ECLI:NL:PHR:2026:659

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
24/03551
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.18.11 Regeling voertuigenArt. 71 lid 1 WVW 1994Art. 5.1.2 Regeling voertuigenArt. 10.1 Regeling voertuigenArt. 149 lid 1 WVW 1994
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over overschrijding maximale lengte LZV en bewijsvoering

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor het rijden met een te lang samenstel van voertuigen, bestaande uit een vrachtwagen en aanhangwagen, met een lengte van 25,48 meter terwijl het wettelijke maximum 18,75 meter bedraagt. De verdachte beschikte over een ontheffing die een maximale lengte van 25,25 meter toestond. De verdediging stelde dat slechts sprake was van een overschrijding van 23 centimeter ten opzichte van de ontheffing, terwijl het OM en het hof uitgingen van een overschrijding van 6,73 meter ten opzichte van het wettelijke maximum.

De Hoge Raad bevestigt dat bij overschrijding van de beperkingen in de ontheffing moet worden teruggevallen op het wettelijke maximum van 18,75 meter, omdat de ontheffing dan niet meer geldt. Dit volgt uit de wettelijke systematiek en de tekst van de ontheffing zelf. De verdediging kon niet aantonen dat de bewezenverklaring onjuist was, ook al werden in de bewijsmiddelen termen als 'vrachtauto' en 'LZV' gebruikt in plaats van de formele omschrijving van het samenstel.

Daarnaast werd geklaagd over het ontbreken van het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg, waardoor het hof niet mede zou hebben beraadslaagd over het onderzoek aldaar. De Hoge Raad oordeelt dat dit verzuim niet leidt tot nietigheid omdat de verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad. De eerdere vrijspraak in eerste aanleg en de pleidooien in hoger beroep zijn voldoende bekend bij het hof.

De conclusie van de procureur-generaal is dat beide middelen falen en het cassatieberoep moet worden verworpen. De zaak betreft een overtreding van artikel 5.18.11 lid 2 onder a van de Regeling voertuigen, met een geldboete van € 500,- of tien dagen hechtenis als subsidiaire straf.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het rijden met een te lang samenstel van voertuigen blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03551
Zitting30 juni 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft, na een integrale vrijspraak in eerste aanleg, bij arrest van 17 september 2024 (parketnummer 21-001362-23) de verdachte voor het rijden met een te lang samenstel van voertuigen (bestaande uit – kort gezegd – een vrachtwagen en een aanhangwagen), [1] veroordeeld tot een geldboete van € 500,00, subsidiair tien dagen hechtenis.
1.2
Het cassatieberoep is op 20 september 2024 ingesteld namens de verdachte. P. van Dongen, advocaat in Amsterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel is gericht tegen de bewezenverklaring. Het tweede, bij aanvullende schriftuur ingediende, middel behelst de klacht dat het hof ten onrechte niet mede heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
1.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

2.De bewijsconstructie en de verwerping van het verweer

2.1
Ten laste van de verdachte is door het hof bewezen verklaard dat:
“hij, op 20 oktober 2020 te [plaats] ,
als bestuurder van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel (niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger)
heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg,
de Rijksweg ( […] ), terwijl dat voertuig (de lading daarbij niet inbegrepen) de maximumlengte van 18,75 meter heeft overschreden, immers bedroeg de gemeten lengte van het voertuig 25,48 meter.”
2.2
De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“1. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van overtreding van 1 december 2020 (…) voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:”
Overtredingsgegevens:
Datum: 20 oktober 2020
Plaats: [plaats]
Locatie: Rijksweg ( […] )
Voertuig: Vrachtauto
Merk/type: Scania, R580
Kenteken: [kenteken] .
Wij verbalisanten zagen dat een voertuig, zijnde een LZV [2] werd gereden over de voor het openbaar verkeer openstaande weg […]
(het hof begrijpt: […] ). Wij zagen dat dit voertuig vermoedelijk te lang was. Wij hebben de lengte van het voertuig gemeten. Wij zagen dat de totale lengte 25,50 meter bedroeg. Na correctie blijkt 25,48 meter. Wij zagen dat het voertuig 6,73 meter te lang was. Voertuig was in het bezit van ontheffing LZV, ontheffingsnummer […] geldig tot 2 januari 2021, voor een toegestane lengte tot 25,25 meter.
