveerd waarom het de lening niet heeft meegeteld en waarom de uitgaven zijn meegenomen. De motiveringsplicht is niet geschonden, en het cassatieberoep faalt in al zijn onderdelen. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt verworpen; het bedrag van €132.765,00 blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02906 P
Zitting16 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de betrokkene

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 16 juli 2024 (parketnr. 23-001008-22) het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van
€ 132.765,00 en aan de betrokkene ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat een bedrag van € 113.265,00. Het hof heeft de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling bepaald op 1080 dagen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/02907 (de strafzaak van de betrokkene) en 24/02853. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 26 juli 2024 ingesteld namens de betrokkene. S.J. van der Aart, advocaat in Koog aan de Zaan, heeft één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen (de motivering van) de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
1.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.Het middel

2.1
In het middel wordt opgekomen tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Die beslissing van het hof is volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd dan wel onbegrijpelijk, omdat i) het hof ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, is voorbijgegaan aan het verweer van de verdediging dat een door de betrokkene contant ontvangen lening dient te worden meegenomen bij de berekening van het voordeel en ii) het hof het verweer van de verdediging ten aanzien van de uitgaven voor boodschappen en brandstof zonder enige motivering terzijde heeft geschoven.
2.2
Het bestreden arrest houdt met betrekking tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende in (met weglating van voetnoten):

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
(…)
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep primair verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen in verband met de bepleite vrijspraak in de hoofdzaak. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om in de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel verschillende posten niet te betrekken.
Oordeel van het hof
Grondslag van de ontnemingsvordering
De betrokkene is veroordeeld voor het in de periode van 27 november 2016 tot en met 5 december 2016 en op 30 november 2016 medeplegen van voorhanden hebben van professioneel vuurwerk bestemd voor particulier gebruik. Daarnaast is de betrokkene veroordeeld voor het witwassen van € 19.500,00. Bij de doorzoeking van de woning van de betrokkene zijn diverse digitale gegevensdragers inbeslaggenomen. Op deze gegevensdragers zijn verschillende documenten aangetroffen, waaronder prijslijsten van vuurwerkleveranciers, ingevulde bestellijsten, inkoopfacturen van vuurwerk, afbeeldingen van vuurwerk, voorraadlijsten, verkooplijsten van vuurwerk en een lijst met e-mailadressen van vermoedelijke afnemers van vuurwerk. Het hof is van oordeel dat het aannemelijk is dat de betrokkene uit misdrijven waarvoor hij veroordeeld is of uit andere strafbare feiten op enigerlei wijze wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. De ontnemingsvordering en dit arrest zijn gegrond op artikel 36e, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht en het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling.
Ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweren
De raadsvrouw heeft betoogd dat de van [betrokkene 1] contant ontvangen lening van € 65.000,00 niet moet worden meegerekend bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Tijdens de doorzoeking van de woning van de betrokkene op 29 november 2016 is veel contant geld aangetroffen. Er is een contant geldbedrag van (in totaal) € 50.950,00 gevonden, en in een geldkistje zat nog een contant geldbedrag van € 44.000,00. Dat de betrokkene over contant geld kon beschikken, blijkt ook uit het feit dat hij op 21 november 2016 een postpakket met daarin € 19.500,00 heeft laten versturen. Het hof ziet, gelet op het feit dat de betrokkene een grote hoeveelheid contant geld ter beschikking had, niet in waarom de betrokkene op 27 november 2017 een bedrag van € 65.000,00 heeft geleend of zou hebben moeten lenen. Een aannemelijke verklaring daarvoor ontbreekt. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat nergens in de woning een contant geldbedrag van (precies)
€ 65.000,00 is aangetroffen. Het hof gaat daarom voorbij aan de stelling van de betrokkene ten aanzien van de lening van [betrokkene 1] .
De raadsvrouw heeft het hof daarnaast verzocht om de van de schoonouders van de betrokkene contant ontvangen schenking van € 10.000,00 als legale contante ontvangst mee te nemen in de kasopstelling. Deze schenking is gesteld door de betrokkene en is bevestigd door de partner van de betrokkene en de schoonmoeder van de betrokkene. Beiden zijn als getuige gehoord ter terechtzitting in hoger beroep en beiden hebben verklaard dat deze schenking is gedaan betrekkelijk kort vóór het aantreffen van het geld in de woning. Het hof zal de schenking in de kasopstelling daarom aanmerken als legale contante ontvangst.
