ECLI:NL:PHR:2026:693

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/03864
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46a SrArt. 48 SrArt. 289 SrArt. 47 lid 1 SrArt. 45 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling wegens medeplichtigheid aan poging tot uitlokking van moord

De verdachte werd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan het medeplegen van poging tot uitlokking van moord. Het hof stelde vast dat de verdachte opzettelijk een voorschot van €75.000,- heeft overgedragen voor een geplande moord op een of meer personen, aangeduid als 'de tattoos'.

De bewezenverklaring betrof een poging om een ander te bewegen tot moord op één of meer personen, waarbij het hof expliciet niet heeft gekozen of het om één of twee moorden ging, maar dit in het midden liet. De verdachte werd verweten willens en wetens te hebben meegewerkt aan het overdragen van geld dat bedoeld was voor het plegen van moord, met een zeer onverschillige houding.

Het cassatieberoep richtte zich op het vermeende gebrek aan keuze van het hof tussen één of twee moorden, maar dit werd verworpen omdat het hof in het voordeel van de verdachte had beslist door niet uit te gaan van meerdere moorden. De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad was om het cassatieberoep te verwerpen, waarmee de veroordeling in stand bleef.

Uitkomst: De verdachte is veroordeeld tot vier jaar gevangenisstraf wegens medeplichtigheid aan poging tot uitlokking van moord.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03864
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 15 oktober 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003391-22) wegens subsidiair "medeplichtigheid aan het medeplegen van poging tot uitlokking van moord", veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, met aftrek van voorarrest. [1]
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03938 en 24/03971 [2] . In de zaak 24/03938 zal ik vandaag ook concluderen. [3]
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof niet op grond van de tenlastelegging heeft beraadslaagd. Door de stellers van het middel wordt aangevoerd dat het hof een keus had moeten maken of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van de poging iemand trachten te bewegen tot één moord of twee moorden.
2.2
Aan de verdachte was subsidiair ten laste gelegd dat:
“ [betrokkene 1] en/of [medeverdachte] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of een of meer onbekend gebleven andere personen op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 oktober 2015 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of Marokko,
tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, heeft gepoogd om een ander, te weten een of meer NN personen, in de chats aangeduid als "de tattoos", door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te bewegen om een misdrijf, te weten het meermalen (mede)plegen van moord (als bedoeld in artikel 289 en Pro art. 47 lid 1 ahf Pro en onder 2° Wetboek van strafrecht), op [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , te begaan,
door die NN personen, een bedrag van € 500.000,-, in elk geval enig geldbedrag, in het vooruitzicht te stellen, als beloning voor het plegen van de moord op die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 29 september 2015 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of Marokko, tezamen in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,
door al dan niet met tussenkomst van een of meer onbekend gebleven andere personen aan die NN personen, een bedrag van € 75.000,-, in elk geval enig geldbedrag, over te dragen als voorschot.”
2.3
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 1] en [medeverdachte] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] in de periode van 2 augustus 2015 tot en met 29 september 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging, hebben gepoogd om een ander, te weten een of meer NN-personen, in de chats aangeduid als "de tattoos", door giften en beloften te bewegen om een misdrijf, te weten het (mede)plegen van moord op [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , te begaan, door die NN-personen een bedrag van € 500.000.00 in het vooruitzicht te stellen als beloning voor het plegen van de moord op die [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] , bij en/of tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op of omstreeks 29 september 2015 in Nederland opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk middelen heeft verschaft door, al dan niet met tussenkomst van een of meer onbekend gebleven personen, aan die NN-personen een bedrag van € 75.000.00 over te dragen als voorschot.” [4]
2.4
Het hof heeft in het bestreden arrest onder meer het volgende overwogen:

5.2.6 Uitleg van de berichten
Mede in liet licht van hetgeen over [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is vastgesteld leidt het hof uit de hierboven aangehaalde berichten af dat door in elk geval [medeverdachte] het plan is opgevat om [benadeelde 1] en [benadeelde 2] om het leven te laten brengen. Daarover heeft hij in de gevangenis contact gehad met zijn medegedetineerde [betrokkene 4] , die behoorde tot de zogeheten ‘tattookillers’. [medeverdachte] heeft afgesproken dat (verder onbekend gebleven) ‘tattoos’ [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor € 500.000.00 zouden vermoorden. Ze vroegen € 100.000.00 als voorschot. Dit laat [medeverdachte] weten aan [betrokkene 1] . Aan [betrokkene 1] legt [medeverdachte] uit waarom ook [benadeelde 1] dood moet. [betrokkene 1] raakt daarvan onmiddellijk overtuigd en deelt dat ook met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , die ook instemmen met het plan. Voordat alles in gang gezet kan worden is er wel de goedkeuring nodig van [betrokkene 5] , die kennelijk als de 'grote baas’ kan worden aangemerkt. Hij is uiteindelijk akkoord gegaan, maar heeft gezegd dat er € 75.000.00 als voorschot moet worden betaald. [betrokkene 1] heeft vervolgens met [verdachte] afgesproken dat hij dat geld, dat bedoeld is voor 'iemand hitten’, afgeeft. Uit de berichten blijkt dat [verdachte] dat uiteindelijk ook heeft gedaan. Ondertussen heeft [medeverdachte] met [betrokkene 6] geregeld dat hij bij ‘Kiks’ een foto van [benadeelde 2] ophaalt, waarbij [medeverdachte] ook aankondigt dat het adres van [benadeelde 2] en een bedrag van € 100.000.00 (‘barkie doezoe’) - welk bedrag dus overeenkomt met het bedrag dat [medeverdachte] kort daarvoor aan [betrokkene 1] noemde - aan [betrokkene 6] zullen worden gegeven, die dan moeten worden afgegeven.
Achteraf kan worden vastgesteld dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet om het leven zijn gebracht. Uit het dossier blijkt evenmin dat het tot een begin van uitvoering is gekomen van dit misdrijf waarop de gedragingen van [medeverdachte] en zijn mededaders waren gericht. De uitlokking was dus niet voltooid, zodat het verweer genoemd onder (ii) in paragraaf 5.2.2 moet worden verworpen.
Genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte] tezamen en in vereniging met anderen heeft gepoogd, door het in het vooruitzicht stellen van een beloning van € 500.000.00 en het bij wijze van voorschot betalen van € 75.000.00. één of meer personen te bewegen tot de moord op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] .
(…)