Verdachte werd staande gehouden en verstrekte mij desgevraagd de volgende personalia:
Achternaam: [verdachte]
Voornamen: [verdachte]
Geboren: [geboortedatum] 1987
Geboortegemeente: [geboorteplaats]
Adres: [a-straat 1]
Postcode en Woonplaats: [postcode] [plaats] .
2. Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 van het Wetboek van Strafvordering, te weten een Ontheffing LZV (…), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Geldigheid: vanaf 3 januari 2020 tot en met 2 januari 2021.
Trekkend motorrijtuig: [kenteken] .
Afmeting: maximale lengte: 25,25 m.
Indien niet wordt voldaan aan de beperkingen in de ontheffing wordt geacht zonder ontheffing te worden gereden.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2024 heeft de raadsman van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig de ter zitting overgelegde pleitnota. In de pleitnota is (met weglating van een voetnoot) het volgende opgenomen:
“(…)
4. Waar de discussie tussen het OM en de verdediging om draait, is dat volgens de verdediging
sprake is van een overschrijding van in totaal 23 centimeter, terwijl het OM uitgaat van een
overschrijding van 6,73 meter. Dat heeft te maken met de uitleg van de bewuste bepaling in
de LZV-ontheffing.
5. In de voorbereiding van deze zaak heeft u mogelijk gezocht in de wetsgeschiedenis en naar jurisprudentie om deze bepaling te duiden. Er is omtrent de uitleg van dergelijke bepalingen in LZV-ontheffingen bijna geen jurisprudentie. Op één standaardarrest van 13 jaar geleden na. Dat is het arrest van uw hof van 5 april 2011. Naar dat arrest verwees ik ook in eerste aanleg. Sinds de behandeling van deze zaak in eerste aanleg is er – als ik het goed heb gezien – op dit punt geen verandering in wetgeving geweest of nieuwe jurisprudentie gevormd. Dit arrest is in dit kader nog steeds het enige handvat.
6. In dit arrest ging het niet over het overschrijden van de maximum toegestane
lengtevan een LZV voertuigcombinatie, maar over de
massa. Voor de onderhavige zaak is dat niet van belang, omdat de overwegingen over de ontheffing LZV in dat arrest wel 1-op-1 op de onderhavige zaak van toepassing zijn.
7. In die zaak reed de verdachte in zijn vrachtauto met oplegger over de Rijksweg […] . De totale massa van zijn vrachtauto bedroeg 71.600 kilogram. Op grond van artikel 5.18.18 van het Voertuigreglement mag de maximum toegestane massa niet meer bedragen dan 50.000 kilogram. Verdachte had dit maximum aldus overschreden met 21.600 kilogram. Verdachte beschikte echter over een LZV-ontheffing op grond waarvan hij een totale massa van 60.000 kilogram mocht hebben, hetgeen betekent dat sprake was van een overschrijding van niet 21.600 kilogram, doch van 11.600 kilogram. Het hof overwoog:
“In de LZV-ontheffing van verdachte staat vermeld dat indien niet wordt voldaan aan de in de ontheffing genoemde bepalingen of de in de bijlage(n) opgenomen beperkingen niet in acht worden genomen, heeft te gelden dat moet worden aangenomen dat zonder ontheffing wordt gereden.
Het openbaar ministerie heeft voornoemde zin zo uitgelegd dat bij overschrijding van de massa van 60.000 kilogram niet is voldaan aan de voorwaarden die aan de ontheffing zijn gesteld en de ontheffing verder geen rol meer speelt, zodat weer uitgegaan moet worden van een maximaal toegestane massa van 50.000 kilogram.
Het hof is – anders dan het openbaar ministerie – van oordeel dat een redelijke uitleg van genoemde zin uit de LZV-ontheffing inhoudt dat wanneer de massa van het betreffende voertuig de 60.000 kilogram overschrijdt een strafbaar feit wordt gepleegd en dat een dergelijke overschrijding niet tot gevolg heeft dat de maximaal toegestane massa weer ‘terugvalt’ naar 50.000 kilogram. Dit laatste is echter wel waar de tenlastelegging van is uitgegaan.
De tenlastelegging gaat immers uit van de situatie dat de massa van het samenstel van voertuigen maximaal 50.000 kilogram mocht bedragen, welke met 21.600 kilogram was overschreden. In het onderhavige geval was echter sprake van een vrachtauto met oplegger die een massa van 60.000 kilogram mocht hebben, welke met 11.600 kilogram was overschreden. Hierop ziet de tenlastelegging niet en dat staat aan een bewezenverklaring in de weg.”
8. Het hof spreekt de verdachte aldus van het tenlastegelegde feit vrij.
9. In de appelschriftuur van het OM wordt erop gewezen dat een beperking een andere status heeft dan een voorschrift. Dat zou meebrengen dat het boetebedrag voor beperkingen en voorschriften verschilt, maar dit voorbeeldarrest maakt dat onderscheid niet. Sterker nog, de bewuste bepaling in dit voorbeeldarrest (over beperkingen die niet in acht worden genomen) is gelijkluidend aan de bepaling in de onderhavige zaak. Dat maakt dat de overwegingen van uw hof in die zaak ook op de onderhavige zaak kunnen worden toegepast. Die overwegingen komen er op neer dat een straf moet passen bij de mate van overschrijding, dat licht uw hof toe. Een zeer beperkte overschrijding van 23 centimeter (dat is eerder een foutje dan een bewuste overschrijding waardoor heel veel financieel zou worden behaald) moet daarom niet hetzelfde worden bestraft als een overschrijding van bijna 7 meter, zoals het OM wil. Als de maximale lengte wordt overschreden, staat daarop een boete, maar die moet wel passen bij de mate van overschrijding.
10. Het OM schrijft in de appelschriftuur voorts dat het genoemde arrest van 2011 geen standaardlijn is. Wat is het dan wel? Er is geen wetgeving met een nadere toelichting en sinds 2011 zijn er verder geen arresten bijgekomen die dit arrest tegenspreken of een andere weg inslaan. Het is sinds jaar en dag het arrest en de standaardlijn voor alle strafzaken. Het wordt in de literatuur aangehaald en al mijn transporteurcliënten wezen mij op dit arrest.
11. Als deze overwegingen op de onderhavige zaak worden betrokken, is de maximale voertuiglengte van 25,25 meter in de ontheffing overschreden, maar heeft dit niet tot gevolg dat de maximale lengte weer ‘terugvalt’ naar 18,75 meter. Dat is wel waar de tenlastelegging in onderhavige zaak op ziet en dat staat aan een bewezenverklaring in de weg.
12. Uit het voorgaande volgt dat ik u moet verzoeken mijn cliënt van het ten laste gelegde vrij te spreken.
(…)”
2.4
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2024 heeft de raadsman van de verdachte, in aanvulling op wat in de pleitnota is vermeld en voor zover relevant voor de bespreking van het middel, het volgende naar voren gebracht:
“Het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 5 april 2011 is de vaste lijn. Deze zaak is identiek aan onderhavige zaak.”
2.5
Het hof heeft ten aanzien van het bewijs en het door de verdediging gevoerde verweer het volgende overwogen:
“Verdachte heeft de toegestane maximumlengte van zijn voertuig overschreden. De wet schrijft voor dat deze maximale toegestane lengte 18,75 meter bedraagt. Het moge zo zijn dat verdachte op deze bepaling een ontheffing heeft, waarbij de toegestane lengte is beperkt tot een maximale toegestane lengte van 25,48 meter
[A-G: ik begrijp: 25,25 meter], maar daarvoor geldt dat bij overschrijding van deze maximale lengte hij wordt geacht te hebben gereden zonder de ontheffing. Het hof is aldus met de advocaatgeneraal van oordeel dat bij overtreding van een beperking op de ontheffing de overtreding
[moet]worden beoordeeld aan de maatstaf dat de overtreder heeft gehandeld alsof de ontheffing niet is verleend. Het hof is van oordeel dat de door de raadsman aangehaalde uitspraak van dit hof van 5 april 2011 in die zin niet juist is. Zo volgt immers niet uit het systeem van de wet en zo staat het ook
[niet]in de ontheffing zelf omschreven. Dat de tenlastelegging de toegestane maximumlengte overeenkomstig de wettekst hanteert (en niet die van de ontheffing) is dus juist.”

