ECLI:NL:PHR:2026:660
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en terugwijzing wegens niet-zending dagvaarding aan opgegeven adres verdachte
De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hij niet was verschenen, terwijl zijn raadsman niet gemachtigd was de verdediging te voeren. Het hof oordeelde dat de dagvaarding correct was betekend, onder meer omdat deze was verzonden naar een buitenlands adres en een ander adres in Nederland dat volgens het hof door de verdachte was opgegeven.
De verdachte had bij het eerste politieverhoor een adres in Nederland opgegeven, namelijk een adres aan de [b-straat 2] in [plaats]. Hoewel de verhorende ambtenaren twijfels hadden over de juistheid van dit adres, heeft de verdachte dit niet ondubbelzinnig ingetrokken. Uit de stukken bleek echter dat de dagvaarding niet was verzonden naar dit opgegeven adres, maar naar een ander adres aan de [b-straat 1] in [plaats].
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de dagvaarding aan het opgegeven adres was verzonden. Volgens artikel 36g lid 1 Sv moet een afschrift van de dagvaarding worden verzonden aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres in Nederland. Het niet verzenden van de dagvaarding aan dit adres betekent dat de verdachte onterecht niet-ontvankelijk is verklaard.
De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug wegens het niet verzenden van de dagvaarding aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres.