ECLI:NL:PHR:2026:617

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/02809
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering gevangenisstraf voor medeplegen handel in verdovende middelen via pinautomaat

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het verbod van artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet, met betrekking tot de verkoop van diverse verdovende middelen in de periode van 3 mei 2020 tot 14 mei 2021. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op onder meer een pseudokoop, forensisch onderzoek, verklaringen van betrokkenen en een transactieoverzicht van een MyPos pinautomaat.

De verdachte beheerde samen met anderen dealertelefoons en gebruikte een pinautomaat die gekoppeld was aan het MyPos-account van zijn broer. Vanaf 3 mei 2020 was er een duidelijke trendbreuk in de transacties via deze pinautomaat, met hogere en afgeronde bedragen passend bij de menukaart van de handelslijn. De verdachte bekende het gebruik van de dealertelefoon en het pinapparaat, wat het hof kwalificeerde als medeplegen.

In cassatie werd aangevoerd dat het bewijs onvoldoende was voor de periode van 3 mei 2020 tot 5 maart 2021, met name over het gebruik van de pinautomaat en de betrokkenheid van de verdachte. De advocaat-generaal concludeerde dat het hof dit oordeel voldoende had gemotiveerd en dat het middel faalde. Wel werd ambtshalve opgemerkt dat de redelijke termijn was overschreden, wat leidt tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.

De conclusie van de advocaat-generaal strekt tot vernietiging van het arrest van het hof, maar uitsluitend voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, met vermindering daarvan volgens de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn, beroep voor het overige verworpen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/02809
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 25 april 2024 (parketnr. 23-003216-21) wegens "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Verder heeft het hof beslissingen genomen omtrent verschillende in beslag genomen voorwerpen, een en ander zoals in het arrest omschreven.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaak 24/01862. In die zaak zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat J. Kuijper heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.4
Het middel komt op tegen de bewezenverklaring, voor zover deze betrekking heeft op de periode van 3 mei 2020 tot 5 maart 2021. Voordat ik het middel bespreek, geef ik de bewezenverklaring en de bewijsvoering weer.

2.De bewezenverklaring en de bewijsvoering

2.1
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 3 mei 2020 tot en met 14 mei 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, meermalen telkens opzettelijk heeft verkocht een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of MDMA en/of 4MM (mephedrone/4-methylmethcathinone) en/of 4FMP (4-FA/4-fluoramfetamine) en/of GHB (4-hydroxyboterzuur) en/of speed (amfetamine) en/of LSD (lysergide) en/of 2C-B (4-bromo-2,5-dimethoxyfenetylamine), zijnde telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.”
2.2
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

