ECLI:NL:PHR:2026:621

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
21 juni 2026
Zaaknummer
24/00337
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 359 lid 2 SvArt. 4 Penitentiaire beginselenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen met strafvermindering wegens termijnoverschrijding

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf, waarvan drie maanden voorwaardelijk, wegens medeplegen van valsheid in geschrift, feitelijke leidinggeven aan medeplegen van valsheid in geschrift en medeplegen van gewoontewitwassen. Het hof verklaarde tevens het recht van hypotheek op een appartement verbeurd.

De zaak maakt deel uit van het strafrechtelijk onderzoek Tandem IV, waarin witwassen en valsheid in geschrift centraal staan. De verdachte en zijn broer zouden via hun bedrijven grote bedragen witwassen die afkomstig waren uit criminele activiteiten van anderen. Het hof baseerde zijn oordeel op het ontbreken van bewijs voor verrichte werkzaamheden, de vaagheid van factuurbeschrijvingen, tegenstrijdige en ongeloofwaardige verklaringen van verdachte en medeverdachte, en communicatie via versleutelde berichten.

De verdediging voerde aan dat er wel degelijk werkzaamheden waren verricht en dat sprake was van lumpsum-afspraken, ondersteund door e-mails en verklaringen. De Hoge Raad oordeelt echter dat het hof voldoende en begrijpelijk gemotiveerd heeft waarom het bewijs onvoldoende is en de verklaringen ongeloofwaardig zijn. Wel is de redelijke termijn overschreden, waardoor de strafvermindering wordt toegepast.

De Hoge Raad verwerpt de overige middelen van cassatie en bevestigt de bewezenverklaring, maar vernietigt de strafoplegging voor wat betreft de duur van de gevangenisstraf, die wordt verminderd volgens de gebruikelijke maatstaf. De overige onderdelen van het arrest blijven in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de strafoplegging wegens termijnoverschrijding en vermindert de gevangenisstraf van 16 maanden voor medeplegen valsheid in geschrift en gewoontewitwassen.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00337
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 25 januari 2024 (parketnr. 23-002776-21) wegens (1) “medeplegen van valsheid in geschrift” en “valsheid in geschrift”, (2) “feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van het opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd” en “feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd”, (3) “medeplegen van gewoontewitwassen” en (4) “medeplegen van witwassen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft het hof het recht van hypotheek op het appartement aan de [a-straat 1] te [plaats] verbeurd verklaard.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00272 en 24/00454. In die zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Advocaat B.Th. Nooitgedagt heeft bij schriftuur en aanvullende schriftuur vier middelen van cassatie voorgesteld.
1.4
Samen met de twee hiervoor genoemde zaken maakt de onderhavige zaak blijkens de vaststellingen van het hof onderdeel uit van het strafrechtelijke onderzoek Tandem IV. Naar aanleiding van de strafrechtelijke onderzoeken Tandem I en Tandem II zijn eerder zes mannen, waaronder [betrokkene 1] , door de rechtbank Amsterdam veroordeeld voor (onder meer) betrokkenheid bij een liquidatiepoging in 2015. Uit het onderzoek Tandem II bleek dat [betrokkene 1] via een beveiligd netwerk van de server Ennetcom contact had met een persoon genaamd [betrokkene 2] . Dat leidde tot het onderzoek Tandem III. Naar aanleiding van dit laatste onderzoek is [betrokkene 2] door de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 7 december 2018 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer het medeplegen van witwassen in november 2015 en deelname aan een criminele organisatie met [betrokkene 3] en anderen in de periode februari t/m november 2015, welke organisatie zich bezighield met de invoer van harddrugs. [1] Naar aanleiding van het onderzoek Tandem III is de verdenking gerezen dat [betrokkene 2] contact onderhield met de verdachte in de onderhavige zaak en diens broer ( [medeverdachte 1] ) om door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] verworven crimineel vermogen door de beide broers en hun bedrijven te laten witwassen. De broers en hun respectievelijke bedrijven ( [A] B.V. en [B] B.V.) ontvingen aanzienlijke bedragen van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven ( [C] B.V. en [D] B.V.). Dit heeft geleid tot het onderzoek Tandem IV, naar aanleiding waarvan (onder meer) de verdachte in de onderhavige zaak door het hof is veroordeeld voor – kort gezegd – medeplegen van valsheid in geschrift en (gewoonte-) witwassen.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 2. In het bijzonder wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat sprake is van valse facturen niet zonder meer begrijpelijk is. Daartoe wordt aangevoerd dat de overwegingen van het hof ten aanzien van de valsheid innerlijk tegenstrijdig zijn, nu het hof enerzijds zou overwegen dat er geen werkzaamheden zijn verricht en anderzijds zou overwegen dat de omschrijvingen en bedragen op de facturen niet corresponderen met de verrichte werkzaamheden. Voor zover het hof meent dat er geen werkzaamheden zijn verricht en daarom sprake is van valse facturen, is dit oordeel in het licht van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk. Voor zover het hof meent dat er wel werkzaamheden zijn verricht, maar dat deze niet corresponderen met de omschrijvingen en bedragen op de facturen en daarom sprake is van valse facturen, is dit oordeel volgens de klacht ontoereikend gemotiveerd.
2.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 2 bewezenverklaard dat:
“ [A] BV in de periode van 18 mei 2015 tot en met 31 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,
opzettelijk de hierna (onder a, b. c, d, e en f) genoemde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, voorhanden heeft gehad, terwijl [A] BV en zijn mededader wisten dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven:
te weten:
a. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning mei t/m sept 2015" met factuurnummer 80, d.d. 19 oktober 2015, met een gesteld bedrag van 18.150,- euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] BV;
b. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning okt t/m dec 2015 - aanvulling financiële ondersteuning jan t/m dec 2015" met factuurnummer 98, d.d. 10 november 2015, met een gesteld bedrag van 43.560,- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV;
c. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning jan t/m april 2015" met factuurnummer 41, d.d. 18 mei 2015, met een gesteld bedrag van 6050,- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV;
d. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning November t/m december 2016 - extra werk 2016 (avond en weekend toeslag)" met factuurnummer 201600232. d.d. 10 november 2016, met een gesteld bedrag van 30.250,- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV en/of [E] BV;
e. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden of diensten: "'Ondersteuning juni t/m augustus 2016" d.d. 3 augustus 2016 met een gesteld bedrag van 36.300 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV
f. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Inhuur Externe" zijn verricht, met factuurnummer 17700445, d.d. 28 augustus 2017, met een gesteld bedrag van 24.200,- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV; [vindplaats dossier]
bestaande de valsheid hierin dat op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld en opgenomen dat de op die facturen vermelde werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten geleverd zijn op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht;
en
[A] BV in de periode van 18 mei 2015 tot en met 31 december 2017 in Nederland,
opzettelijk de hierna (onder a, b, c, d, e en f) genoemde valselijk opgemaakte geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, heeft afgeleverd door die geschriften telkens te verzenden aan de geadresseerde, terwijl [A] BV wist dat die geschriften bestemd waren voor gebruik als waren deze echt en onvervalst,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
te weten:
a. een factuur van liet bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning mei t/m sept 2015" met factuurnummer 80, d.d. 19 oktober 2015, met een gesteld bedrag van 18.150.- euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] BV;
b. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Financiële ondersteuning okt t/m dec 2015 - aanvulling financiële ondersteuning jan t/m dec 2015" met factuurnummer 98, d.d. 10 november 2015, met een gesteld bedrag van 43.560.- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV;
c. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning jan t/m april 2015" met factuurnummer 41, d.d. 18 mei 2015, met een gesteld bedrag van 6050,- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV;
d. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Ondersteuning November t/m december 2016 - extra werk 2016 (avond en weekend toeslag)" met factuurnummer 201600232, d.d. 10 november 2016, met een gesteld bedrag van 30.250.- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV en/of [E] BV;
e. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden of diensten: "'Ondersteuning juni t/m augustus 2016" d.d. 3 augustus 2016 met een gesteld bedrag van 36.300 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV;
f. een factuur van het bedrijf [A] BV met als vermelde werkzaamheden en/of diensten "Inhuur Externe" zijn verricht, met factuurnummer 17700445. d.d. 28 augustus 2017, met een gesteld bedrag van 24.200.- euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] BV; [vindplaats dossier]
bestaande de valsheid hierin dat op die geschriften valselijk en in strijd met de waarheid is vermeld en opgenomen dat de op die facturen vermelde werkzaamheden verricht zijn en/of beschreven diensten geleverd zijn op de wijze als omschreven in de facturen, terwijl in werkelijkheid vermelde werkzaamheden en/of diensten niet zijn verricht.”
2.3
Het arrest bevat voor zover relevant de volgende overwegingen (met weglating van voetnoten):

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
[verdachte] is sinds de oprichting op 5 juni 2014 enig bestuurder van de vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ). Enig aandeelhouder is vanaf 12 maart 2015 [F] . [verdachte] is de bestuurder van deze stichting sinds 1 januari 2017.
[medeverdachte 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C] ) sinds 8 maart 1999. Een handelsnaam van [C] is [E] .
[C] is enig aandeelhouder van [D] B.V. (hierna: [D] ) sinds 8 maart 1999. [medeverdachte 2] is hiervan bestuurder sinds 31 oktober 2014. [D] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [G] en [H] .