3.Het eerste middel

3.1
In het middel wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof “dat in onderhavige zaak sprake is van een overtreding van een beperking op de ontheffing en de overtreding om die reden wordt beoordeeld aan de maatstaf dat de overtreder heeft gehandeld zonder ontheffing en verdachte aldus de maximumlengte van 18,75 meter heeft overschreden”. Gesteld wordt dat dit oordeel onjuist en/of onbegrijpelijk is, “zodat het hof ten onrechte is overgegaan tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde”. Daarnaast wordt gesteld dat “uit de bewijsmiddelen niet (blijkt) dat verdachte een "samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel (niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger" heeft bestuurd”. Volgens de toelichting op dit onderdeel van het middel wordt in de bewijsmiddelen “immers (slechts) gesproken over een "vrachtauto", een "voertuig" of een "LZV", zodat de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen volgt”.
Juridisch kader
3.2
Voor een goed begrip van het middel en de beoordeling daarvan is de volgende regelgeving van belang.
- Art. 71 lid 1 WVW Pro 1994:
“1. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld omtrent:
a. de eisen waaraan voertuigen moeten voldoen waarmee over de weg wordt gereden, waarbij onderscheid kan worden gemaakt tussen verschillende wegen;”
- Art. 5.1.2 Regeling voertuigen:
“Het is de bestuurder van een voertuig of een samenstel van voertuigen verboden daarmee te rijden en de eigenaar of houder verboden daarmee te laten rijden, indien niet wordt voldaan aan de in afdeling 18 van dit hoofdstuk ten aanzien van het gebruik van voertuigen of samenstellen van voertuigen van de categorie of categorieën, waartoe die voertuigen behoren, gestelde eisen.”
- Art. 5.18.11 lid 2 onder a Regeling voertuigen:
“2. Van een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger, mag:
a. de lengte niet meer bedragen dan 18,75 m;”
- Art. 10.1 Regeling voertuigen:
“Overtreding van de artikelen (…), 5.1.2, en (…) is een strafbaar feit.”
- Art. 149 lid 1 WVW Pro 1994:
“1. Van het bepaalde krachtens deze wet kan in de krachtens deze wet aangewezen gevallen overeenkomstig krachtens deze wet vastgestelde regels ontheffing worden verleend:
a. voor wegen onder beheer van het Rijk door Onze Minister;”
- Art. 149a lid 2 WVW 1994:
“2. In afwijking van artikel 149, eerste lid, kan uitsluitend door de Dienst Wegverkeer ontheffing worden verleend of geweigerd van het bepaalde krachtens (…) artikel 71, in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen overeenkomstig bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels.”
- Art. 150 WVW Pro 1994:
“1. Een vergunning, een vrijstelling en een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een vergunning, een vrijstelling en een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden.
2. Het is verboden te handelen in strijd met de aan een vergunning, een vrijstelling en een ontheffing verbonden voorschriften.”
- Art. 177 lid 2 onder Pro d WVW 1994:
“2. Overtreding van:
(…)
d. het bepaalde krachtens deze wet, voor zover die overtreding uitdrukkelijk als strafbaar feit is aangemerkt,
wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de tweede categorie.”
- Art. 178 lid 2 WVW Pro 1994:
“2. De in artikel 177 strafbaar Pro gestelde feiten zijn overtredingen.”