1. Een proces-verbaal van pseudokoop van 23 oktober 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier doorgenummerde pagina’s 1.003-1.006.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
Op 22 oktober 2020 kreeg ik de opdracht een aankoop te doen van een gebruikershoeveelheid verdovende middelen. Ik heb via de applicatie Whatsapp contact opgenomen met een voor mij onbekende verdachte op het [telefoonnummer 1] . Ik zag dat de profielnaam, in de applicatie van Whatsapp, van de verdachte als volgt was: ‘ [betrokkene 1] ’. Ik heb vervolgens contact gemaakt door een berichtje te sturen naar de verdachte. Onderstaande afbeelding betreft de zogenaamde ‘menulijst', welke de verdachte via Whatsapp naar mij verstuurd heeft.
[AG: afbeelding menulijst]
Op 23 oktober 2020 heb ik wederom contact gemaakt met de verdachte via Whatsapp. Tijdens dit contact heb ik met de verdachte een afspraak gemaakt op 23 oktober 2020 op Station [plaats] te [plaats] . Ik ben naar de personenauto gelopen. Ik hoorde dat de verdachte vroeg: ‘1 gram?’. Ik zag dat er in de sok, welke de verdachte vast had, meerdere kleine witte envelopjes zaten. Ik antwoordde hierop tegen de verdachte: ‘Ja, en snoepjes’. Ik zag dat de verdachte één envelopje pakte en mij deze overhandigde. Ik zag dat de verdachte mij het zakje met pillen overhandigde. Ik hoorde dat de verdachte antwoordde dat het vijfenzeventig (75) kostte. Ik heb hierop de verdachte één biljet van vijftig (50) euro, één biljet van twintig (20) euro en één biljet van tien (10) euro overhandigd. Hierop overhandigde de verdachte mij wat muntgeld terug. Na de ontmoeting heb ik de aangekochte goederen overgedragen aan mijn begeleider B-110. B-110 heeft de goederen later ter inbeslagname overgedragen aan het onderzoeksteam.
Goednummer: PL1300-2020233117-5991155
Object: Verdovende mid (Xtc)
Goednummer: PL1300-2020233117-5991156
Object: Verdovende mid (Cocaine Crack)
2. Een rapport van 7 december 2020, rapportnummer 0972N20 van ing. [deskundige] , forensisch expert, in de zaak tegen de verdachte [codenaam] , doorgenummerde pagina 1.015.
Dit verslag houdt onder meer in als
verklaring van voornoemde deskundige, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Omschrijving van het materiaal en identiteit:
Item 5991155: 1 plastic zakje met 5 gele tabletten, indruk "GOLD”, bevat: MDMA.
Item 5991156: 1 papiertje met 0,88 gram wit poeder en brokjes, bevat: cocaïne.
3. Een proces-verbaal van bevindingen herkomst [telefoonnummer 2] van 15 april 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde bladzijden 2.009-2.011.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
Op 15 april 2021 werd er door het pseudokoopteam getracht verdovende middelen aan te open van de gebruiker van het [telefoonnummer 1] , bij het onderzoeksteam bekend onder de naam [betrokkene 1] . Ten behoeve van de aankoop werd er via Whatsapp contact gelegd met het bovengenoemde telefoonnummer. De gebruiker van het genoemde telefoonnummer gaf in het gesprek het volgende aan: "Ja je kan me appen op mijn nieuwe [telefoonnummer 2] deze mag je verwijderen.”
4. Een proces-verbaal van bevindingen van 24 juni 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 3.439-3440.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
Op 14 mei 2021 werd de telefoon van [verdachte] in beslag genomen onder goednummer […] . De simkaart, gekoppeld aan het [telefoonnummer 2] , zat in de telefoon die is aangetroffen in de slaapkamer van [verdachte] .
5. De verklaring die de verdachte op de terechtzitting in eerste aanleg van 5 november 2021 heeft afgelegd.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik had de dealertelefoons van ' [betrokkene 1] ' in bezit. Ik had door corona geen werk en zat in de financiële problemen. Ik had geen geld om de huur te betalen. Normaal gesproken kreeg ik een adres van een klant. Vervolgens stuurde ik dat adres door naar een van de bezorgers op de contactenlijst die ik had gekregen. Dat heb ik een tijdje gedaan. Er waren roosters met specifieke tijden waarop we de telefoons beheerden. Soms werkte ik 's nachts en soms overdag. Alles ging via Whatsapp. Als ik geen dienst had, waren de telefoons bij iemand anders. Dat verklaart ook de verschillende telefoonmasten die worden gebruikt. Af en toe kreeg ik de administratie. Heel soms moest ik de bestellingen bijhouden. Daarna gaf ik de briefjes weer terug. Ik hield de administratie bij in een boekje.
6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte] van 15 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, dossier doorgenummerde pagina’s 7.440-7.452.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de [medeverdachte]zoals afgelegd tegenover de verbalisanten:
V: Jullie maakten gebruik van MyPos pinautomaten. Hoeveel accounts hadden jullie bij MyPos? A: Ik heb hem heel lang niet gebruikt. Ik weet niet.
V: Wie maakte er wel gebruik van?
A: Mijn broertje
(het hof begrijpt verdachte)gebruikte hem.
V: Over welke periode hebben we het dan?
A: Sinds de zaak dicht was.