[…]
Uit onderzoek naar de bankrekeningen van vennootschappen van [verdachte] , dat wil zeggen [A] en [F] , is gebleken dat meerdere contante stortingen hebben plaatsgevonden. Op de bankrekening van [A] ( [rekeningnummer 1] ) zijn in de periode van 10 juni 2015 tot en met 28 augustus 2017 vijftien contante stortingen te zien met een totaalbedrag van € 78.350.-. Op de bankrekening van [F] zijn in de periode van 23 september 2015 tot en met 15 januari 2016 drie contante stortingen te zien met een totaalbedrag van € 35.000,-. Op de rekening op naam van [I] B.V., waarvan de naam van de verdachte is vermeld bij het openen van de bankrekening van deze vennootschap, is op 23 september 2015 € 10.000,- contant gestort. In de periode van 25 mei 2015 tot en met 29 augustus 2017 is door [E] een bedrag van in totaal € 243.210,- bijgeschreven op de rekening van [A] .
Ten slotte zijn op de privérekening van [verdachte] in de periode van mei 2015 tot en met 4 maart 2017 contante stortingen gedaan met een totaalbedrag van € 13.890,-. Uit de overzichten van de rekeningen van [A] en [verdachte] blijkt dat er contante opnamen van respectievelijk € 110,- en € 570,- hebben plaatsgevonden.
[…]
Tijdens de doorzoeking in het kantoor van [C] , dat is gevestigd op het huisadres van [medeverdachte 2] , zijn de onder feit 2 ten laste gelegde facturen a tot en met f aangetroffen. De facturen zijn afkomstig van [A] en geadresseerd aan [C] dan wel [E] . In totaal is door [A] een bedrag van € 158.510,- gefactureerd aan de rechtspersonen gelieerd aan [medeverdachte 2] . In het bankrekeningoverzicht van [A] zijn betalingen door [E] terug te vinden die verband houden met de ten laste gelegde facturen a tot en met f. In de omschrijving van deze betalingen is het betreffende factuurnummer opgenomen en de hoogte van de betalingen correspondeert met de hoogte van de bedragen vermeld op de facturen. De betalingen zijn veelal kort na de factuurdatum gedaan.
Op de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen laptops, waarop hij zijn financiële administratie bijhield, en telefoon zijn geen bestanden of berichten aangetroffen die er op wijzen dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de rechtspersonen gelieerd aan [medeverdachte 2] . Op de laptop van [verdachte] is niets aangetroffen wat duidt op werkzaamheden die [A] ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde rechtspersonen zou hebben verricht.
[…]
Bewijsoverwegingen
[…]
Feit 2
Het hof stelt allereerst vast dat de tenlastelegging een kennelijke verschrijving bevat doordat bij factuur e is opgenomen ‘Ondersteuning mei t/m augustus 2016‘, terwijl daar had moeten staan 'Ondersteuning juni t/m augustus 2016’. Het hof zal deze zinsnede verbeterd lezen. De verdachte wordt hierdoor niet in zijn belangen geschaad, omdat duidelijk is dat dit een verschrijving betreft en er geen twijfel over kan hebben bestaan waartegen hij zich moest verdedigen.
Het hof is van oordeel dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de ten laste gelegde facturen vals zijn en dat [A] die voorhanden heeft gehad. In de administraties van [A] en [medeverdachte 2] zijn geen bestanden of berichten aangetroffen die duiden op door [A] verrichte werkzaamheden ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde rechtspersonen, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 158.510,- zouden moeten rechtvaardigen. De facturen bevatten opvallend ronde bedragen en de omschrijvingen daarin zijn zodanig vaag dat daaruit geen concrete werkzaamheden te herleiden zijn.
De verdachte heeft verklaard dat [A] in opdracht van [medeverdachte 2] heeft gewerkt voor de rechtspersonen van [medeverdachte 2] . Daarnaast had de verdachte met [medeverdachte 2] afgesproken dat hij zich beschikbaar zou stellen voor eventueel te verrichten werkzaamheden. Voor deze werkzaamheden en de beschikbaarstelling ontving [A] een vast bedrag, een zogenoemde
lump sum.
Voornoemde afspraken werden mondeling gemaakt. De verdachte werkte op de computer van [medeverdachte 2] . De verdediging heeft verschillende e-mails overgelegd, die te linken zouden moeten zijn aan de werkzaamheden die [A] voor [medeverdachte 2] heeft verricht, zoals het verlenen van administratieve ondersteuning en accountantswerkzaamheden. Ook uit deze e-mails blijkt evenwel niet concreet welke werkzaamheden [A] voor [medeverdachte 2] heeft verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen. Bovendien verhoudt de beweerdelijke betalingsafspraak (
lump sum) zich niet met de wijze waarop er is gefactureerd. Er is niet met een vaste frequentie een bepaald bedrag in rekening gebracht. Integendeel, er is onregelmatig gefactureerd en de in rekening gebrachte bedragen lopen uiteen. Ook de gefactureerde vergoeding voor de omschrijvingen "Inhuur externe" en "extra weekend en avond werk" past niet bij een
lump sum.
De verdediging heeft in dit verband verwezen naar verschillende e-mails die namens [medeverdachte 2] zijn overgelegd en die te linken zouden moeten zijn aan werkzaamheden die [A] voor [medeverdachte 2] heeft verricht. Ook uit deze e-mails blijkt evenwel niet concreet welke werkzaamheden [A] voor [medeverdachte 2] heeft verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen.
Verklaringen [verdachte] en [medeverdachte 2]
De verdachte heeft bij de politie in zijn eerste verhoor verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] heeft gewerkt voor klanten van [E] . Hij maakte de opzet voor de administratie en adviezen over de boekhouding van klanten. De verdachte werkte in het kantoor dat zich in de woning van [medeverdachte 2] op de eerste verdieping bevond en hij werkte op de computer van [medeverdachte 2] . Alle afspraken werden mondeling gemaakt. De verdachte hoefde niet aan [medeverdachte 2] te rapporteren, omdat ze samen werkten op hetzelfde adres.
In een latere verklaring heeft de verdachte geschreven dat hij een vaste prijs, een zogenoemde lump sum vergoeding, ontving om zich beschikbaar te houden voor het geval [medeverdachte 2] werk aan hem wilde uitbesteden.
[medeverdachte 2] heeft bij de politie verklaard dat de verdachte hem hielp bij de administratie en bij het zoeken van nieuwe opdrachtgevers. [medeverdachte 2] heeft hem een lump sum betaald voor zijn activiteiten. Alle afspraken verliepen mondeling. Dat was een vertrouwenskwestie. De verdachte werkte op zijn eigen computer in zijn eigen omgeving. Voor afstemming over de werkzaamheden ging [medeverdachte 2] naar het kantoor van de verdachte in [plaats] .
Op 1 september 2020 heeft [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris verklaard dat de verdachte hem hielp bij zijn werkzaamheden voor [bank] . Dat gebeurde volledig online. [medeverdachte 2] had op zijn laptop toegang tot de systemen van [bank] . Hij gaf de verdachte vervolgens via TeamViewer op afstand toegang tot zijn laptop, zodat de verdachte de werkzaamheden kon verrichten. De verdachte heeft op de zitting in eerste aanleg verklaard dat, door het op afstand toegang krijgen tot de laptop van [medeverdachte 2] , het voor hem leek alsof hij en [medeverdachte 2] fysiek naast elkaar zaten.
De verdachte en [medeverdachte 2] hebben bij de politie in eerste instantie volstrekt tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de locatie waar de verdachte zijn werkzaamheden zou hebben verricht en op wiens laptop er werd gewerkt. Dat lijkt achteraf door de verdachte en [medeverdachte 2] te zijn onderkend.
De later afgelegde verklaringen dat de verdachte en [medeverdachte 2] gebruik maakten van TeamViewer zodat de verdachte op zijn eigen werkplek toch op de computer van [medeverdachte 2] kon werken, vindt het hof volstrekt ongeloofwaardig en lijken duidelijk op elkaar te zijn afgestemd en bedoeld om een gat in hun verklaringen te dichten.
Veeleer lijkt het erop dat via verschillende vennootschappen grote bedragen worden rondgepompt en dat een factuur wordt gestuurd als in een vennootschap geld nodig is. Wat daarbij opvalt is dat [medeverdachte 2] met [A] in plaats van [B] gaat samenwerken op het moment dat er problemen ontstaan bij [B] en [betrokkene 2] met dat bedrijf niet verder wil en kan. Naar het oordeel van het hof zijn, gelet op het gebrek aan enige onderbouwing en de ongeloofwaardige verklaring van de verdachte, de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd, niet verricht.
Facturen hebben naar hun aard een bewijsbestemming in het maatschappelijk verkeer. Bovendien zijn de facturen in de administratie van [medeverdachte 2] aangetroffen, waarmee vast staat dat de facturen bestemd waren voor het gebruik jegens derden.
Het opzettelijk afleveren en voorhanden hebben van de valse facturen heeft plaatsgevonden binnen de sfeer van de rechtspersoon en kan zodoende aan [A] worden toegerekend. De verdachte was bestuurder van [A] en was direct betrokken bij het opmaken en gebruiken van de valse facturen en heeft zodoende aan deze gedragingen feitelijk leiding gegeven. Het is niet gebleken dat de verdachte het feitelijke leidinggeven als medepleger heeft gedaan, zodat de verdachte van dat onderdeel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Het hof komt tot bewezenverklaring van het eerste alternatief tenlastegelegde.”