3.3
Uit deze regelgeving volgt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de lengte van “een samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met een stijve dissel, niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger”, niet meer dan 18,75 meter mag bedragen (art. 5.18.11 lid 2, aanhef en onder a, Regeling voertuigen). Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken op grond van een door de Dienst Wegverkeer verleende ontheffing (art. 149a lid 2 WVW 1994). Daarin is opgenomen tot welke afwijkende maximumlengte de ontheffing is beperkt. Het besturen van, kort gezegd, een ‘te lang’ voertuig is een strafbaar feit (art. 177 lid Pro 2, aanhef en onder d, WVW 1994 in samenhang met art. 10.1 jo art. 5.1.2 jo art. 5.18.11 lid 2 Regeling voertuigen).
3.4
In de onderhavige zaak staat niet ter discussie dat de verdachte op 20 oktober 2020 over de […] heeft gereden in een samenstel van een bedrijfsauto met een aanhangwagen, met een totale lengte van 25,48 meter. Evenmin staat ter discussie dat deze (vrachtwagen)combinatie ‘te lang’ was omdat door de Dienst Wegverkeer aan het trekkend voertuig een ontheffing was verleend op basis waarvan een combinatie was toegestaan tot een maximale lengte van 25,25 meter. Ter discussie staat wel de vraag of dit juridisch moet worden vertaald als een overschrijding van 23 centimeter (namelijk ten opzichte van de op grond van de ontheffing toegestane maximale lengte van 25,25 meter) of als een overschrijding van 6,73 meter (namelijk ten opzichte van het wettelijk uitgangspunt van maximaal 18,75 meter). De verdediging en de steller van het middel gaan uit van het eerste, het OM en het hof gaan – gelet op de tekst van de tenlastelegging en de bewezenverklaring – uit van het tweede. In de eerste benadering ligt het accent op het niet naleven van de ontheffing en in de tweede benadering op het niet naleven van art. 5.18.11 lid 2 onder a Regeling voertuigen.
3.5
Het hof heeft voor zijn benadering verwezen naar het systeem van de wet en de tekst van de aan het trekkend voertuig gekoppelde ‘Ontheffing LZV’. Een blik over de papieren muur leert dat bij die ontheffing bijlagen zijn opgenomen die onderdeel uitmaken van de ontheffing. Eén van die bijlagen is de bijlage ‘Beperkingen LZV’. Daarin is onder punt 3 van artikel A onder meer opgenomen: “Een LZV heeft een totale lengte van ten hoogste 25,25 m. met inbegrip van de lading (…).” Het kopje van deze bijlage (‘Beperkingen LZV’) laat er geen twijfel over bestaan dat de hierin genoemde maximale lengte van 25,25 meter heeft te gelden als een ‘beperking’ in de zin van art. 150 lid Pro 1, eerste volzin, WVW 1994. Dat past bij een wettelijke systematiek waarin enerzijds is voorzien in de mogelijkheid ontheffing te verlenen van een algemeen geldend voorschrift (in het onderhavige geval het voorschrift dat bepaalde vrachtwagencombinaties niet langer mogen zijn dan 18,75 meter) en anderzijds is voorzien in de mogelijkheid om die ontheffing te beperken (in het onderhavige geval tot een lengte van 25,25 meter). Dat deze maximale lengte niet alleen in de bijlage ‘Beperkingen LZV’ is vermeld maar ook in de ‘Ontheffing LZV’ zelf (onder ‘Afmetingen’, ‘max lengte (m)’) doet aan deze wettelijke systematiek niet af. Dat betekent dat ik de steller van het middel niet volg voor zover zij – als ik haar goed begrijp – aan deze (in mijn woorden) ‘dubbele vermelding’ de conclusie verbindt dat “de in de bijlagen genoemde beperkingen (…) geen beperkingen (zijn) op de maximumlengte”.