7. Een proces-verbaal van bevindingen van 18 mei 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier doorgenummerde pagina’s 7.009-7.010.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
In de periode van 1 maart 2019 tot en met 1 maart 2020 stond het eenmansbedrijf [A] gevestigd op [a-straat 1] te [plaats] bij de KvK ingeschreven. De eigenaar van het bedrijf is genaamd [medeverdachte] . De onderneming is met ingang van 1 maart 2020 opgeheven.
8. Een proces-verbaal van bevindingen van 24 augustus 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, dossier doorgenummerde pagina’s 7.335-7.338.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van de verbalisant:
In een onderzoek naar handel in verdovende middelen is bij een doorzoeking op het adres [a-straat 1] , [postcode] te [plaats] een MyPos Europe mobiel pinapparaat aangetroffen. Met een dergelijk apparaat kunnen klanten per pin betalen. De MyPos rekening van [medeverdachte] liep van 5 augustus 2019 tot en met 6 augustus 2021.
Totaaloverzicht Payment
Opvallend is dat de inkomende transacties in de periode van 5 augustus 2019 tot en met 2 mei 2020 veelal relatief kleine bedragen tussen de nul en tien euro betreffen. Voornamelijk zijn het onafgeronde bedragen zoals € 1,05, € 1,45 en/of € 9,35.
Vanaf 3 mei 2020 is sprake van een trendbreuk. Vanaf dat moment zijn er vrijwel alleen maar transacties te zien als € 30,00, € 40,00, € 60,00, € 110,00 en € 160,00.
De bedragen die worden overgeschreven liggen in lijn met de menukaart van [betrokkene 1] die digitaal rondgaat. Daarnaast vindt een groot aantal transacties in de nacht tussen 00.00 uur en 07.00 uur plaats.”
2.3
Het hof heeft over de bewezenverklaring het volgende overwogen:
“De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
De raadsvrouw heeft zich overeenkomstig de rechtbank op het standpunt gesteld dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de verdachte vóór 5 maart 2021 iets te maken heeft gehad met de handel in verdovende middelen via drugshandelslijn ‘ [betrokkene 1] ’. Voor de pleegperiode van 5 maart 2021 tot en met 14 mei 2021 dient de verdachte te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde (mede)plegen nu de verdachte slechts twee maanden heeft beschikt over de dealertelefoon, waarmee hij klantgegevens en bestellingen doorstuurde naar de koeriers. Gelet op deze korte periode en de aard van zijn werkzaamheden (het mede bemannen van de dealertelefoon van handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’) is volgens de verdediging hooguit sprake van medeplichtigheid.
Het hof overweegt als volgt.
De verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 5 maart 2021 tot en met 14 mei 2021 de dealertelefoon van de handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’ heeft beheerd, waarbij gebruik is gemaakt van het telefoonnummer dat eindigt op * [telefoonnummer 2] . Uit de verklaring van de broer c.q. [medeverdachte] (zie doorgenummerde pagina 7446 van het dossier, in samenhang met de gegevens vermeld op pagina 7009 van het dossier) blijkt dat [medeverdachte] vanaf maart 2020 zijn pinapparaat - dat gekoppeld was aan het MyPos-account van zijn bedrijf - ter beschikking heeft gesteld aan de verdachte. Uit een transactieoverzicht (opgenomen op pagina 7335 e.v. van het dossier) is gebleken dat vanaf 3 mei 2020 sprake is van een trendbreuk ten aanzien van de betalingen die met behulp van dat pinapparaat zijn verricht. Uit het transactieoverzicht blijkt immers dat er tot 3 mei 2020 veelal kleine, niet-afgeronde bedragen tussen de nul en tien euro zijn afgerekend, terwijl er vanaf 3 mei 2020 uitsluitend ronde bedragen worden gepind, die hoger liggen dan de bedragen in de voorgaande periode en passen bij de menukaart van handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’. Bovendien vinden veel betalingen plaats in de nachtelijke uren tussen 00.00 uur en 07.00 uur. Het hof concludeert hieruit - mede gelet op het ontbreken van een andersluidende verklaring van de zijde van de verdachte - dat dit vanaf maart 2020 bij de verdachte in gebruik zijnde apparaat vanaf 3 mei 2020 is gebruikt voor de verkoop van drugs via handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’.
Gelet op het voorgaande is het hof met de advocaat-generaal van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte zich reeds vanaf 3 mei 2020 bezig hield met de handel in verdovende middelen.
Medeplegen
Het hof is van oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met anderen nu de verdachte zelf heeft verklaard dat hij samen met anderen de dealertelefoon van [betrokkene 1] beheerde. Overeenkomstig hetgeen de rechtbank op dit punt heeft overwogen en bewezenverklaard is er in ieder geval sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 2] (‘ [bijnaam betrokkene 2] ’). Bovendien is de bijdrage van de verdachte, die volgens zijn eigen verklaring bestond uit het aansturen van de drugskoeriers, van voldoende gewicht om te spreken van het medeplegen van handel in verdovende middelen.”

