ECLI:NL:PHR:2026:692

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
25/01459
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieverwerping in zaak poging afpersing en medeplichtigheid aan woningaanslag

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij arrest van 4 april 2025 veroordeeld tot 40 maanden gevangenisstraf, waarvan 24 maanden voorwaardelijk, wegens medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord en medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk brandstichten met gevaar voor bewoners en goederen. De strafmaat werd verminderd met voorarrest en het hof legde tevens schadevergoedingsmaatregelen op.

De zaak betrof een reeks woningaanslagen in 2020 en 2021, die volgden op de vondst van een grote hoeveelheid cocaïne in een fruitbedrijf te Hedel. De verdachte was chauffeur van de brandstichters bij de laatste aanslag, waarbij brand werd gesticht bij een woning waar bewoners gevaar liepen.

In cassatie werd één middel voorgesteld dat klaagde over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn niet was overschreden. Het hof had geoordeeld dat de duur van de behandeling in hoger beroep van circa 2,5 jaar niet onredelijk was, mede gelet op de complexiteit van de zaak, de samenhang met elf andere strafzaken en het verzoek van de verdachte tot nader onderzoek.

De Hoge Raad oordeelt dat de klacht over de redelijke termijn faalt, mede omdat de verdachte tijdens de zitting in hoger beroep geen verweer heeft gevoerd over termijnoverschrijding. Het oordeel van het hof is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. De conclusie van de procureur-generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling van het hof blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01459
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens 1 subsidiair en 2 subsidiair "de eendaadse samenloop van medeplichtigheid aan medeplegen van poging tot moord en medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 40 maanden, waarvan 24 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van voorarrest. Het hof heeft tevens beslist op het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld. Daarbij heeft het hof aan de verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/01229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01265 ( [medeverdachte 4] ), 25/01294 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01412 ( [medeverdachte 9] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft P.J. Stronks, advocaat in Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de laatste van de reeks woningaanslagen door daarbij op te treden als chauffeur van de brandstichters.

3.Het middel

3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro geen aanleiding heeft gegeven tot een verlaging van de door de rechtbank opgelegde straf.
3.2
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