2.4
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 15 en 19 december 2023 en 12 januari 2024 blijkt dat de raadsman van de verdachte op 19 december 2023 het woord heeft gevoerd aan de hand van op schrift gestelde en aan het hof toegezonden pleitaantekeningen. Deze pleitnotitie houdt voor zover relevant het volgende in:

Feit 2: Valse facturen
Anders dan het Openbaar Ministerie wil, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de onderhavige facturen vals zijn.
Zowel [verdachte] als [medeverdachte 2] hebben hierover verklaard, bij de politie, ter terechtzitting in eerste aanleg, [medeverdachte 2] als getuige bij de Rechter commissaris en als verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.
Uit die verklaringen blijkt dat er wel degelijk werkzaamheden zijn verricht.
Voorts is ter terechtzitting in hoger beroep aan het dossier toegevoegd het "schriftelijk standpunt t.a.v. werkzaamheden [B] en [A] b.v." met de daarbij behorende bijlagen, welk standpunt is opgesteld door Mr. [betrokkene 4] , de advocate van [medeverdachte 2] .
Ik verzoek u er uitdrukkelijk mee in te stemmen dat de inhoud hiervan hier als herhaald en voorgedragen wordt beschouwd en daarvan akte te verlenen.
Wellicht ten overvloede kan in dit verband worden gewezen op de overwegingen van het Gerechtshof te Den Haag in de zogenaamde "Vestia" zaak:
[…]
Gelet daarop is het hof van oordeel dat de omschrijving op de facturen niet als vals kon worden aangemerkt. Er is immers in enige mate door [naam verdachte 4] bemiddeld bij de totstandkoming van derivatencontracten die dienden ter financiering van de activiteiten van de betreffende corporaties.Dat de bedragen die daarmee gemoeid waren niet in een redelijke verhouding staan tot de verrichte diensten en dat die bedragen werden overgemaakt in het kader van een afspraak om de dankzij de bemiddeling gerealiseerde omzet te delen, maakt die facturen daarmee nog niet vals.
Naar het oordeel van het hof is derhalve niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.”
2.5
Het in de pleitnotitie genoemde “schriftelijk standpunt t.a.v. werkzaamheden [B] B.V. en [A] B.V.” dat door de raadsvrouw van [medeverdachte 2] is opgesteld, houdt onder meer het volgende in (met weglating van verwijzingen):
“[…]
9. In onderstaande wordt getracht zo specifiek mogelijk toe te lichten en te onderbouwen welke werkzaamheden met de tenlastegelegde facturen corresponderen. Het is voor cliënt echter niet in alle gevallen eenvoudig per factuur exact aan te geven welke specifieke werkzaamheden daar tegenover hebben gestaan. Dat heeft twee redenen.
10. Ten eerste zijn de afspraken met [medeverdachte 1] en [verdachte] die aan de facturen ten grondslag liggen mondeling gemaakt. Dit betekent dat aan de facturen geen schriftelijke overeenkomst ten grondslag ligt én dat overleg over de werkzaamheden van beide heren voornamelijk telefonisch en per WhatsApp plaatsvond. Slechts een beperkt deel van het overleg is via de e-mail gegaan. De overgelegde e-mails zijn dus de weergave van slechts een fractie van het overleg dat heeft plaatsgevonden. Daarbij geldt dat cliënt in het verleden meermaals (delen van) zijn Yahoo mailbox heeft geleegd en met het schonen van zijn mailbox pas eind augustus 2018 is gestopt. Ook is hij in die periode meerdere malen van telefoon gewisseld (gemiddeld elke twee jaar), waardoor hij geen toegang heeft tot zijn telefoongegevens van die tijd, noch tot zijn WhatsApp geschiedenis.
11. Om te proberen toch nog oude, gewiste WhatsApp gesprekken terug te halen, heeft cliënt onderzoek gedaan naar de mogelijkheid deze WhatsApp gesprekken terug te halen. Op basis van informatie op de website van WhatsApp en diverse gebruikersfora, werd hem duidelijk dat dit niet mogelijk is. Desalniettemin heeft hij contact opgenomen met de helpdesk van WhatsApp met de vraag of deze gesprekken op enigerlei wijze terug te halen zijn (zie
bijlage 1). Helaas heeft hij daarop geen reactie gekregen.
12. De tweede reden waarom het lastig is de facturen aan specifieke werkzaamheden te koppelen, is dat met beide heren overeengekomen is dat cliënt hen een ‘lumpsum’ zou betalen voor hun werkzaamheden. Dat een lumpsum werd betaald voor de werkzaamheden heeft cliënt vanaf zijn allereerste verhoor bij de politie verklaard. Vooraf was (mondeling) een vast bedrag afgesproken dat de vennootschappen van [medeverdachte 1] en [verdachte] gedurende een jaar of voor een specifiek project mochten factureren voor hun werkzaamheden. Dit afgesproken bedrag was gebaseerd op een schatting van de te verrichten werkzaamheden. Zoals ook uit de algemene omschrijvingen op de facturen blijkt, werd dus niet per factuur voor specifieke werkzaamheden gefactureerd. Op de facturen werd telkens een deel van de vooraf afgesproken lumpsum gefactureerd.
[…]
FACTUREN [A] B.V.
34. Cliënt heeft in de periode van 2015 tot en met 2017 samengewerkt met [verdachte] . [verdachte] bood [C] BV. vanuit zijn bedrijf [A] BV voornamelijk financiële en administratieve ondersteuning. [verdachte] was goed met administratieve software en office en kon cliënt daarmee ondersteunen. Zowel [verdachte] als cliënt verklaren dat [verdachte] cliënt ook hielp met de opzet en inrichting van de administratie van de klanten van [C] B.V.
35. In zijn e-mailbox heeft cliënt 52 e-mails aangetroffen van en aan [e-mailadres] . Zoekende op [verdachte] trof hij 137 e-mails aan (
bijlage 9). De meest relevante e-mails worden in onderstaande onderbouwing van de facturen uitgelicht en als bijlagen bijgevoegd.
36. Ook met [verdachte] cliënt mondeling overeengekomen dat hij hem een lumpsum zou betalen voor zijn inspanningen: een vast bedrag per periode voor werkzaamheden die [verdachte] voor hem uitvoerde. In 2015 is afgesproken dat [verdachte] een totaalbedrag van €56.000 ex btw in rekening mocht brengen. Dit bedrag is gebaseerd op een inschatting van ongeveer 650 uur aan administratief werk tegen een uurtarief van €85. Voor het jaar 2016 is overeengekomen dat [verdachte] een totaalbedrag van €120.000 zou mogen declareren. Dit bedrag is gebaseerd op de inschatting dat [verdachte] ongeveer 100 uur per maand voor cliënt zou werken tegen een uurtarief van €100. In 2017 is vervolgens nog eenmalig €20.000 gefactureerd voor ongeveer 200 uur werk €100 per uur.
37. Ook ten aanzien van de facturen van [A] BV. schuift de rechtbank de verklaring dat sprake was van een lumpsum afspraak als ongeloofwaardig terzijde. Daarbij hecht de rechtbank opnieuw veel waarde aan het feit dat niet met een vaste frequentie is gefactureerd. Opnieuw merkt cliënt op dat de frequentie van factureren niets afdoet aan de lumpsum afspraken. Cliënt heeft met [verdachte] een vast bedrag afgesproken. Op welke wijze en in welke termijnen [verdachte] dit bedrag wilde factureren, heeft cliënt aan hem gelaten.
38. Opvallend is voorts dat de rechtbank zonder enige motivering oordeelt dat niet is onderbouwd dat [A] de werkzaamheden zoals beschreven op de facturen heeft verricht. In de administratie is niets aangetroffen en uit de overgelegde e-mails blijkt dit ook niet, aldus de rechtbank. Daarbij gaat de rechtbank in het geheel niet in op (de inhoud van) de door de verdediging overgelegde e-mails (waarover later meer), waaruit wel degelijk blijkt dat [verdachte] werkzaamheden heeft uitgevoerd voor cliënt. De rechtbank laat na te motiveren waarom de werkzaamheden die uit de e-mails blijken niet met de facturen zouden corresponderen.
e. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten “Ondersteuning jan t/m april 2015” met factuurnummer 41, d.d. 18 mei 2015, met een gesteld bedrag van 6.050 euro (Inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V.;
f. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten “Financiële ondersteuning mei t/m sept 2015” met factuurnummer 80, d.d. 19 oktober 2015, met een gesteld bedrag van 18.150 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] B.V./ [E] B.V.;
g. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten ‘Financiële ondersteuning okt t/m dec 2015 - aanvulling financiële ondersteuning jan t/m dec 2015” met factuurnummer 98, d.d. 10 november 2015, met een gesteld bedrag van 43.560 euro (inclusief BTW), geadresseerd aan [C] B.V./ [E] BV.
39. Deze facturen hebben betrekking op administratieve ondersteuning door [verdachte] op diverse werkzaamheden van [C] BV. Een deel van het werk zag op accountantswerk. De specifieke werkzaamheden van [verdachte] bestonden uit het opmaken van rapportages in PowerPoint en Excel ten behoeve van de cliënten van [C] B.V. [verdachte] hielp cliënt met het verzamelen van data en het uitvoeren van steekproeven.