Schatting van het-wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof zal bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaan van hetgeen is opgenomen in het Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel ten name van de verdachte van 24 februari 2017 (hierna: het ontnemingsrapport), met inachtneming van het bovenstaande. In het rapport is uitgegaan van een eenvoudige kasopstelling waardoor kan worden nagegaan of en zo ja, in hoeverre, de betrokkene meer contante uitgaven heeft gedaan dan via legale bronnen kan worden verantwoord. De kasopstelling heeft betrekking op de periode van 1 januari 2016 tot en met 1 december 2016. Voor wat betreft de legale contante ontvangsten wijkt het hof af van de berekening uit het ontnemingsrapport, omdat, zoals hiervoor overwogen, het hof de schenking van de schoonouders van de betrokkene van € 10.000,00 mee zal nemen als legale contante ontvangst. Het hof komt dan tot de volgende berekening.
Beginsaldo contant geld € 0
+ legale contante ontvangsten inclusief bankopnamen € 10.000,00
- eindsaldo contant geld
€ 114.450,00
beschikbaar voor het doen van uitgaven `- € 104.450,00
- werkelijke contante uitgaven inclusief bankstortingen € 28.315,00
Verschil - € 132.765,00
Het hof stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel, bestaande uit het negatieve verschil tussen het contante bedrag beschikbaar voor het doen van uitgaven en de werkelijke contante uitgaven, moet worden geschat, vast op € 132.765,00
(…)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 132.765,00 (honderdtweeëndertigduizend zevenhonderdvijfenzestig euro).
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juni 2024 heeft de raadsvrouw van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de in het dossier gevoegde pleitnotities. Die pleitnotities houden onder meer het volgende in:

8.Ontnemingsvordering
8.1 (…)
Het OM en ook de rechtbank in eerste aanleg menen dat sprake is van een wederrechtelijk verkregen voordeel aan de zijde van cliënt groot € 142.765,-.
(…)
8.4
Vooropgesteld geldt dat de verdediging meent dat cliënt dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben en handelen in professioneel vuurwerk. Indien uw gerechtshof die verweren zou volgen, geldt dat niet kan komen vast te staan dat cliënt wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. In dat geval ligt de ontnemingsvordering voor afwijzing gereed.
8.5
Mocht uw gerechtshof voor één of meerdere feiten wel tot een bewezenverklaring komen, dan geldt dat kritisch dient te worden gekeken naar de hoogte van het vastgestelde bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.
8.6
Allereerst geldt dat in de strafzaak is betoogd en onderbouwd (…) dat cliënt op verschillende momenten contante geldbedragen geschonken heeft gekregen of geleend heeft in de periode voorafgaand aan de huiszoeking. (…)
8.7
Getuige [betrokkene 1] heeft bij zijn getuigenverhoor bij de rechter-commissaris op 1 oktober 2018 bevestigd dat cliënt van hem in november 2016 een geldbedrag van € 65.000,- in contanten heeft geleend. De betaling geschiedde contant, omdat in de metaalhandel veel contant geld omgaat en hij dat geld beschikbaar had.
8.8
De rechtbank heeft geoordeeld dat deze laatstgenoemde lening niet aannemelijk is geworden, omdat het postpakket al voor die tijd zou zijn verstuurd. Echter, in de woning van cliënt zijn ook grote geldbedragen aangetroffen. Daarvan wordt gesteld dat geen legale herkomst aannemelijk is geworden. De geldlening van € 65.000,- heeft plaatsgevonden in contanten. Een deel van het aangetroffen bedrag kan daarom reeds op die manier verklaard worden. (…)
8.12
Cliënt en zijn partner werkten in de onderneming van de ouders van cliënt. De partner van cliënt stond (en staat) zelf niet op de loonlijst van de onderneming. Zij werkt wel dagelijks in de onderneming en wordt daarvoor uitbetaald in natura: zij heeft als gevolg daarvan geen vaste lasten te voldoen en wordt ook voorzien in bijvoorbeeld haar kosten voor boodschappen en persoonlijke spullen.
8.13
Voor cliënt geldt dat hij in 2016 ook dagelijks werkzaam was in de onderneming. Hoewel hij daar wel inkomen uit genoot, geldt dat zijn vaste lasten ook grotendeels werden gedragen door zijn ouders: zij betaalden bijvoorbeeld de boodschappen, en er werd elke avond gegeten. Ten onrechte wordt daarom een bedrag van € 4.303,- gerekend voor boodschappen en brandstof. De kosten voor die zaken heeft cliënt niet betaald met wederrechtelijk genoten voordeel, maar hij werd hierin voorzien door zijn ouders.
