ECLI:NL:PHR:2026:603

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
24/03312
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22b SrArt. 6:6:21 SvArt. 6:1:15 SvArt. 6:3:1 SvArt. 6:3:3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste toepassing taakstrafverbod bij tenuitvoerlegging voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld wegens diefstal door twee of meer verenigde personen en tot een gevangenisstraf van vijf weken. Tevens heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van vier weken toegewezen. Het hof oordeelde dat omzetting van deze voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf niet mogelijk was vanwege het taakstrafverbod van artikel 22b Sr.

De verdachte stelde cassatie in tegen deze beslissing. De procureur-generaal concludeerde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het taakstrafverbod omzetting naar een taakstraf uitsluit, terwijl artikel 22b lid 3 Sr een uitzondering bevat die dit wel toestaat indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt opgelegd. In casu was immers een onvoorwaardelijk deel van twee weken gevangenisstraf opgelegd naast de voorwaardelijke straf.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof voor zover het de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf betreft en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling. Het beroep wordt voor het overige verworpen. De zaak betreft complexe vragen over de toepassing van het taakstrafverbod en de bevoegdheid tot omzetting van voorwaardelijke gevangenisstraffen in taakstraffen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof voor zover het de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf betreft en wijst de zaak terug voor hernieuwde beoordeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03312
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem bij arrest van 19 augustus 2024 (parketnr. 21-004969-23) wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken (parketnr. 16-170288-23) toegewezen.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. D.L.A.M. Pluijmakers, advocaat in Almere, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
Het hof heeft de tenuitvoerlegging bevolen van de eerder bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland van 21 juli 2023 (parketnummer 16-170288-23) opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Het hof heeft daarbij overwogen dat de omzetting van de vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf van overeenkomende duur niet mogelijk is vanwege het taakstrafverbod van art. 22b Sr. Het middel keert zich tegen deze overweging.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het middel slaagt.

3.Het middel

3.1
Het middel is gericht tegen de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, in welk verband het hof heeft overwogen dat het taakstrafverbod zoals bedoeld in art. 22b Sr zich verzet tegen omzetting van de gevangenisstraf naar een taakstraf. Dat oordeel zou van een onjuiste rechtsopvatting getuigen, althans zou ontoereikend gemotiveerd zijn. In de toelichting op het middel wordt er daartoe op gewezen dat art. 22b Sr in art. 6:6:21 lid 2 Sv Pro van overeenkomstige toepassing is verklaard bij de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke strafdelen en dat art. 22b lid 3 Sr als uitzonderingsbepaling heeft dat “van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.”
3.2
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
(i) Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juli 2024 heeft de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland hem op 21 juli 2023 in de zaak met parketnummer 16-170288-23 veroordeeld wegens “poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” (gepleegd: 10 juli 2023) tot een gevangenisstraf voor de duur van zes weken, waarvan vier weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
(ii) Uit de aantekening mondeling vonnis van de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 25 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 16-263100-23 volgt dat de verdachte is veroordeeld wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” (gepleegd: 8 oktober 2023) tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft de politierechter de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de onder (i) genoemde zaak met parketnummer 16-170288-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken toegewezen.
(iii) In het hoger beroep tegen de onder (ii) genoemde uitspraak van de politierechter van 25 oktober 2023 heeft het hof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, de verdachte bij arrest van 19 augustus 2024 met parketnummer 21-004969-23 opnieuw veroordeeld wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak” tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken. De wederom aan de orde zijnde vordering tot tenuitvoerlegging van de in de onder (i) genoemde zaak met parketnummer 16-170288-23 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vier weken is ook in appel toegewezen.
3.3
Het arrest van het hof vermeldt over de toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging onder meer het volgende:
“De raadsman heeft bepleit om af te zien van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter omdat hij het niet eens is met de hem opgelegde straf. Er is in eerste aanleg strafvermindering bepleit wegens - kort gezegd - politiegeweld bij de aanhouding van verdachte. De politie heeft tegen het been van verdachte op de rijdende fatbike getrapt, waardoor verdachte lelijk is gevallen. Dit verweer is door de politierechter verworpen. Nu verdachte de door de politierechter opgelegde straf reeds volledig heeft uitgezeten, heeft hij ten aanzien van de strafoplegging voor het overige geen belang meer bij het instellen van hoger beroep. De raadsman heeft verzocht om hiermee bij de beoordeling van de vordering tot tenuitvoerlegging rekening te houden.
[…]
Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof de toepassing van geweld door de politie geoorloofd en is die trap niet disproportioneel geweest. Het hof ziet om die reden op basis van hetgeen ter zitting van het hof naar voren is gebracht geen aanleiding om slechts een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer te leggen. Omzetting van de vier weken voorwaardelijke gevangenisstraf naar een taakstraf van overeenkomende duur is, gelet op het hier van toepassing zijnde taakstrafverbod van artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht, niet mogelijk. Daarom zal het hof de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevelen.”
3.4
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:

Artikel 22b Sr
1. Een taakstraf wordt niet opgelegd in geval van veroordeling voor:
a. een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van zes jaren of meer is gesteld en dat een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer ten gevolge heeft gehad;
b. een van de misdrijven omschreven in de artikelen 181, 252 en 253.
2. Een taakstraf wordt voorts niet opgelegd in geval van veroordeling voor een misdrijf indien:
1° aan de veroordeelde in de vijf jaren voorafgaand aan het door hem begane feit wegens een soortgelijk misdrijf een taakstraf is opgelegd, en
2°de veroordeelde deze taakstraf heeft verricht dan wel op grond van artikel 6:3:3 van Pro het Wetboek van Strafvordering de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis is bevolen.
3. Van het eerste en tweede lid kan worden afgeweken indien naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd.
Artikel 6:6:21 Sv Pro
1. De rechter is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie bevelen van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk niet ten uitvoer gelegde straf of maatregel, of een gedeelte daarvan, al of niet onder instandhouding of wijziging van de voorwaarden.
2. In plaats van het op grond van het eerste lid bevelen van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, kan de rechter de tenuitvoerlegging van een taakstraf gelasten. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6:1:15, 6:3:1 tot en met 6:3:6, 6:3:14 en 6:6:23 van dit wetboek zijn van overeenkomstige toepassing.”
De bespreking van het middel
3.5
Over de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf heeft het hof overwogen dat omzetting daarvan naar een taakstraf van overeenkomende duur niet mogelijk is gelet op het van toepassing zijnde taakstrafverbod in de zin van art. 22b Sr. Het hof impliceert hiermee dat in dit geval geen toepassing kan worden gegeven aan de in art. 6:6:21 lid 2 Sv Pro omschreven bevoegdheid van de rechter om, in geval van een vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde vrijheidsstraf, in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging daarvan, de tenuitvoerlegging van een taakstraf te gelasten. Aangezien art. 6:6:21 lid 2 Sv Pro hier onder meer art. 22b Sr van overeenkomstige toepassing verklaart, dient bij een dergelijke conversie inderdaad art. 22b Sr in acht te worden genomen.
3.6
Het bestreden arrest houdt niet in welke van de in art. 22b lid 1 en 2 Sr vermelde verbodsgronden het hof op de vordering tot tenuitvoerlegging van toepassing acht. Aan de stukken van het geding vallen geen aanwijzingen te ontlenen dat een situatie aan de orde zou kunnen zijn zoals omschreven in art. 22b lid 1 onder a Sr. Weliswaar is het feit waarvoor de voorwaardelijke gevangenisstraf is opgelegd een zesjaars-misdrijf, maar enige indicatie dat het een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad ontbreekt. Evenmin is sprake van een van de met name genoemde feiten in art. 22b lid 1 onder b Sr. Wel volgt uit het uittreksel Justitiële Documentatie dat de verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het begaan van het feit (gepleegd: 10 juli 2023) waarvoor hem in de onder 3.2. onder (i) genoemde zaak met parketnummer 16-170288-23 de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken is opgelegd, wegens een soortgelijk misdrijf tot een taakstraf is veroordeeld. [1] Ook blijkt uit dat uittreksel dat die taakstraf niet is voldaan en dat de vervangende hechtenis ten uitvoer is gelegd van 6 april tot en met 3 mei 2022. Mitsdien heeft het hof kennelijk geoordeeld dat de in art. 22b lid 2 Sr bedoelde verbodsgrond van toepassing is voor de onder 3.2. onder (i) genoemde zaak met parketnummer 16-170288-23 (uitspraak van 21 juli 2023) ten aanzien waarvan de tenuitvoerlegging is gevorderd. Dat oordeel is op zichzelf juist.
3.7
Bij de gevolgtrekking door het hof dat omzetting van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf naar een taakstraf wordt belet door toepasselijkheid van art. 22b Sr, gaat het hof echter voorbij aan art. 22b lid 3 Sr. Die bepaling bevat een exceptie op de hoofdregel dat geen taakstraf mag worden opgelegd in de gevallen als bedoeld in art. 22b lid 1 en 2 Sr: oplegging van een taakstraf is toch mogelijk wanneer naast de taakstraf een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel wordt opgelegd. In aanmerking genomen dat voor het bewezenverklaarde feit in het vonnis van 21 juli 2023 (zie onder 3.2. onder i) niet slechts een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier weken is opgelegd, maar dat tot de strafoplegging tevens een onvoorwaardelijk deel van twee weken gevangenisstraf behoort, doet de in art. 22b lid 3 Sr bedoelde uitzondering zich voor. Aldus getuigt het oordeel van het hof dat het in art. 22b Sr vervatte taakstrafverbod zich verzet tegen omzetting van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf naar een daarmee corresponderende taakstraf blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
3.8
Ten slotte rijst de vraag of een en ander tot cassatie moet leiden. Ik meen van wel. Het hof heeft de volledige tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 21 juli 2023 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf bevolen op grond van twee argumenten. Het hof heeft te kennen gegeven dat het (1) in het verweer omtrent de toepassing van geweld door de politie geen aanleiding ziet om te bevelen dat slechts een gedeelte van de voorwaardelijk opgelegde straf ten uitvoer dient te worden gelegd, nu dit geweld niet disproportioneel is geweest en (2) dat omzetting van de gevangenisstraf naar een taakstraf niet mogelijk is gezien art. 22b Sr. Het argument onder (1) houdt in essentie slechts in dat het door de verdediging gestelde politiegeweld geen grond voor strafvermindering biedt en gaat bovendien niet over omzetting naar een taakstraf maar over gedeeltelijke tenuitvoerlegging, terwijl het argument onder (2) blijkens het voorgaande rechtens onjuist is. Het hof heeft niet ook op andere wijze – expliciet of impliciet – tot uitdrukking gebracht omzetting van de gevangenisstraf naar een taakstraf als zodanig onwenselijk te oordelen. Het arrest laat daarmee de mogelijkheid open dat de afwijzing louter en alleen heeft plaatsgevonden op grond van een onjuiste rechtsopvatting. De verdachte heeft belang bij cassatie nu een omzetting naar een taakstraf voor de verdachte gunstiger is dan het tenuitvoerleggen van de gevangenisstraf.

4.Slotsom

4.1
Het middel slaagt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden teneinde in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De eerdere veroordeling betreft die door de politierechter in de rechtbank Gelderland van 8 oktober 2020 ter zake van tweemaal gekwalificeerde diefstal (parketnr. 05-163791-20), waarvoor aan de verdachte o.a. een werkstraf voor de duur van zestig uren subsidiair dertig dagen hechtenis is opgelegd, p. 8-9 uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juli 2024.