40. Zo ondersteunde [verdachte] cliënt met het opstellen van de accountantsverklaringen voor [J] BV., [K] en [L] . Over deze werkzaamheden van [verdachte] heeft cliënt vanaf zijn eerste verhoor bij de politie verklaard. Over deze werkzaamheden is tussen cliënt en [verdachte] veelvuldig gecommuniceerd, zoals te zien is in
bijlage 10. In deze e-mails is – naast de vele communicatie tussen [verdachte] en de bovengenoemde rechtspersonen met cliënt in de cc – te zien dat [verdachte] cliënt documenten toestuurt (zie bijvoorbeeld p. 12-13, 26-27, 33 en 37 t/m 41), dat cliënt [verdachte] opdrachten geeft (zie bijvoorbeeld p. 19 t/m 21, p. 24, p. 28) en dat [verdachte] en cliënt over deze werkzaamheden ook telefonisch contact hadden (zie bijvoorbeeld p. 32-33).
41. Daarbij wordt het volgende opgemerkt. In het dossier komt naar voren dat [verdachte] als boekhouder voor [J] BV. en [K] werkte en wordt het vermoeden geuit dat hij voor zijn werkzaamheden voor deze partijen dus direct werd betaald. De werkzaamheden die [verdachte] als boekhouder voor [J] en [K] heeft verricht, staan echter los van de werkzaamheden die hij in opdracht van cliënt voor deze partijen uitvoerde. Uit de overgelegde e-mails blijkt ook duidelijk dat cliënt [verdachte] opdrachten gaf en [verdachte] deze opdrachten voor cliënt uitvoerde. Daarbij wordt bijvoorbeeld gewezen op pagina 37 van bijlage 10, waarin [verdachte] mailt “Zie hierbij de gevraagde gegevens (..) Laat me weten of nog iets nodig hebt” en pagina 28, waarin cliënt aan [verdachte] mailt “Mail die selectie voor steekproef naar hen en zet me in de cc (...)“. De betalingen van cliënt aan [verdachte] zagen dus wel degelijk ook op deze werkzaamheden.
42. Een ander deel van de werkzaamheden die [verdachte] voor cliënt heeft uitgevoerd, bestond uit het samenstellen van rapportages voor een klant van cliënt: [bank] . Cliënt was verantwoordelijk voor een tijdrovende voortgangsrapportage en het uitvoerende werk bestond uit de wekelijkse opmaak van een voortgangsrapport in Excel en PowerPoint van ruim 50 pagina’s. De werkzaamheden van [verdachte] in dit kader bestonden uit het in PowerPoint en in Excel maken van draft rapportages ten behoeve van [bank] . De eindcontrole deed cliënt zelf, inclusief het aansturen van de overige projectmedewerkers. Cliënt kon via zijn laptop in de beveiligde omgeving van [bank] (via Citrix) en [verdachte] werkte via Teamviewer op de laptop van cliënt. Over deze werkzaamheden is geen correspondentie beschikbaar, aangezien [verdachte] al zijn werkzaamheden uitvoerde via Teamviewer en hij de vertrouwelijke informatie van deze klant niet op zijn eigen computer bewaarde, dan wel via de e-mail deelde. Alle overige zaken werden door cliënt en [verdachte] afgestemd via WhatsApp.
43. De rechtbank overweegt in het vonnis dat hij de verklaringen van cliënt ten aanzien van deze werkzaamheden ongeloofwaardig acht, omdat de verklaring afgestemd zou zijn op de verklaring van [verdachte] en bedoeld zou zijn om een gat in hun verklaringen te dichten. Volgens de rechtbank hebben cliënt en [verdachte] eerder - bij de politie - volstrekt tegenstrijdige verklaringen afgelegd over de locatie waar [verdachte] zijn werkzaamheden verrichte en op wiens laptop werd gewerkt. In de pleitnotitie in eerste aanleg is al stilgestaan bij het feit dat de verklaringen van [verdachte] en cliënt op dit punt helemaal niet zo tegengesteld zijn. Ten aanzien van de later afgelegde verklaring van cliënt over de werkzaamheden die hebben plaatsgevonden via Teamviewer, geldt dat cliënt hierover in eerste instantie liever niets wilde verklaren, omdat [bank] niet op de hoogte was van het feit dat hij de hulp van [verdachte] inschakelde bij het uitvoeren van de opdracht voor [bank] .
44. Om deze werkzaamheden van [verdachte] te onderbouwen, heeft cliënt nog getracht via de helpdesk van Teamviewer de loggegevens op te vragen, waarmee bovenbeschreven werkwijze zou kunnen worden bevestigd (
bijlage 11). Helaas heeft hij daarop geen reactie gekregen. Dat hij niet nader kan onderbouwen dat de betreffende werkzaamheden via Teamviewer hebben plaatsgevonden, kan hem dan ook niet worden tegengeworpen.
45. Dat [verdachte] cliënt heeft ondersteund bij zijn werkzaamheden voor [bank] kan wel blijken uit het feit dat cliënt in 2015 zowel een fulltime opdracht had van [bank] als een fulltime opdracht van [M] (hetgeen ook kan worden afgeleid uit de sterk toenemende omzet van [C] BV. in die periode, zie
bijlage 12). Cliënt kon deze twee opdrachten tegelijkertijd doen doordat [verdachte] een groot deel van de werkzaamheden voor [bank] op zich nam.
h. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden of diensten: Ondersteuning juni t/m augustus 2016” d.d. 3 augustus 2016 met een gesteld bedrag van 36.300 euro (inclusief BTW). geadresseerd aan [C] B.V./ [E] B.V.;
i. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten “Ondersteuning November t/m december 2016 — extra werk 2016 (avond en weekend toeslag)” met factuurnummer 201600232, d.d. 10 november 2016, met een gesteld bedrag van 30.250 euro (inclusief BTW) geadresseerd aan [C] B.V. en/of [E] B.V.
46. Ook deze facturen hadden betrekking op de werkzaamheden die [verdachte] uitvoerde ten behoeve van het opstellen van de accountantsverklaringen voor onder meer [J] B.V., [K] en [L] en de ondersteunende werkzaamheden die hij via Teamviewer uitvoerde voor [bank] .
47. Daarbij wordt opgemerkt dat cliënt op basis van de drukte in 2015 met [verdachte] afspraken heeft gemaakt over diens beschikbaarheid in 2016. Uiteindelijk viel de omzet van cliënt in 2016 tegen, omdat zowel de opdracht van [M] , als de opdracht van [bank] halverwege het jaar vrij plotseling stopten. De afspraken met [verdachte] ten aanzien van de lumpsum betalingen die hij zou ontvangen voor zijn werkzaamheden had cliënt toen echter al gemaakt Er is dus ook gefactureerd en betaald op basis van die afspraken.
48. De rechtbank heeft in het vonnis zijn verbazing uitgesproken over het feit dat de lumpsum in 2016 het dubbele zou bedragen dan die in 2015 terwijl daar de helft aan beschikbare uren tegenover zou staan. Dit ontbeert volgens de rechtbank iedere zakelijke logica. Waarop de rechtbank de vaststelling dat in 2016 twee keer zo weinig uren is gewerkt als in 2015 baseert, is voor de verdediging onduidelijk. Dit klopt niet. Dat de lumpsum in 2016 hoger was dan in 2015, terwijl in 2015 meer werk is gedaan, klopt echter wel en heeft te maken met bovenbeschreven afspraken en ontwikkelingen.
j. Factuur van het bedrijf [A] B.V. met als vermelde werkzaamheden en/of diensten ‘Inhuur Externe”, met factuurnummer 17700445, d.d. 28 augustus 2017, met een gesteld bedrag van 24.200 euro (inclusief BTW); geadresseerd aan [C] B.V.
49. Deze factuur had betrekking op werkzaamheden van [verdachte] met betrekking tot potentieel detacheringswerk. In 2017 heeft [verdachte] , op verzoek van [C] B.V., commerciële activiteiten ontplooid op het gebied van detachering, werving en selectie. Daarover heeft cliënt ook verklaard tijdens zijn verhoor op 29 augustus 2018. Deze werkzaamheden zijn uitgevoerd gedurende geheel 2017. In
bijlage 13treft u enkele e-mails van [verdachte] aan, waarin hij relevante vacatures doorstuurt ten behoeve van detacheringswerk. De omschrijving op factuur “Inhuur Externe” is een verwijzing naar deze werkzaamheden.
50. Voor deze in 2017 door [verdachte] uitgevoerde werkzaamheden heeft [A] B.V. het vooraf afgesproken bedrag van €20.000 ex btw in rekening gebracht.
TOT SLOT
51. Tot slot wijst de verdediging uw hof er in algemene zin nog op dat cliënt achteraf concludeert dat het factureren van de werkzaamheden door zijn neven enigszins slordig is verlopen. De facturen werden niet regelmatig gestuurd, de omschrijvingen op de facturen zijn in voorkomende gevallen niet helemaal helder en (zoals in onderstaande nader toegelicht) stond niet op alle facturen de juiste datum vermeld. Dit soort onregelmatigheden zijn cliënt destijds, door de extreme drukte, niet opgevallen. Daarbij speelt mee dat hij wellicht minder oplettend is geweest omdat het familie betrof. Dit is weliswaar slordig te noemen, maar betekent niet dat er geen werkzaamheden hebben plaatsgevonden en dat de facturen om die reden vals zijn.