(…)
8.16
Dat alles maakt dat niet kan komen vast te staan dat het bij cliënt aangetroffen contante geldbedrag wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. (…) Ten aanzien van de post met betrekking tot huishoudelijke lasten geldt dat deze onterecht is opgenomen, omdat cliënt verklaard heeft dat de huishoudelijke kosten gedragen werden door zijn ouders, nu zij samen woonachtig waren in de bedrijfswoning, in ruil voor het werkzaam zijn in de onderneming van cliënt en zijn partner.
8.17
Dat alles maakt dat de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel op bovengenoemde gronden op nihil dient te worden gesteld, althans aanzienlijk dient te worden gematigd”.
2.4
Het middel komt, als gezegd, met verschillende deelklachten op tegen de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
2.5
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Wanneer het hof afwijkt van een door of namens de betrokkene ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet de rechter op grond van art. 511e lid 1 Sv en art. 511g lid 2 Sv jo. 415 lid 1 Sv jo. art. 359 lid 2 tweede Pro volzin Sv in zijn uitspraak in het bijzonder de redenen opgeven die daartoe hebben geleid. [1] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is pas sprake wanneer het standpunt duidelijk, door argumenten onderbouwd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. De omvang van de motiveringsplicht is afhankelijk van de aard van het onderwerp en de mate waarin wordt afgeweken van het ingenomen standpunt. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. De motivering kan ook besloten liggen in de gebezigde bewijsmiddelen. [2]
Eerste deelklacht
2.6
De eerste deelklacht behelst de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend en/of onbegrijpelijk gemotiveerd, is voorbijgegaan aan het verweer van de verdediging dat de door de betrokkene contant ontvangen lening van € 65.000,- dient te worden meegenomen bij de berekening van het voordeel
[A-G; ik begrijp, als legale contante ontvangst]. Door de steller van het middel wordt in dit verband onder meer aangevoerd dat het bestaan van de lening, gelet op de verklaring van [betrokkene 1] en de overgelegde leningsovereenkomst, aannemelijk is geworden en dat het “niet aan rekwirant [is] om een aannemelijke verklaring te geven voor
de redenvan de geldlening in kwestie”. Verder wordt in het middel betoogd dat het zonder nadere motivering onduidelijk is op welke manier de overweging van het hof dat nergens in de woning een contant geldbedrag van (precies) € 65.000,- is aangetroffen “gewicht in de schaal kan leggen als [het] aankomt op de aannemelijkheid van de geldlening”.
2.7
Ter terechtzitting in hoger beroep is door de raadsvrouw van de betrokkene, onder verwijzing naar de door [betrokkene 1] op 1 oktober 2018 afgelegde verklaring, bepleit dat de betrokkene in november 2016 een contant geldbedrag van € 65.000,- heeft geleend van die [betrokkene 1] en een deel van het onder de betrokkene aangetroffen contante geldbedrag op die manier kan worden verklaard.
2.8
Het hof is voorbijgegaan aan hetgeen door en namens de betrokkene is aangevoerd ten aanzien van de lening van [betrokkene 1] . In dat verband heeft het hof overwogen dat i) tijdens de doorzoeking van de woning van de betrokkene op 29 november 2016 veel contant geld is aangetroffen, namelijk een bedrag van in totaal € 94.950,- ii) de betrokkene op 21 november 2016 een postpakket met daarin € 19.500,- heeft laten versturen, waaruit ook blijkt dat hij over contant geld kon beschikken, iii) gelet op het feit dat de betrokkene over een grote hoeveelheid contant geld kon beschikken en bij gebrek aan een aannemelijke verklaring over het (hebben moeten) lenen van genoemd geldbedrag, niet valt in te zien waarom de betrokkene op 27 november 2016 een geldbedrag € 65.000,- zou hebben moeten lenen en iv) nergens in de woning een contant geldbedrag van (precies) € 65.000,- is aangetroffen.