3.De bespreking van het middel

3.1
Het middel bevat de klacht dat het bewezenverklaarde voor wat betreft de periode van 3 mei 2020 tot 5 maart 2021 niet uit de bewijsvoering kan volgen. In het bijzonder wordt geklaagd over het (kennelijke) oordeel van het hof a) dat bij de drugstransacties van handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’ gebruik werd gemaakt van een pinautomaat en b) dat de verdachte vanaf 3 mei 2020 de beschikking had over deze pinautomaat en vanaf dat moment bij de verkoop van verdovende middelen betrokken was.
3.2
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 5 maart 2021 tot en met 14 mei 2021 de dealertelefoon van de handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’ heeft beheerd. Dat de verdachte ook vanaf 3 mei 2020 tot 5 maart 2021 verdovende middelen heeft verkocht, heeft het hof blijkens zijn bewijsvoering gebaseerd op de volgende redengevende feiten en omstandigheden. De broer van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte zijn MyPos pinautomaat gebruikte “sinds de zaak dicht was” (bewijsmiddel 6). De onderneming van de broer van de verdachte is met ingang van 1 maart 2020 opgeheven (bewijsmiddel 7). Ten aanzien van de betalingen die met de pinautomaat zijn verricht, heeft het hof vastgesteld dat vanaf 3 mei 2020 sprake is van een trendbreuk. Vanaf dit moment worden er uitsluitend ronde bedragen gepind, die hoger liggen dan de bedragen in de voorgaande periode en die passen bij de menukaart van de handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’ (bewijsmiddel 8 en bewijsmiddel 1 (afbeelding menukaart)). Op grond hiervan, en mede gelet op het ontbreken van een andersluidende verklaring van de verdachte, heeft het hof geoordeeld dat de verdachte de pinautomaat vanaf 3 mei 2020 heeft gebruikt voor de verkoop van drugs via handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’.
3.3
Dat het hof op basis van het voorgaande tot het oordeel is gekomen dat bij de drugstransacties gebruik werd gemaakt van een pinautomaat en dat de verdachte vanaf 3 mei 2020 betrokken was bij de verkoop van verdovende middelen, acht ik niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat op de tot het bewijs gebezigde menulijst van handelslijn ‘ [betrokkene 1] ’ die via Whatsapp rondging, werd vermeld dat zowel contant als met pin betaald kon worden (“wij accepteren contant en pinnen”). Dit oordeel is door het hof voorts toereikend gemotiveerd.
3.4
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. [1]
4.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 30 april 2024 beroep in cassatie is ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit dient te leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf. [2]
4.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Voor zover de steller van het middel ervan uitgaat dat toepassing van art. 81 RO Pro niet verenigbaar is met de rechtspraak die volgt uit HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,
2.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492,