CONCLUSIE
52. Op basis van bovenstaande toelichting en onderbouwing volgt de conclusie dat [medeverdachte 1] en [verdachte] via hun vennootschappen [B] B.V. en [A] B.V. wel degelijk werkzaamheden hebben uitgevoerd voor de vennootschappen van cliënt. De verstuurde en betaalde facturen corresponderen met deze werkzaamheden. Dat de facturen vals zouden zijn omdat de daarop vermelde werkzaamheden niet zijn verricht, is dus onjuist.
53. Ter terechtzitting zal een en ander van een nadere (juridische) duiding worden voorzien. Dit schriftelijke stuk zal gedeeltelijk worden gevoegd in de pleitnota en de verdediging zal ter terechtzitting verzoeken om de inhoud van (de betreffende gedeeltes van) dit stuk als voorgedragen te beschouwen.”
2.6
Het hof heeft vastgesteld dat in de administratie van [A] B.V. (hierna: [A] ) en [medeverdachte 2] geen bestanden of berichten zijn aangetroffen die duiden op door [A] verrichte werkzaamheden ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde rechtspersonen, terwijl de werkzaamheden van dien aard zouden moeten zijn dat die betalingen van in totaal € 158.510,- zouden moeten rechtvaardigen. De omschrijvingen op de facturen zijn zodanig vaag dat daaruit geen concrete werkzaamheden zijn te herleiden. Ten aanzien van de verschillende e-mails die de verdediging heeft overgelegd en die te linken zouden moeten zijn aan de werkzaamheden die [A] voor [medeverdachte 2] zou hebben bericht, heeft het hof overwogen dat daaruit niet concreet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen.
2.7
Verder heeft het hof overwogen dat de verdachte en [medeverdachte 2] in eerste instantie “volstrekt tegenstrijdige” verklaringen hebben afgelegd over de locatie waar de verdachte zijn werkzaamheden zou hebben verricht (volgens de verdachte in het kantoor in de woning van [medeverdachte 2] , volgens [medeverdachte 2] juist in de eigen omgeving van de verdachte) en op wiens laptop er werd gewerkt (volgens de verdachte op de computer van [medeverdachte 2] , volgens [medeverdachte 2] juist op de laptop van de verdachte). Ten aanzien van de later afgelegde verklaringen dat de verdachte (via TeamViewer) op zijn eigen werkplek toch op de computer van [medeverdachte 2] kon werken, heeft het hof overwogen dat dit “volstrekt ongeloofwaardig” is en deze verklaringen duidelijk op elkaar lijken te zijn afgestemd om een gat in de (eerdere) verklaringen te dichten.
2.8
Het lijkt er volgens het hof op dat via verschillende vennootschapen grote bedragen werden rondgepompt en dat er een factuur werd gestuurd als in een vennootschap geld nodig was. Daarbij heeft het hof opgemerkt dat [medeverdachte 2] met [A] in plaats van [B] (het bedrijf van medeverdachte [medeverdachte 1] ) is gaan samenwerken op het moment dat er problemen ontstonden bij [B] en [betrokkene 2] met dat bedrijf niet verder wil en kan. Gelet op het gebrek aan enige onderbouwing en de ongeloofwaardige verklaring van de verdachten, zijn de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd naar het oordeel van het hof niet verricht.
2.9
Anders dan de steller van het middel betoogt, meen ik dat van innerlijke tegenstrijdigheid in de overwegingen van het hof geen sprake is. Het hof heeft immers overwogen dat in de administratie van [A] en [medeverdachte 2] niets is aangetroffen dat duidt op door [A] verrichte werkzaamheden, dat uit de facturen ook geen concrete werkzaamheden zijn af te leiden, dat uit hetgeen de verdediging heeft overgelegd niet concreet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en dat de door de verdachte en [medeverdachte 2] afgelegde verklaringen volstrekt tegenstrijdig dan wel volstrekt ongeloofwaardig zijn. Deze overwegingen wijzen er in mijn ogen allemaal op dat het hof van oordeel is dat de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd niet zijn verricht, zoals door het hof ook met zoveel woorden wordt vermeld.
2.1
Ook de klacht tegen het oordeel van het hof dat er geen werkzaamheden zijn verricht en dat de facturen om die reden als vals zijn aan te merken, is tevergeefs voorgesteld. Het hiervoor onder 2.4 en 2.5 weergegeven betoog van de verdediging in hoger beroep dat wel degelijk werkzaamheden zijn verricht, maakt dat niet anders. Het hof is op het aangevoerde ingegaan door uiteen te zetten waarom de verklaringen van de verdachte en [medeverdachte 2] omtrent de beweerdelijke werkzaamheden als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven en daarnaast te overwegen dat ook uit de door de verdediging ingebrachte stukken niet concreet blijkt welke werkzaamheden zijn verricht en hoe die met de facturen zouden corresponderen. In het licht van het voorgaande acht ik het oordeel van het hof dat de werkzaamheden waarvoor is gefactureerd niet zijn verricht en de facturen (dus) vals zijn niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd.
2.11
Het middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel klaagt over de bewezenverklaring van feit 3, voor zover de bewezenverklaring betrekking heeft op een geldbedrag van in totaal 243.210 euro in verband met diverse facturen die betaald zijn door [C] B.V. en een geldbedrag van in totaal 30.000 euro ten behoeve van de betaling van advocaat [betrokkene 5] .
3.2
Ten laste van de verdachte heeft het hof onder 3, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 18 februari 2015 tot en met 31 december 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,
immers hebben hij en zijn mededader(s), toen en daar, op een of meer tijdstippen in voornoemde periode van een aantal voorwerpen, te weten:
- een geldbedrag van in totaal 243.210 euro in verband met diverse valse facturen die betaald zijn door [C] B.V.;
- […]
- een geldbedrag van in totaal 30.000 euro t.b.v. de betaling van advocaat [betrokkene 5] ;
- […]
de werkelijke aard en/of de herkomst verhuld en/of verhuld wie de rechthebbende(n) van die voorwerpen was/waren, en
die voorwerpen verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en zijn mededader(s) telkens wisten dat deze voorwerpen geheel of ten dele onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.”
3.3
Het arrest bevat voor zover relevant voor de onderhavige klacht de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten):

Redengevende feiten en omstandigheden
[…]
[verdachte] is sinds de oprichting op 5 juni 2014 enig bestuurder van de vennootschap [A] B.V. (hierna: [A] ). Enig aandeelhouder is vanaf 12 maart 2015 [F] . [verdachte] is de bestuurder van deze stichting sinds 1 januari 2017.
[medeverdachte 2] is bestuurder en enig aandeelhouder van [C] B.V. (hierna: [C] ) sinds 8 maart 1999. Een handelsnaam van [C] is [E] .
[C] is enig aandeelhouder van [D] B.V. (hierna: [D] ) sinds 8 maart 1999. [medeverdachte 2] is hiervan bestuurder sinds 31 oktober 2014. [D] heeft meerdere handelsnamen, waaronder [G] en [H] .
[…]
Uit onderzoek naar de bankrekeningen van vennootschappen van [verdachte] , dat wil zeggen [A] en [F] , is gebleken dat meerdere contante stortingen hebben plaatsgevonden. Op de bankrekening van [A] ( [rekeningnummer 1] ) zijn in de periode van 10 juni 2015 tot en met 28 augustus 2017 vijftien contante stortingen te zien met een totaalbedrag van € 78.350.-. Op de bankrekening van [F] zijn in de periode van 23 september 2015 tot en met 15 januari 2016 drie contante stortingen te zien met een totaalbedrag van € 35.000,-. Op de rekening op naam van [I] B.V., waarvan de naam van de verdachte is vermeld bij het openen van de bankrekening van deze vennootschap, is op 23 september 2015 € 10.000,- contant gestort. In de periode van 25 mei 2015 tot en met 29 augustus 2017 is door [E] een bedrag van in totaal € 243.210,- bijgeschreven op de rekening van [A] .
Ten slotte zijn op de privérekening van [verdachte] in de periode van mei 2015 tot en met 4 maart 2017 contante stortingen gedaan met een totaalbedrag van € 13.890,-. Uit de overzichten van de rekeningen van [A] en [verdachte] blijkt dat er contante opnamen van respectievelijk € 110,- en € 570,- hebben plaatsgevonden.
Op 2 augustus 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 3] :
Tsja lastig voor jullie. Broer ik ga die golf zekerstellen. Volgens mij maakt het dan niet uit wie er in rijd ze mogen er dan niet meer aan komen. Zeker gesteld is zeker gesteld. Broer is het mogelijk dat [bijnaam] dat bedrag stort op die cenrale rek van [O] . Want moet we 'll herleid baar zijn. Snap je. Ik geef het jullie dan. En miss heeft [bijnaam] al wat voor mij.
[betrokkene 2] :
Voor hoeveel wordt ie zekergesteld?