3.6
In de ontheffing is bepaald dat in de situatie waarin “niet wordt voldaan aan de beperkingen in de ontheffing wordt geacht zonder ontheffing te worden gereden” (zie het slot van bewijsmiddel 2, opgenomen onder randnr. 2.2). Die formulering kan niet anders worden begrepen dan dat als de in een bijlage bij de ontheffing als beperking gepresenteerde maximale lengte van de combinatie wordt overschreden, móet worden teruggevallen op de hoofdregel van art. 5.18.11 lid 2, aanhef en onder a, Regeling vervoer, te weten het wettelijk uitgangspunt van een maximale lengte van 18,75 meter. De ontheffing heeft in zoverre geen betekenis meer. Dat klinkt hard. De officier van justitie heeft in de appelschriftuur die is ingediend naar aanleiding van het vrijsprekend vonnis van de kantonrechter uiteengezet dat dit terugvallen op de normale regels noodzakelijk is voor de regulering binnen de transportsector, “omdat anders een financiële prikkel kan bestaan waardoor vervoerders gaan afwegen om een voertuig net wat zwaarder of langer dan de ontheffing te laten zijn.” Wanneer bij overschrijding van de toegestane lengte zou worden gerekend met de ‘vergunde’ maximale lengte, dan zijn de boetes lager en is het financieel voordeel groter. Overigens is hiermee niet gezegd dat de tot een bepaalde lengte beperkte ontheffing bij elke overschrijding betekenisloos is. Wanneer aannemelijk wordt geacht dat er eerder sprake is van een meetfout dan van een opzettelijke overtreding, dan staat het de rechter vrij om in het kader van de straftoemeting rekening te houden met de ‘vergunde’ lengte. Zo is het (uiteindelijk) ook in het onderhavige geval gegaan. Waar de officier van justitie de zaak aanvankelijk afdeed met een OM-strafbeschikking van € 1.400,- vorderde zij op de zitting van de kantonrechter voor overtreding van art. 5.8.11 lid 2, aanhef en onder a, Regeling voertuigen, het (zonder ontheffing) rijden met een te lang samenstel, een geldboete van € 500,00. Nadat de kantonrechter de verdachte had vrijgesproken omdat in de tenlastelegging ten onrechte zou zijn uitgegaan van een overschrijding van het wettelijk maximum in plaats van het in de ontheffing genoemde langere maximum, vorderde de advocaat-generaal in hoger beroep dezelfde € 500,-. Dat is ook de geldboete die het hof in hoger beroep oplegde.
3.7
In het middel wordt terecht vastgesteld dat de lijn van de enkelvoudige kamer van het Arnhemse hof afwijkt van de lijn die de meervoudige kamer van dit hof 13,5 jaar eerder, in zijn arrest van 5 april 2011, ECLI:NL:GHARN:2011:BT6158, in een vergelijkbare casus heeft uitgezet. Dat moge zo zijn, maar het is uiteraard niet zo dat het een andere kamer van hetzelfde hof, of mijn part welk ander gerecht, niet vrij zou staan om zoveel jaar later anders te oordelen. Dat geldt te meer omdat vanuit wetsystematisch en grammaticaal oogpunt veel voor een andere lijn is te zeggen en de Hoge Raad zich over deze kwestie, voor zover mij althans bekend, niet eerder heeft uitgesproken.
3.8
Resumerend heeft het hof in zijn nadere bewijsoverweging c.q. bij de verwerping van het door de verdediging gevoerde verweer – onder verwijzing naar de tekst van de wet, de tekst van de ontheffing, alsook het systeem van de wet – geoordeeld dat bij overtreding van een beperking op de ontheffing de overtreding dient te worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf dat de overtreder heeft gehandeld alsof de ontheffing niet is verleend. Dat volgt ook uit de bewijsmiddelen. Daarbij heeft het hof tevens voor het voetlicht gebracht waarom het de in de door de verdediging aangehaalde uitspraak gehanteerde uitleg niet volgt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd.