2.9
Het op deze omstandigheden gebaseerde oordeel van het hof dat het niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene een contant geldbedrag van € 65.000,- heeft geleend van [betrokkene 1] , acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij weeg ik mee dat de verdediging de stelling dat een deel van het onder de betrokkene aangetroffen geldbedrag afkomstig is van deze geldlening slechts heeft onderbouwd door te verwijzen naar de verklaring van [betrokkene 1] , waarin hij die lening bevestigt. Anders dan de steller van het middel, acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof het bestaan van de lening op grond van die verklaring en hetgeen daaruit blijkt over de reden van de lening, namelijk dat de betrokkene voornemens was een partij shredderkabels te kopen, niet aannemelijk heeft geacht. Noch uit die verklaring, noch uit de in eerste aanleg overgelegde leningsovereenkomst, blijkt immers waarom de betrokkene, die in de periode rondom het beweerdelijke afsluiten van de lening over grote contante geldbedragen beschikte, daarvoor een dergelijk groot contant bedrag zou hebben moeten lenen. Tot slot acht ik, anders dan de steller, evenmin onbegrijpelijk dat het hof bij zijn oordeel ook heeft betrokken de omstandigheid dat in de woning van de betrokkene geen contant geldbedrag van (precies) € 65.000,- is aangetroffen, aangezien dat bedrag slechts twee dagen voor de doorzoeking in die woning aan de betrokkene zou zijn verstrekt
2.1
Het (kennelijke) oordeel van het hof dat niet aannemelijk is dat de betrokkene een contant geldbedrag van € 65.000,- heeft geleend, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
2.11
Het middel bevat verder de klacht dat de beslissing van het hof omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend gemotiveerd, althans onbegrijpelijk is, omdat het hof zonder enige motivering is afgeweken van “het gevoerde verweer ten aanzien van de boodschappen en brandstofkosten”.
2.12
Zoals hier boven reeds is weergegeven, heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend aan de hand van de methode van de eenvoudige kasopstelling. Als werkelijke contante uitgaven (inclusief bankstortingen) heeft het hof, conform de ontnemingsrapportage van 24 februari 2017, een bedrag van € 28.315,- opgenomen. Uit de voornoemde rapportage is af te leiden dat zowel uitgaven voor brandstof (€ 1.562,-) als uitgaven voor boodschappen (€ 4.303,-) onderdeel uitmaken van dat bedrag en dat die bedragen gebaseerd zijn op gegevens van het Nibud, omdat uit de bankgegevens van de betrokkene en zijn partner niet is gebleken van dergelijke uitgaven.
2.13
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat “ten onrechte (…) een bedrag van € 4.303,- [3] gerekend [wordt] voor boodschappen en brandstof”, omdat de kosten “gedragen werden door zijn ouders”. Zoals reeds uit het voorgaande blijkt, is het hof van dit standpunt afgeweken door bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook uitgaven voor brandstof en boodschappen te betrekken. Door het hof is echter niet expliciet gereageerd op hetgeen namens de betrokkene ten aanzien van die uitgavenposten is aangevoerd. Kennelijk heeft het hof het aangevoerde niet aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Dat impliciete oordeel acht ik niet onbegrijpelijk, aangezien enige onderbouwing van de ter terechtzitting ingenomen stelling dat de kosten voor brandstof en boodschappen door de ouders van de betrokkene werden voldaan, ontbreekt. Daarbij merk ik nog op dat de raadsvrouw in haar pleitnota weliswaar heeft verwezen naar de verklaring van de betrokkene dat “de huishoudelijke kosten gedragen werden door zijn ouders, (…) in ruil voor het werkzaam zijn in de onderneming”, maar dat mij niet is gebleken dat de betrokkene in feitelijke aanleg een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2024 blijkt daarentegen dat de betrokkene heeft verklaard dat “vaste lasten voor bijvoorbeeld benzine” van zijn rekening afgingen, hetgeen erop duidt dat die kosten juist wel door hemzelf werden voldaan. De tweede deelklacht faalt eveneens.
2.14
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

3.Slotsom

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.HR 6 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:A3593,
2.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
3.De raadsvrouw verkeert kennelijk in de veronderstelling dat het bedrag van € 4.303,- zowel betrekking heeft op uitgaven voor brandstof als op uitgaven voor boodschappen. Dat is onjuist. Zoals reeds opgemerkt onder randnr. 2.12, volgt uit de ondernemingsrapportage (p. 6) dat in de kasopstelling voor de uitgaven voor brandstof en boodschappen bedragen van respectievelijk € 1.562 en € 4.303,- zijn betrokken. Ik ga ervan uit dat het in hoger beroep gevoerde verweer betrekking heeft op het totale bedrag van € 5.865,-.