[betrokkene 3] :
Denk dat het rond de dertig zal hangen. Als we geluk hebben 25
[betrokkene 2] :
Broer vraag maar eerst hoeveel pas dan ga ik er werk van maken
[betrokkene 3] :
Klopt maar als buthead werk er van maakt en hun zeggen zoveel dan moeten wij binnen twee weken betalen anders gooien ze hem als nog op de veiling. Dat is de werkwijze
Op 3 augustus 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 2] :
Broer ik heb [bijnaam] gesproken op zijn rekening storten zelf gaat niet omdat hij nog niet zoveel winst heeft gemaakt en ook op de balans komt dat bedrag niet voor het kan wel via andere mensen van hem die ik ook net heb gezien die vragen 10 procent tot aan 100K en 8 procent vanaf 100K dan maken ze het legaal en betalen ze belasting erover
[betrokkene 3] :
Hmm dus het kan
[betrokkene 2] :
Ja broer het kan wel dan maken zij het wit en storten het door met facturen en al naar [bijnaam] en dan regelt hij het weer met OM tot aan 100K 10 procent en vanaf 100K 8 procent
[betrokkene 3] :
Hoelang duurt hun procedure?
[betrokkene 2] :
Max 2 keer 5 werkdagen vanaf het moment van storten hoe hoger het bedrag hoe langer het duurt zei die man maar dat bedrag tot 30K is al misschien in 3 werkdagen gedaan
[…]
Op 22 september 2015 sturen [betrokkene 2] en [verdachte] elkaar de volgende iMessage-berichten: [verdachte] :
Broer klopt het wel. ik mis een stuk?
[betrokkene 2] :
30 broertje 25 naar die ene rekening 5 naar mij. De commissie komt als het is gedaan (...) Die man werkt sinds slechte ervaring met [medeverdachte 1] nu zo! (...)
[verdachte] :
Auto word overgeschreven of niet? Wie gaat factuurtje geven?
[betrokkene 2] :
Als die wordt vrijgegeven dan komt ie waarschijnlijk op die persoon zijn eigen naam[verdachte] :
Oke ik hoor wel
[betrokkene 2] :
Morgen is het geregeld?
[verdachte] :
Jazeker
Op 22 september 2015 stuurt [betrokkene 2] aan [betrokkene 3] het volgende Ennetcom-bericht:
€ 25.000,- + € 2.500,- de kosten voor het wit maken! Totaal € 27.500,- wordt dan van jou verwacht! Morgen wordt het bedrag overgemaakt naar [O] en op wie zijn naam komt die auto? De betalende bedrijf moet anders kan die een probleem krijgen! Hoezo betalen zij dat bedrag en van wie is dat bedrag dan afkomstig snapje?
[…]
Tijdens de doorzoeking in het kantoor van [C] , dat is gevestigd op het huisadres van [medeverdachte 2] , zijn de onder feit 2 ten laste gelegde facturen a tot en met f aangetroffen. De facturen zijn afkomstig van [A] en geadresseerd aan [C] dan wel [E] .
In totaal is door [A] een bedrag van € 158.510,- gefactureerd aan de rechtspersonen gelieerd aan [medeverdachte 2] . In het bankrekeningoverzicht van [A] zijn betalingen door [E] terug te vinden die verband houden met de ten laste gelegde facturen a tot en met f. In de omschrijving van deze betalingen is het betreffende factuurnummer opgenomen en de hoogte van de betalingen correspondeert met de hoogte van de bedragen vermeld op de facturen. De betalingen zijn veelal kort na de factuurdatum gedaan.
Op de onder [medeverdachte 2] inbeslaggenomen laptops, waarop hij zijn financiële administratie bijhield, en telefoon zijn geen bestanden of berichten aangetroffen die er op wijzen dat [A] werkzaamheden heeft verricht voor de rechtspersonen gelieerd aan [medeverdachte 2] . Op de laptop van [verdachte] is niets aangetroffen wat duidt op werkzaamheden die [A] ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde rechtspersonen zou hebben verricht.
Op 15 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] elkaar de volgende Ennetcom-berichten:
[betrokkene 1] :
Ee broo vraagje kan je iemand die 15 kop kan storten naar advo kantoor dan geef ik hem contacnt
[betrokkene 2] :
Ja broer dat moet wel lukken! Ze vragen wel 10 procent witwas kosten! Zijn hindoestanen[betrokkene 1] :
Oke afff haal het van me buitje af van V gekkk!!!
[betrokkene 2] :
Okidoki bro! Ik stuur later precies wat er is uitgegeven en wat er ligt bro! Heb je advocaat naam en rekeningnummer voor mij?
[betrokkene 1] :
W8 ff ik stuur je zo broo. Maar 10% is wel veel bro of niet? Die 15 is gewoon in tata he broo niet naar over kant!!
[betrokkene 2] :
Nee broer snap ik! Ja broer ik ga even met die Hindoestanen praten om te drukken naar 5 procent zij moeten facturen maken etc. om het wit te maken! Komt goed bro!
Op 19 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [verdachte] elkaar de volgende iMessage-berichten: [betrokkene 2] :
[N] BV [rekeningnummer 2]
[verdachte] :
Die van advocaat is morgen betaald en de rest mag je brengen wanneer je kan. Gaat wel even tot volgende week duren denk ik voor betaald kan worden
Op 20 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [verdachte] elkaar de volgende iMessage-berichten: [betrokkene 2] :
Broertje hoelaat maak jij het over?
[verdachte] :
Ik denk om 16 uur want ik wacht op geld hij heeft Rabobank. Wat is betalingskenmerk van advocaat
[betrokkene 2] :
Geen. Zij moet uren verekenen
[verdachte] :
Dan doe ik zonder kenemerk
[betrokkene 2] :
Komt later met een factuur naar jou toe (...)
[verdachte] :
Betaalt broer
[betrokkene 2] : Vanaf welke rekening nummer is het overgemaakt? Dan geef ik door dat wij dat zijn! [verdachte] :
[rekeningnummer 1] [A] Bv
Op het rekeningoverzicht van de bankrekening van [A] is te zien dat op 20 oktober 2015 zonder omschrijving een betaling van € 15.000,- is gedaan aan [N] . Diezelfde dag maakt [E] een bedrag van € 18.500,- over op de rekening van [A] .
Op 23 oktober 2015 stuurt [betrokkene 2] aan [verdachte] het volgende iMessage-bericht:
[betrokkene 2] :
Bhau! Bij de betaling van Maandag moet dit dossier nummer worden vermeld! Dossier nummer […]
Op het rekeningoverzicht van de bankrekening van [A] is te zien dat op 26 oktober 2015 een betaling van € 15.000.- is gedaan aan [N] met de omschrijving 'inzake dossiernummer:// […] ’. Diezelfde dag maakt [verdachte] een bedrag van € 15.000,- over op de rekening van [A] .
Op 31 oktober 2015 sturen [betrokkene 2] en [verdachte] elkaar de volgende iMessage-berichten: [betrokkene 2] :
Bhau! Staat er geld op jouw rekening?
[verdachte] :
Hoeveel heb jr nodig babu
[betrokkene 2] :
250 moet via iDeal een ticket betaald worden! Hebben we een klant in UK?
[verdachte] :
Oke geen probleem
[betrokkene 2] :
Dan kan jij hem indienen als kosten? (...)
[verdachte] :
Nee tenzij jij een hebt
[betrokkene 2] :
Ja ik denk het wel!
[verdachte] heeft verklaard dat [betrokkene 2] hem "Bhau" noemt en dat hij [betrokkene 2] "Babu" noemt.
[…]
Bewijsoverwegingen
Algemeen
Met “ [bijnaam] ” wordt in de berichten van 6 februari tot en met april 2015 [medeverdachte 1] bedoeld.
[…]
Na de klachten over [medeverdachte 1] gaat in ieder geval [betrokkene 2] in de zomer van 2015 – en blijkens berichten van 15 oktober 2015 ook [betrokkene 1] ter zake van een betaling aan zijn advocaat – over op witwassen via [verdachte] en zijn bedrijven. Dit volgt uit de hiervoor opgenomen iMessage-berichten die [betrokkene 2] en [verdachte] elkaar hebben gestuurd. Op 22 september 2015 legt [betrokkene 2] aan [verdachte] uit dat de
commissievoortaan pas komt "als het is gedaan", "sinds slechte ervaring met [medeverdachte 1] ".
Het hof is van oordeel dat uit het voorgaande volgt dat in de Ennetcom-berichten, die zijn verzonden van 6 februari 2015 tot en met april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , met " [bijnaam] " alleen [medeverdachte 1] kan zijn bedoeld.
Vanaf 2 augustus 2015 wordt met " [bijnaam] " [verdachte] bedoeld in de Ennetcom-berichten
Uit de Ennetcom-berichten van maart en april 2015 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] volgt dat zij [medeverdachte 1] niet langer kunnen en willen gebruiken om wit te wassen door de problemen met betalingen en doordat [medeverdachte 1] bekend is geworden als ‘facilitator’ en zijn administratie onderzocht zal worden. Onder andere [betrokkene 2] en [betrokkene 3] hebben, zo blijkt uit de hiervoor opgenomen Ennetcom-berichten, ook na april nog behoefte aan mogelijkheden om wit te wassen.