3.9
Aan het voorgaande doet niet af dat in de bewijsmiddelen termen als ‘vrachtauto’, ‘voertuig’ en ‘LZV’ worden gebezigd in plaats van het bewezen verklaarde “samenstel van bedrijfsauto en autonome aanhangwagen, middenasaanhangwagen of aanhangwagen met stijve dissel (niet zijnde een samenstel van opleggertrekker en oplegger)”. In het bewijsmiddelenoverzicht zijn (slechts) zakelijke weergaven opgenomen van het procesverbaal van overtreding en de ‘Ontheffing LZV’. Een blik over de papier muur leert dat de ‘Ontheffing LZV’ van toepassing is op het motorrijtuig met het [kenteken] en met chassisnummer […] . Het voertuig met dat kenteken en dat chassisnummer is, zo blijkt uit het procesverbaal van overtreding en de daarbij gevoegde RDW-bevraging, een “bedrijfsauto, N3”. Verbalisanten constateerden verder dat er, met een concrete verwijzing naar “artikel 5.18.11 RV” is gereden met een “samenstel van (motor)voertuigen” en dat de lengte is gemeten van “de bedrijfsauto met aanhangwagen”. Tegen deze achtergrond kan ook de klacht dat, vanwege de gebezigde terminologie, de bewezenverklaring niet uit de bewijsmiddelen volgt, niet tot cassatie leiden.
3.1
Het middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel behelst de klacht dat het hof, als gevolg van de afwezigheid van een proces-verbaal van de
[A-G: tweede]terechtzitting bij de kantonrechter in eerste aanleg, niet mede heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg. Volgens de steller van het middel heeft het hof daardoor geen kennis kunnen nemen van de redenen waarom de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken. Daarmee zijn de belangen van de verdachte geschaad, aldus de steller van het middel.
4.2
Blijkens de toelichting op het middel zou het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg, zoals dat zou blijken uit een alsnog op te maken proces-verbaal, op enigerlei wijze kunnen leiden tot andere oordelen dan die in het bestreden arrest zijn vervat.
4.3
Uit het dossier blijkt dat de onderhavige zaak in eerste aanleg op 30 juni 2022 op een zitting van de kantonrechter in de rechtbank Gelderland is behandeld. Van die zitting is een procesverbaal opgemaakt. Uit dat proces-verbaal blijkt dat op die zitting de officier van justitie heeft gerequireerd en de verdediging heeft gepleit en dat de kantonrechter daarna de zaak heeft aangehouden “zodat het Openbaar Ministerie de volledige ontheffing kan toevoegen aan het procesdossier en hier kennis van kan nemen”. De kantonrechter heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst en bepaald dat de verdachte zal worden opgeroepen om te verschijnen op de zitting van 7 november 2022 om 14.00 uur.
4.4
Blijkens de aantekening mondeling vonnis d.d. 7 november 2022 is de verdachte ook op die zitting niet verschenen “(art. 279 Sv Pro)”. De kantonrechter heeft mondeling uitspraak gedaan, de eerder uitgevaardigde strafbeschikking vernietigd en de verdachte vrijgesproken. Navraag bij het Hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, leert dat “van deze zitting (…) door de kantonrechter kennelijk geen proces-verbaal (werd) opgemaakt. In het dossier van het hof bevond zich ten tijde van de inhoudelijke behandeling geen procesverbaal van de terechtzitting van de kantonrechter van 7 november 2022.”
4.5
Art. 422 lid 2 Sv Pro luidt als volgt:
“2. Indien de uitreiking van de dagvaarding of oproeping in hoger beroep geldig is en het hoger beroep overeenkomstig de eisen van dit wetboek is ingesteld, geschiedt de beraadslaging in hoger beroep, bedoeld in de artikelen 348 en 350, naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep. De beraadslaging geschiedt voorts naar aanleiding van het onderzoek in eerste aanleg, zoals dit volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad, tenzij artikel 378a of artikel 395a in eerste aanleg is toegepast.”