9.Oplegging van straf

(…)
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid van een poging tot uitlokking van moord op [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] . Hij heeft een voorschot van € 75.000.00 overgedragen voor de geplande liquidatie van hen. Zijn bijdrage is een belangrijke schakel geweest in het mogelijk verwezenlijken van hun dood. Uit het dossier blijkt dat de verdachte zich zeer bewust was van waar het geld dat hij heeft overgedragen voor bedoeld was. Toen de verdachte werd meegedeeld dat het voorschot bedoeld was voor 'iemand hitten' en 'iemand kieren' reageerde hij met ‘
hahaha gruwlijk staat bro’ en
‘Hahahahahahahahahahahahahahahahahaha lijp man. Als ze maar niet nakken kk jochies’. Het hof rekent de verdachte zijn zeer onverschillige houding aan. Door zich willens en wetens te lenen voor het overdragen van een geldbedrag dat bedoeld was om personen te laten vermoorden heeft de verdachte er blijk van gegeven dat hij geen enkel respect heeft voor andermans leven. Bovendien heeft het niet aan de verdachte gelegen dat de uitvoering van de geplande moord op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] uiteindelijk niet is voltooid.”
2.5
In het middel wordt geklaagd dat het hof in de bewezenverklaring een keuze had moeten maken tussen een poging tot uitlokking van één moord of van twee moorden. In plaats daarvan heeft het hof dit in de bewezenverklaring in het midden gelaten, maar het feit gekwalificeerd als een poging een ander te bewegen tot één moord. Bij een poging tot uitlokking van twee moorden had immers aan de kwalificatie moeten worden toegevoegd: “meermalen gepleegd”. In dat geval was sprake geweest van een meerdaadse samenloop als bedoeld in art. 57 Sr Pro. De maximale gevangenisstraf van twintig jaren (art. 46a jo. 289 jo. 45 lid 2 en 3 Sr) zou dan een derde hoger kunnen uitvallen dan met de huidige kwalificatie van het hof. Omdat het hof in die zin in het voordeel van de verdachte heeft beslist, zie ik om te beginnen geen belang van de verdachte bij deze klacht.
2.6
Het hof heeft dus niet wettig en overtuigend bewezen geacht dat [medeverdachte] en diens mededaders hebben gepoogd om anderen te bewegen tot moord op zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] , maar wel dat dit bewegen was gericht op de moord van ten minste één van deze twee. Dit komt niet alleen tot uitdrukking in de bewezenverklaring van de woorden “en/of”, maar ook door de vrijspraak van het tenlastegelegde bewegen tot “meermalen” (mede)plegen van moord. Over dit oordeel van het hof wordt niet geklaagd.
2.7
Anders dan de stellers van het middel, lees ik in de geciteerde strafmotivering van het hof niet dat het hof toch is uitgegaan van de poging anderen te bewegen tot moord op zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] . Het hof stelt in de betreffende overwegingen immers voorop dat de verdacht “zich schuldig [heeft] gemaakt aan medeplichtigheid van een poging tot uitlokking van moord op [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] ”. Wanneer het hof elders in de strafmotivering spreekt over “ [benadeelde 1] en [benadeelde 2] ”, dan is dit enkel in de context van de feitelijke constatering dat op geen van beiden een (poging tot) moord is begaan. Ook uit de overweging van het hof dat de verdachte “door zich willens en wetens te lenen voor het overdragen van een geldbedrag dat bedoeld was om personen te laten vermoorden”, kan niet worden afgeleid dat het hof is uitgegaan van een poging tot uitlokking van moord op zowel [benadeelde 1] als [benadeelde 2] .
2.8
Het middel faalt.

3.Afronding

3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.In deze zaak heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 april 2026 het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
3.Zie de conclusie in die zaak voor een korte beschrijving van de feiten.
4.Ik verwijs hier naar hetgeen ik in de samenhangende zaak 24/03938 in randnr. 7.2 heb opgemerkt over de kwalificatie. Deze had in dit geval moeten luiden: “medeplichtigheid aan het medeplegen van pogen een ander door giften of beloften te bewegen om een moord te begaan”. Hoewel de medeplichtige aan een mislukte uitlokking betrekkelijk ver afstaat van het strafbare feit waarop de uitlokking was gericht, is deze wel degelijk strafbaar. Het grondfeit waarmee de medeplichtigheid is verbonden, is dan de in art. 46a Sr strafbaar gestelde handeling. Aldus K. Lindenberg en H.D. Wolswijk,