Vanaf 25 mei 2015 wordt de eerste betaling van Business Intelligence ontvangen op de rekening van [A] , een vennootschap van [verdachte] , en op 10 juni 2015 wordt de eerste contante storting gedaan op deze rekening. In een Ennetcom-bericht van 2 augustus 2015 meldt [betrokkene 3] dat hij de Golf gaat zekerstellen en uit de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] heeft geholpen om de betaling hiervan in september 2015 te regelen. Uit een Ennetcom-bericht van 3 augustus 2015 blijkt dat " [bijnaam] " nog niet zo veel winst heeft gemaakt en worden de tarieven besproken voor witwassen. Uit de inhoud van dit bericht kan worden afgeleid dat degene die voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] gaat witwassen nog onvoldoende financiële middelen heeft om onopgemerkt geldstromen te kunnen creëren die nodig zijn om wit te wassen. Gelet op de eerste betalingen en contante stortingen die vanaf 25 mei 2015 zijn gedaan (tot augustus ruim € 13.000) is aannemelijk dat dit onvoldoende is voor de betaling van de Golf en dat dit duidt op ’winst' van [A] . Het hof leidt uit het voorgaande af dat in de Ennetcom-berichten vanaf 2 augustus 2015 met " [bijnaam] " [verdachte] wordt bedoeld.
[…]
Feit 3
Juridisch kader
[…]
Geldbedragen van in totaal € 243.210,- (eerste gedachtestreepje)
Het hof stelt vast dat uit de als bewijsmiddelen uitgewerkte Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] - in samenhang met het veroordelend vonnis van 7 december 2018 in de zaak tegen [betrokkene 2] - volgt dat [verdachte] zich door gebruik te maken van [A] gedurende langere tijd heeft beziggehouden met witwassen ten behoeve van in ieder geval [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . De door hen vanaf augustus 2015 gestuurde berichten en de iMessage-berichten tussen [verdachte] en [betrokkene 2] geven een helder beeld van hun witwasmethoden en de gehanteerde tarieven.
[E] heeft in 2015, 2016 en 2017 betalingen aan [A] gedaan van in totaal € 243.210.-. Het hof heeft hiervoor al vastgesteld dat de onder feit 2 ten laste gelegde facturen a tot en met f vals zijn en dat in de administraties van [A] en [medeverdachte 2] geen aanwijzingen zijn gevonden voor werkzaamheden van [A] ten behoeve van de aan [medeverdachte 2] gelieerde bedrijven.
Nu is vastgesteld dat de verdachte rond mei 2015 het witwassen heeft overgenomen van zijn broer [medeverdachte 1] en dat de aan de betalingen aan [A] ten grondslag liggende facturen vals zijn, heeft het openbaar ministerie voldoende feiten en omstandigheden aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het door [E] betaalde geld uit enig misdrijf afkomstig is. Van de verdachte mag dan verlangd worden dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het geld niet van misdrijf afkomstig is. Hetgeen de verdachte ter zake van de facturen en de achtergrond van de betalingen heeft verklaard, is al besproken en weerlegd in de bewijsoverweging van feit 2. Voor de overige betalingen door [E] aan [A] (€ 243.210 -/- € 158.510) van € 84.700.- is geen verklaring gegeven. Het hof is daarom van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de door [E] aan [A] betaalde geldbedragen van € 243.210.- van misdrijf afkomstig zijn.
[…]
Een geldbedrag van € 30.000,- ten behoeve van de betaling van advocaat [betrokkene 5] (vijfde gedachtestreepje)
In de Ennetcom-berichten van 15 oktober 2015 wisselen [betrokkene 1] aan [betrokkene 2] informatie over "het storten van 15 kop naar advo kantoor", "dan geef ik hem contant geven" en de witwaskosten daarvan.
Vervolgens zegt de verdachte in de iMessage-berichten van 19 oktober 2015 tegen [betrokkene 2] dat "die van advocaat morgen betaald is en de rest mag ie brengen wanneer je kan". De dag erna, op 20 oktober 2015, krijgt [A] € 18.500,- overgemaakt van [E] en vervolgens wordt diezelfde dag € 15.000,- overgemaakt van de bankrekening van [A] naar de rekening van [N] . Voor de tweede betaling op 26 oktober 2015 is vanaf de bankrekening van [A] BV € 15.000 overgemaakt. Gelet op de inhoud van het iMessage bericht van 19 oktober 2015 heeft [verdachte] dit bedrag contant ontvangen.
Het openbaar ministerie heeft hiermee voldoende feiten en omstandigheden aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het aan [N] betaalde bedrag van € 30.000,- uit misdrijf afkomstig is. De verdachte heeft slechts verklaard dat hij de bedragen naar [N] heeft overgemaakt omdat [betrokkene 2] aan hem vroeg of hij zijn advocaat kon betalen. Een concrete verklaring over de herkomst van het geld waarmee [N] is betaald is uitgebleven. In het licht van eerder onder feit 2 en feit 3 gedane vaststellingen dat [A] is gefinancierd met geld afkomstig uit enig misdrijf, komt het hof tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat het betreffende geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is.
[…]
Medeplegen
Ten aanzien van het ten laste gelegde medeplegen oordeelt het hof dat de verdachte de bewezenverklaarde geldbedragen in nauwe en bewuste samenwerking met anderen heeft witgewassen. De verdachte maakte gebruik van [A] , [F] en [I] B.V. om samen met de vennootschappen van [medeverdachte 2] geld voor [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] buiten het zicht van de autoriteiten houden te houden waardoor de werkelijke rechthebbenden werden verhuld. Hij en zijn mededaders wisten dat de geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf. Het hof spreekt de verdachte vrij van het medeplegen met [A] , omdat de verdachte als enige feitelijke leidinggever van [A] moet worden aangemerkt en er in dit geval geen sprake kan zijn van medeplegen, zoals hiervoor is overwogen.
Gewoontewitwassen
Gelet op het grote aantal witwashandelingen in de periode van 18 februari 2015 tot en met 28 augustus 2017 komt het hof tot het oordeel dat sprake is van gewoontewitwassen.”
3.4
Als ik het goed begrijp, bevat het middel in de eerste plaats de klacht dat niet uit de bewijsmiddelen blijkt dat het door [E] B.V. betaalde bedrag van € 243.210,- afkomstig is van enig misdrijf en dat dit geldbedrag (direct of indirect) afkomstig is van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] .
3.5
Voor zover de steller van het middel er daarbij van uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat het genoemde geldbedrag afkomstig is uit valsheid in geschrift, omdat gebruik is gemaakt van valse facturen, berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest. Ik begrijp de overwegingen van het hof zo dat dat er weliswaar geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, maar dat het naar het oordeel van het hof op grond van de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat de tenlastegelegde geldbedragen die naar aanleiding van diverse valse facturen zijn ontvangen, uit enig misdrijf afkomstig zijn en dat de facturen slechts zijn opgesteld om dat te verhullen. Het hof heeft in dit verband vastgesteld dat de verdachte zich met [A] gedurende langere tijd heeft beziggehouden met witwassen ten behoeve van in ieder geval [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . Die vaststelling volgt op de voor het bewijs gebezigde Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , die termen bevatten als witwassen, legaal maken, wit maken en ‘witwaskosten’, in samenhang met de onherroepelijke veroordeling van [betrokkene 2] wegens deelname aan een criminele organisatie die zich bezighield met de invoer van harddrugs.
3.6
Gelet op de onder 3.3 weergegeven berichten, in combinatie met de vaststelling van het hof dat vanaf 2 augustus 2015 met ‘ [bijnaam] ’ de verdachte werd aangeduid en de vaststelling dat de opgemaakte facturen vals zijn, acht ik het niet onbegrijpelijk dat deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof een voldoende witwasvermoeden funderen. Daar komt nog bij dat het hof ook in aanmerking heeft genomen dat de tot het bewijs gebezigde iMessage-berichten tussen [verdachte] en [betrokkene 2] een helder beeld geven van hun witwasmethoden en de gehanteerde tarieven.
3.7
Daaruit vloeit voort dat van de verdachte mocht worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat de geldbedragen niet van misdrijf afkomstig zijn. Nu het hof heeft overwogen dat hetgeen de verdachte ter zake van de facturen en de achtergrond van de ontvangen betalingen heeft verklaard ongeloofwaardig is en hij voor de overige betalingen door [E] aan [A] geen verklaring heeft gegeven, kon het hof op basis daarvan oordelen dat het niet anders kan zijn dat de door [E] aan [A] betaalde geldbedragen van misdrijf afkomstig zijn. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.8
De eerste deelklacht faalt.
3.9
Het middel bevat in de tweede plaats de klacht dat het hof ten aanzien van het geldbedrag van € 30.000,- ten behoeve van de betaling van advocaat [betrokkene 5] niets heeft vastgesteld omtrent de herkomst van dit geldbedrag.
3.1
Het hof heeft het witwasvermoeden ten aanzien van dit geldbedrag gestoeld op de Ennetcom-berichten tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , waarin zij informatie uitwisselen over “het storten van 15 kop naar advo kantoor” en de witwaskosten daarvan (“10 procent witwas kosten”, “zij moeten facturen maken etc. om het wit te maken”), de i-Message berichten tussen [betrokkene 2] en de verdachte waarin over de betaling aan [N] wordt gesproken (“die van advocaat is morgen betaald”), en het rekeningenoverzicht van [A] waaruit blijkt dat twee keer een bedrag van € 15.000,- aan [N] is overgemaakt en op dezelfde dag als van die betalingen bedragen van € 18.500,- en € 15.000,- op de rekening van [A] is overgemaakt. Dat deze feiten en omstandigheden naar het oordeel van het hof een witwasvermoeden opleveren, acht ik geenszins onbegrijpelijk.
3.11
Vervolgens heeft het hof overwogen dat de verdachte slechts heeft verklaard dat hij de bedragen naar [N] heeft overgemaakt omdat [betrokkene 2] hem vroeg of hij zijn advocaat kon betalen en dat een concrete verklaring over de herkomst van het geld waarmee [N] is betaald is uitgebleven. Het daaruit voortvloeiende oordeel van het hof dat het niet anders kan zijn dan dat het betreffende geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.12
De tweede deelklacht faalt.
3.13
Het middel faalt.

4.Het derde middel

4.1
Het derde middel bevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
4.2
Namens de verdachte is op 2 februari 2024 cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 22 oktober 2024 door de Hoge Raad ontvangen. Dat betekent dat de inzendtermijn van 8 maanden met minder dan een maand is overschreden. Het middel klaagt daarover terecht.
4.3
Hoewel bij een overschrijding van de redelijke termijn die minder dan één maand bedraagt kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, is dat in dit geval niet mogelijk. Daartoe merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, hetgeen tot vermindering van de door het hof opgelegde gevangenisstraf dient te leiden. [2]
4.4
Het middel slaagt.

5.Het vierde middel

5.1
Het vierde middel bevat de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk dan wel ontoereikend gemotiveerd is in het licht van hetgeen door de verdediging bij uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is aangevoerd.
5.2
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12, 15 en 19 december 2023 en 12 januari 2024 blijkt dat de raadsman van de verdachte op 19 december 2023 het woord heeft gevoerd aan de hand van op schrift gestelde en aan het hof toegezonden pleitaantekeningen. Deze pleitnotitie houdt onder meer het volgende in:
“Mocht uw Hof in weerwil van het voorgaande onverhoopt tot enige bewezenverklaring komen verzoek ik u [verdachte] geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen.
Er is in het licht van het voorgaande geen enkel redelijk strafdoel mee gediend om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, temeer niet gelet op
- de gedateerdheid van de feiten;
- Schendingen redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep;
- Het feit dat [verdachte] geen strafblad heeft ten aanzien van feiten voor en na de onderhavige feiten als tenlastegelegd;
- Het feit dat client sinds de onderhavige feiten vader is geworden van drie kleine, minderjarige kinderen en daarvoor in grote mate de zorgtaken op zich neemt, gelet op het onvermogen van zijn vrouw, de moeder van zijn kinderen, deze taken in serieuze mate op zich te nemen door haar medische toestand. Ik verwijs naar de ter terechtzitting overgelegde verklaringen.
En als uw Hof [verdachte] een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou opleggen, zal dat dan ook een straf zijn voor zijn gezin. Een gescheiden leven, bezoeken in een gevangenis en al het verdriet en praktische rompslomp die daarmee gepaard gaan, zijn op zich een zeer zware straf.”
5.3
Het hierboven genoemde proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
“Op vragen van het hof over zijn persoonlijke omstandigheden verklaart de [verdachte] :
Ik heb drie kinderen en wij wonen in een koopwoning in [plaats] . De woning in [plaats] hebben wij in 2017 verkocht. Mijn vrouw heeft de lerarenopleiding afgerond, maar werkt niet.
Mr. Nooitgedagt legt een brief van 18 maart 2022 met betrekking tot de gezondheid van de vrouw van de verdachte en een brief van 12 oktober 2023 aan het hof en de advocaat-generaal over. Deze stukken worden in het dossier gevoegd.
Op vragen van het hof over zijn persoonlijke omstandigheden verklaart de [verdachte] :
De aanvallen van mijn vrouw worden versterkt door angst, depressie en stress. Deze strafzaak bezorgt haar stress. Ze kan moeilijk of niet voor de kinderen zorgen, inkomen genereren, deelnemen aan het maatschappelijk verkeer, autorijden of koken. Ik probeer inkomen te genereren voor mijn gezin en de kinderen van en naar school te brengen. Ik ben depressief geworden en kreeg obesitas. Ik kreeg daarvoor medicatie. In 2002 heb ik een hartaanval gehad. Ik heb een baan waarvan ik kan rondkomen. Ik draai het kantoor van mijn vader voor hem, omdat mijn vader een hartaanval heeft gekregen. Wij hebben niet veel geld om te spenderen, maar wij hebben gelukkig niet zoveel schulden. Ik heb sinds mijn achttiende niet meer gedronken.
[…]
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting wordt mr. Nooitgedagt , advocaat van de [verdachte] in de gelegenheid gesteld het woord te voeren. […] Hij maakt de volgende aanvullende opmerkingen:
- […]
- pagina 22 bij strafmaat: zijn vrouw kan de kinderen niet naar school rijden en kan niet koken. Ze is eigenlijk bijna invalide. Mijn cliënt heeft de zorgtaken van het gezin op zich genomen. U straft dus ook het gezin als u een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou opleggen.”
5.4
Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:
“De rechtbank heeft de verdachte ten aanzien van het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft verzocht geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Daarbij is gewezen op de gedateerdheid van de feiten, de overschrijding van de redelijke termijn, zijn justitiële documentatie en tot slot de zorg die de verdachte, gezien het onvermogen en de medische toestand van zijn vrouw, heeft voor zijn drie minderjarige kinderen.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich gedurende tweeëneenhalf jaar schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van ruim € 440.000,-. Hij heeft daarnaast een valse arbeidsovereenkomst en brief aan het gerechtshof Amsterdam opgesteld, valse facturen voorhanden gehad en verhuld wie de rechthebbende van een woning was om de criminele herkomst van dat geld te verhullen. Het hof houdt er in strafverzwarende zin rekening mee dat de verdachte hiermee een onmisbare en belangrijke bijdrage heeft geleverd aan zware criminaliteit. Deze kan immers niet functioneren zonder het met misdrijven verworven vermogen in het legale betalingsverkeer te brengen. De verdachte heeft er, door opzettelijk handelen te ontkennen en naïviteit voor te wenden, geen blijk van gegeven in te zien dat zijn handelen het vertrouwen, dat in het financiële verkeer en geschriften met een bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld, ernstig heeft geschaad.
Het hof heeft bij de strafoplegging acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (de LOVS oriëntatiepunten) voor fraude.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 27 november 2023 is hij niet eerder veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Het hof is al met al van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere straf dan een gevangenisstraf, met dien verstande dat een gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk zal worden opgelegd, om de verdachte er van te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Het hof acht in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren passend en geboden.
Het hof houdt bij het opleggen van de straf rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Deze redelijke termijn is tijdens de procedure bij de rechtbank overschreden met circa één jaar en vier maanden en tijdens de procedure bij dit hof met vier maanden. De overschrijding wordt gecompenseerd doordat het hof twee maanden in mindering zal brengen op de op te leggen gevangenisstraf.
Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
[…]
Veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”
5.5
In zijn arrest van 5 juli 2022 heeft de Hoge Raad overwogen dat een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte, noch de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt oplevert. Daarvan kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. [3] De rechter moet dan op grond van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv, nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwegen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.
5.6
In de onderhavige zaak heeft de raadsman van de verdachte verzocht om geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen. Daarbij heeft de raadsman aangevoerd dat de feiten gedateerd zijn, dat de redelijke termijn is overschreden, dat de verdachte geen strafblad heeft en dat de verdachte in belangrijke mate de zorg voor zijn drie kinderen op zich neemt in verband met de medische toestand van zijn vrouw.
5.7
Hetgeen de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd komt neer op een opsomming van factoren die bij de strafoplegging een rol zouden moeten spelen en die er tezamen toe zouden moeten leiden dat geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf wordt opgelegd. Zo bezien is geen sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, waardoor het middel faalt.
5.8
Overigens zou een welwillende lezing, waarin hetgeen de raadsman heeft aangevoerd wordt opgevat als een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom het samenstel van de genoemde omstandigheden ertoe zou moet leiden dat het hof afziet van het opleggen van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf, niet tot een andere uitkomst leiden. Uit de strafmotivering blijkt dat het hof bij het bepalen van de straf acht geslagen heeft op het verzoek van de verdediging om geen (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf op te leggen en op de persoon van de verdachte. In de motivering van de strafoplegging heeft het hof in het bijzonder de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan betrokken, waarbij het hof onder meer in aanmerking heeft genomen dat de verdachte zich gedurende tweeëneenhalf jaar heeft schuldig gemaakt aan het gewoontewitwassen van ruim € 440.000, een valse arbeidsovereenkomst en een valse brief aan het gerechtshof Amsterdam heeft opgesteld en valse facturen voorhanden heeft gehad, met zijn handelen een onmisbare bijdrage heeft geleverd aan zware criminaliteit en geen blijk heeft gegeven in te zien dat zijn handelen het vertrouwen dat in het financiële verkeer en geschriften met een bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld, ernstig heeft geschaad. Daarmee heeft het hof inzichtelijk gemaakt waarom de door de verdediging aangevoerde gronden niet opwegen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf.
5.9
Het middel faalt.

6.Slotsom

6.1
Het derde middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. [4]
6.2
Afgezien van de overschrijding van de redelijke termijn die ik onder 4.3 heb aangekaart, heb ik geen gronden aangetroffen waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie Rb. Amsterdam 7 december 2018, ECLI:NL:RBAMS:2018:8713. Dit vonnis is door het hof in de onderhavige zaak als bewijsmiddel gebruikt.
2.Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.
3.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
4.In de schriftuur wordt opgemerkt dat toepassing van art. 81 RO Pro ten aanzien van het tweede middel niet verenigbaar is met de rechtspraak die volgt uit HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,