4.6
In het onderhavige geval doet zich niet de situatie voor waarin de kantonrechter heeft kunnen volstaan met een zogenoemd stempelvonnis (art. 395a Sv). Tegen zijn vonnis is immers tijdig hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat de uitzondering uit de laatste volzin van art. 422 lid 2 Sv Pro niet van toepassing is. Doordat in het dossier van het hof het proces-verbaal van de zitting van 7 november 2022 ontbrak, moet het er voor worden gehouden dat het hof, anders dan de wet voorschrijft, niet (mede) heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg, zoals het volgens het proces-verbaal van die terechtzitting heeft plaatsgehad. In zoverre heeft de steller van het middel een punt. Tot cassatie hoeft dit echter niet te leiden.
4.7
Niet naleving van het uit art. 422 lid 2 Sv Pro voortvloeiende voorschrift is in de wet niet uitdrukkelijk met nietigheid bedreigd en uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat zodanige nietigheid evenmin voortvloeit uit de aard van dat voorschrift. Het niet naleven van het voorschrift leidt eerst dan tot nietigheid indien de verdachte door het verzuim in enig belang is geschaad. [3]
4.8
De steller van het middel betoogt dat de verdachte belang heeft bij vernietiging en terugwijzing, omdat het hof, na het alsnog opmaken van een proces-verbaal, kennis kan nemen van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg – in het bijzonder van de redenen die ten grondslag lagen aan de vrijspraak – en op grond daarvan tot andere beslissingen kan komen. Wat mij betreft dient hierbij in ogenschouw te worden genomen dat:
i. blijkens het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 30 juni 2022, de zaak op die zitting (A-G: slechts) is aangehouden “zodat het Openbaar Ministerie de volledige ontheffing kan toevoegen aan het procesdossier en hier kennis van kan nemen”;
ii. blijkens de schriftuur in hoger beroep van het Openbaar Ministerie op de zittingen op 30 juni 2022 en 7 november 2022 door de verdediging “met een verwijzing naar ECLI:NL:GHARN:2011:BT6158 (is) beargumenteerd dat in de tenlastelegging niet mocht worden teruggevallen op de maximaal toegestane lengte van 18,75 meter”, dat de rechter “deze redenering (heeft) gevolgd” en “de maximale toegestane lengte uit de tenlastelegging (heeft) gestreept. Vervolgens achtte zij de tenlastelegging onvoldoende om tot een veroordeling te komen";
iii. blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 17 september 2024 de raadsman van de verdachte heeft gepleit overeenkomstig de aan het hof overgelegde pleitnota, waarin is opgenomen dat “cliënt (…) in eerste aanleg (werd) vrijgesproken” en het standpunt van de raadsman in hoger beroep “hetzelfde is als in eerste aanleg”;
iv. blijkens datzelfde proces-verbaal de raadsman van de verdachte de afwezigheid van het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg van 7 november 2022 niet aan de orde heeft gesteld.
Tegen deze achtergrond, en het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, zie ik niet in dat de verdachte door het ten onrechte niet opgemaakte proces-verbaal van de terechtzitting van 7 november 2022 in enig belang is geschaad.
4.9
Nu niet is gebleken dat de verdachte door het geconstateerde verzuim in enig belang is geschaad, is het middel tevergeefs voorgesteld.

5.Slotsom

5.1
Beide middelen falen. Omdat de verdachte door de rechtbank integraal is vrijgesproken en in cassatie tevergeefs is geklaagd over de bewijsvoering en de bewezenverklaring van het betreffende feit, ligt wat betreft het eerste middel een afdoening met een op art. 81 lid 1 RO Pro gebaseerde overweging niet in de rede. [4] Dat geldt wel voor het tweede middel.
5.2
Indien de Hoge Raad uitspraak doet na 20 september 2026 is in cassatie de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. Die overschrijding kan tot strafvermindering leiden.
5.3
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De formele kwalificatie luidt: “overtreding van het bepaalde bij artikel 5.18.11 lid 2 aanhef en onder a van de Regeling voertuigen.”
2.Opmerking A-G: Met deze afkorting wordt gedoeld op exceptionele wegtransporten. De letters staan voor Langere Zwaardere Vrachtwagencombinaties en ook wel voor Lang Zwaar Vervoer.
3.HR 5 december 2006, ECLI:NL:HR:AY9214,
4.Vgl. HR 24 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:40,