1. subsidiair
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 5 juni 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging ter uitvoering van het door die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] voorgenomen misdrijf om [aangever] en/of de vrouw en/of de kinderen van die [aangever] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven met een hoeveelheid brandbare vloeistof naar een woning ( [a-straat 1] in [plaats] ) waar op dat moment voornoemde [aangever] en voornoemde gezinsleden verbleven zijn gegaan en vervolgens brand hebben gesticht bij die woning door die brandbare vloeistof te gooien tegen de voordeur van die woning en die vloeistof aan te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van dit misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest door op 5 juni 2021 te Amsterdam en [plaats] en elders in Nederland opzettelijk
-
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te chaufferen naar de woning aan het adres de [a-straat 1] te [plaats] en
-
met zijn, verdachtes, auto nabij dat adres te [plaats] klaar te staan voor de vlucht, althans te wachten, nadat voormelde mededaders waren uitgestapt, en
-
de vlucht mogelijk te maken aan voormelde mededaders door hen, na het door hen gepleegde delict, (weer) in te laten stappen en vervolgens meteen weg te rijden;
2. subsidiair
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] op 5 juni 2021 te [plaats] , tezamen en in vereniging opzettelijk brand hebben gesticht bij een woning ( [a-straat 1] ) door een brandbare vloeistof te gooien tegen de voordeur van die woning en die vloeistof aan te steken, ten gevolge waarvan die voordeur en een kozijn en de voorgevel van die woning gedeeltelijk zijn verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor de bewoners van die woning, te weten [aangever] en/of de vrouw en/of de kinderen van die [aangever] , in elk geval gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor die bewoners en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor die bewoners te duchten was,
bij het plegen van dit misdrijf hij, verdachte, opzettelijk behulpzaam is geweest door op 5 juni 2021 te Amsterdam en [plaats] en elders in Nederland opzettelijk
-
die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te chaufferen naar de woning aan het adres de [a-straat 1] te [plaats] en
-
met zijn, verdachtes, auto nabij dat adres te [plaats] klaar te staan voor de vlucht, althans te wachten, nadat voormelde mededaders waren uitgestapt, en
-
de vlucht mogelijk te maken aan voormelde mededaders door hen, na het door hen gepleegde delict, (weer) in te laten stappen en vervolgens meteen weg te rijden.”
3.3
Het hof heeft met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn als volgt overwogen en geoordeeld:
“Geen overschrijding van de redelijke termijn
Het hof heeft beoordeeld of de behandeling van de strafzaak heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van artikel 6 van Pro het (Europees) Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het hof beantwoordt die vraag bevestigend en onderbouwt dit oordeel als volgt.
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke behandelduur redelijk is, onder meer afhankelijk is van de ingewikkeldheid van de zaak (bijvoorbeeld het gegeven dat de zaak gelijktijdig wordt behandeld met strafzaken tegen medeverdachten of met andere strafzaken tegen de verdachte), de invloed van de verdachte op het procesverloop en op de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daarbij is het uitgangspunt dat een strafzaak tegen een verdachte in voorlopige hechtenis binnen zestien maanden wordt afgedaan, maar bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat daarvan wordt afgeweken.
Verdachte is op 5 juni 2021 in verzekering gesteld waarna de rechtbank op 27 september 2022 uitspraak heeft gedaan. In eerste aanleg is de zaak derhalve binnen de redelijke termijn afgedaan.
De redelijke termijn in hoger beroep is aangevangen op 11 oktober 2022, door het instellen van hoger beroep door zowel verdachte als het openbaar ministerie. Dit arrest wordt gewezen op 4 april 2025, wat meebrengt dat de behandeling van de zaak in hoger beroep ongeveer 2,5 jaar heeft geduurd. Naar het oordeel van het hof is dit niet onredelijk lang, als in aanmerking wordt genomen dat de strafzaak tegen verdachte in hoger beroep deel uitmaakt van een cluster van twaalf strafzaken en dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak een regiefase heeft plaatsgevonden en (mede op verzoek van verdachte) nader onderzoek is verricht.”
3.4
In geval een zaak in laatste feitelijke aanleg is behandeld in tegenwoordigheid van de verdachte en/of zijn raadsman en op de terechtzitting niet een verweer is gevoerd over de overschrijding van de redelijke termijn, moet worden aangenomen dat de verdachte niet langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging heeft geleefd. Een klacht in cassatie over de overschrijding van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak, kan in zo’n geval niet slagen. [2] Door of namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep niet aangevoerd dat de redelijke termijn van berechting in hoger beroep is overschreden, zodat het middel reeds daarop afstuit.
3.5
In zoverre merk ik ten overvloede op dat het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is overschreden, nu de berechting van de verdachte in hoger beroep niet ‘onredelijk lang’ heeft geduurd. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de strafzaak tegen de verdachte in hoger beroep deel uitmaakt van een cluster van twaalf strafzaken, dat voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling van de zaak een regiefase heeft plaatsgevonden en (mede op verzoek van de verdachte) nader onderzoek is verricht. Het hof heeft daarmee tot uitdrukking willen brengen dat het – gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdediging op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld – de duur van de zaak ‘redelijk’ acht en de redelijke termijn van berechting in hoger beroep dus niet is overschreden. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. [3]
3.6
Het middel faalt.

4.Slotsom

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-004365-22. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2025:1945. Hierna is op 3 juni 2025 een herstelarrest gewezen, welk arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2025:3480. In het herstelarrest is enkel de voorlopige hechtenis opgeheven.
2.Vgl. HR 17 juni 2008,
3.Vgl. HR 17 juni 2008,