ECLI:NL:PHR:2026:660

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
28 juni 2026
Zaaknummer
25/01002
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36g SvArt. 36n SvArt. 416 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens niet-zending dagvaarding aan opgegeven adres verdachte

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep omdat hij niet was verschenen, terwijl zijn raadsman niet gemachtigd was de verdediging te voeren. Het hof oordeelde dat de dagvaarding correct was betekend, onder meer omdat deze was verzonden naar een buitenlands adres en een ander adres in Nederland dat volgens het hof door de verdachte was opgegeven.

De verdachte had bij het eerste politieverhoor een adres in Nederland opgegeven, namelijk een adres aan de [b-straat 2] in [plaats]. Hoewel de verhorende ambtenaren twijfels hadden over de juistheid van dit adres, heeft de verdachte dit niet ondubbelzinnig ingetrokken. Uit de stukken bleek echter dat de dagvaarding niet was verzonden naar dit opgegeven adres, maar naar een ander adres aan de [b-straat 1] in [plaats].

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad concludeerde dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat de dagvaarding aan het opgegeven adres was verzonden. Volgens artikel 36g lid 1 Sv moet een afschrift van de dagvaarding worden verzonden aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres in Nederland. Het niet verzenden van de dagvaarding aan dit adres betekent dat de verdachte onterecht niet-ontvankelijk is verklaard.

De Hoge Raad vernietigt daarom het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Den Haag voor een nieuwe behandeling en beslissing. Er zijn geen andere gronden voor vernietiging gevonden.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug wegens het niet verzenden van de dagvaarding aan het bij het eerste verhoor opgegeven adres.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01002
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22-003937-23) heeft bij arrest van 12 maart 2025 de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en A.M.V. Bandhoe, advocaat in Zoetermeer, heeft één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof de verdachte ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn beroep. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat is verzuimd een afschrift van de appeldagvaarding te verzenden naar het bij het eerste politieverhoor opgegeven adres van de verdachte, waardoor de verdachte ten onrechte geen gebruik heeft kunnen maken van zijn aanwezigheidsrecht.
2.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 12 maart 2025 vermeldt dat de verdachte niet is verschenen. Zijn raadsman A.M.V. Bandhoe was wel aanwezig, maar niet gemachtigd om de verdediging te voeren. Verder houdt het proces-verbaal, voor zover van belang, in:
“De advocaat-generaal wordt in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen ten aanzien van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep. Zij neemt het standpunt in dat er sprake is van een correcte betekening en dat om die reden verstekverlening zou dienen plaats te vinden.
De voorzitter deelt mede:
Het hof deelt dit standpunt. De dagvaarding is tijdig verzonden naar het buitenlandse adres van de verdachte dat in de SKDB staat geregistreerd. Daarnaast is een afschrift verzonden naar het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven. Ook is er een vertaling van de dagvaarding verstuurd naar het buitenlandse adres en het afschriftadres. De verdachte is dus op de in de wet voorgeschreven wijze gedagvaard. Er kan verstek worden verleend en dat doet het hof bij dezen dan ook.
(…)
De voorzitter sluit het onderzoek. Bij monde van de voorzitter doet het hof terstond uitspraak:
Er zijn geen grieven ingediend, noch schriftelijk noch op zitting. Het hof ziet ambtshalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom wordt de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet- ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.”
2.3
De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in:
(i) een dagvaarding van verdachte in hoger beroep om op 12 maart 2025 te 09:00 uur te verschijnen voor het gerechtshof Den Haag ;
(ii) een akte van uitreiking met als geadresseerde de verdachte, waarop bij ‘zitting’ staat vermeld ’12 maart 2025’. Op de akte staat als adres vermeld [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] (Polen)’. Er staat een kruisje bij “De geadresseerde stond in de BRP ingeschreven op het bovenvermelde adres op de dag van de eerste aanbieding en 5 dagen daarna”). Deze akte van uitreiking houdt verder in dat de gerechtelijke brief op 16 januari 2025 om 13:21 uur in [plaats] door een medewerker van het openbaar ministerie is verzonden naar het op de akte vermelde adres in het buitenland;
(iii) een akte van uitreiking met als geadresseerde de verdachte, waarop bij ‘zitting’ staat vermeld ’12 maart 2025’. Deze akte vermeldt als adres [b-straat 1] [postcode] [plaats] . Er staat een kruisje bij “De geadresseerde stond in de BRP ingeschreven op het bovenvermelde adres op de dag van de eerste aanbieding en 5 dagen daarna”. De akte van uitreiking houdt verder in dat op 30 januari 2025 om 16:48 in [plaats] door een medewerker van het openbaar ministerie een afschrift is verzonden naar het op deze akte vermelde adres;
(iv) een akte van uitreiking niet in persoon waarin als adres is vermeld [b-straat 1] en waaruit volgt dat op 20 januari 2025 om 11:23 uur is getracht om dagvaarding van de verdachte in hoger beroep uit te reiken en waarbij een kruisje is gezet bij “Het is onduidelijk of het vermelde adres bestaat”;
(v) een informatiestaat SKDB-persoon waaruit blijkt dat de verdachte staat ingeschreven als niet-ingezetene en dat hij sinds 9 januari 2020 als huidig BRP-adres heeft [a-straat 1] [postcode 1] [plaats] in Polen. Als laatst opgegeven adres staat geregistreerd de [b-straat 1] in [plaats] met als registratiedatum 2 november 2024;
(vi) een proces-verbaal van verhoor verdachte van 20 december 2023 door de politie ’sGravenhage dat voor zover van belang inhoudt:
“V: Waar woont u?
A: Bij een kennis.
V: Op welk adres is dit?
A: Op de Jan Wapstraat.
V: Op welk huisnummer?
A: De straat heb ik jullie verteld en het huisnummer is [b-straat 2] , maar de postcode enzo. weet ik niet.
V: Hoe heet die kennis?
A: [betrokkene 1]
V: En zijn achternaam?
A: [betrokkene 1]
V: Staat die [betrokkene 1] daar ingeschreven op dat adres?
A: Dat weet ik niet meneer.
V: [b-straat 2] toch?
A: Je kan dat indrukken in de hal op de intercom en daar staat [b-straat 2] .
V: Kunt u mij die woning omschrijven, is dat een portiekflat, zit er een lift in, of is dat een eens-gezinswoning, zit er een winkel onder?
A: Je komt daar binnen aan de kant van de tuin, daar heb je dus die intercom, ik denk dat dit kamerhuur is, dan heb je een trap naar de verdiepingen.
V: Hoe kom je in die tuin dan?
A: Van de straat.
V: Heb je daar dan een sleutel van?
A: Nee, die kennis is daar altijd en woont daar sinds kort en die kennis zegt dat ik op de intercom moet drukken. Het is daar achter, er is een portiek.
V: En dat portiek, heeft dat een deur of is dat een open portiek?
A: Er is een deur en bij die deur heb je al een intercom.
V: Voordat je het portiek in gaat heb je al die intercom.
A: Ja, precies.
V: Dat klopt niet met de [b-straat 2] , dat is namelijk een open portiek.
A: Ik zei toch nummer is het nummer wat er staat op die intercom, het is het nummer van zijn kamer waarschijnlijk.
V: Hoe ziet dat gebouw er uit dan?
A: Het is gewoon een huis, zoals die daar allemaal staan, gewoon van die huizen, die stadshuizen.
V: Kortom, we kunnen u daar dan denk ik niet vinden, want ik heb nu niet duidelijk op welk adres u verblijft. Snapt u dat?
A: Ok, dat begrijp ik.”
2.4
Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen relevant:
- art. 36g Sv:
“1. In de volgende gevallen wordt een afschrift van de dagvaarding of oproeping van de verdachte om op de terechtzitting of nadere terechtzitting te verschijnen toegezonden aan het laatste door de verdachte opgegeven adres:
a. indien de verdachte bij zijn eerste verhoor in de desbetreffende strafzaak aan de verhorende ambtenaar een adres in Nederland heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden;
(…)
3. Verzending van een afschrift als bedoeld in het eerste lid kan achterwege blijven indien:
(…)
b. de verdachte, nadat hij bij een eerdere gelegenheid als bedoeld in het eerste lid een adres heeft opgegeven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden, bij een volgende gelegenheid uitdrukkelijk te kennen geeft dit adres niet te willen handhaven;
c. de geadresseerde nadat hij een adres als bedoeld in het eerste lid heeft opgegeven, het adres waar hij als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen wijzigt;”
- art. 36n Sv:
“1. De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.
(…)
3. Indien aan de verzendplicht ingevolge artikel 36g niet of niet tijdig is voldaan, beveelt de rechter de schorsing van het onderzoek ter terechtzitting tenzij:
a. zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.”
2.5
Uit het bepaalde in art. 36g lid 1 Sv volgt dat het door de verdachte opgegeven adres in Nederland moet zijn gelegen. Het adres behoeft geen woonadres te zijn, maar kan ook een ander adres zijn waarop de verdachte kan worden bereikt. [1] Het toezenden van een afschrift van de dagvaarding aan een bij het eerste verhoor in de strafzaak opgegeven adres is ten opzichte van de betekening een aanvullende waarborg.
2.6
De verdachte heeft bij zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij bij een kennis op de [b-straat 2] in [plaats] woont. Deze verklaring van de verdachte kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als de opgave van een adres in de zin van art. 36g lid 1 onder a Sv. Dat bij de verhorend ambtenaren vervolgens enige twijfels zijn ontstaan of de verdachte daadwerkelijk op dit adres verblijft, maakt dat niet anders. Het is aan de verdachte en de verantwoordelijkheid van de verdachte om een adres op te geven waaraan mededelingen over de strafzaak kunnen worden gezonden. In het weergegeven verhoor kan niet worden gelezen dat de verdachte, als reactie op de twijfels van de verhoorders, op ondubbelzinnige wijze de opgave weer heeft ingetrokken.
2.7
Het hof heeft vastgesteld dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is verzonden naar het adres in Nederland dat de verdachte heeft opgegeven. Dat oordeel is in het licht van het bovenstaande niet begrijpelijk. Uit de stukken kan niet blijken dat een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep aan het adres [b-straat 2] is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit niet is gebeurd. Uit de stukken volgt enkel dat een afschrift is gezonden naar de [b-straat 1] in [plaats] . De stukken houden ook niets in waaruit kan volgen dat die verzending op grond van artikel 36g lid 3 Sv achterwege kon blijven. Weliswaar blijkt uit een informatiestaat SKDB-persoon dat de verdachte op 2 november 2024 kennelijk [b-straat 1] in [plaats] als adres heeft opgegeven, maar niet kan worden gezegd dat hij daarmee uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven het adres aan de [b-straat 2] in [plaats] niet te willen handhaven.

3.Afronding

3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. de memorie van toelichting bij art. 588a (oud) Sv, de voorloper van het huidige art. 36g Sv,