ECLI:NL:PHR:2026:694

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
3 juli 2026
Zaaknummer
24/03938
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 289 SrArt. 287 SrArt. 46 SrArt. 46a SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen en uitlokking moord binnen criminele organisatie

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens deelneming aan een criminele organisatie en medeplegen van uitlokking en poging tot moord op meerdere personen. De feiten speelden zich af binnen een conflict tussen criminele groepen waarbij liquidaties werden voorbereid, deels vanuit de gevangenis via PGP-berichten.

Het hof baseerde de bewezenverklaring op communicatie tussen de verdachte en medeverdachten, waaronder afspraken over wapens, geldbedragen en doelwitten. De verdediging stelde dat de verdachte slechts beperkte betrokkenheid had en dat sommige communicatie over incasso-opdrachten ging, niet moord. Het hof oordeelde echter dat de verdachte een voldoende gewichtige intellectuele en materiële bijdrage had geleverd aan de uitlokking en voorbereiding van moord.

De advocaat-generaal concludeert tot strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerping van het cassatieberoep voor het overige. De bewezenverklaring omtrent uitlokking door 'giften' wordt gecorrigeerd naar 'beloften', zonder dat dit de ernst van de straf aantast. De zaak illustreert de complexiteit van bewijsvoering in georganiseerde misdaad en de toepassing van medeplegen en uitlokking in strafrecht.

Uitkomst: Veroordeling tot twaalf jaar gevangenisstraf met strafvermindering wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/03938
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 15 oktober 2024 door het gerechtshof Amsterdam (parketnr. 23-003341-22) wegens 1 "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven", 2 meer subsidiair “medeplegen van uitlokking van het medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd” en 5 “medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van moord, meermalen gepleegd” [1] , veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf, met aftrek van voorarrest. [2]
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/03864 en 24/03971 [3] . In de zaak 24/03864 zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en T.P.A.M. Wouters, advocaat in Amsterdam, en E.A. Blok, advocaat in Rotterdam, hebben vier middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak in het kort

2.1
Volgens de vaststellingen van het hof dienen de beschuldigingen tegen de verdachte te worden gezien tegen de achtergrond van een strijd tussen twee criminele groepen die over en weer leidde tot het organiseren van liquidaties. De verdachte zou deel uitmaken van een van die groepen, hetgeen het hof onder feit 1 (de criminele organisatie) bewezen heeft geacht.
2.2
De verdachte zou meer specifiek betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van een moordaanslag op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] door contact te leggen met een groep huurmoordenaars die bekend stond als de ‘ [bijnaam 2] ’. Samen met anderen zou de verdachte met hen afspraken hebben gemaakt en de overhandiging hebben geregeld van een voorschot en van de benodigde informatie. De medeverdachte in de samenhangende zaak 24/03864 ( [medeverdachte] ) zou hebben zorggedragen voor de feitelijke betaling van het voorschot. De liquidatie of een poging daartoe heeft nooit plaatsgevonden. Het hof heeft dit onder 5 tenlastegelegde feit bewezenverklaard en gekwalificeerd als “medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van moord, meermalen gepleegd”.
2.3
De verdachte zou daarna ook nog betrokken zijn geweest bij de voorbereiding van de liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] . Daartoe zou hij contact hebben opgenomen met [betrokkene 1] . Wederom zou de verdachte samen met anderen de afspraken hebben gemaakt met de huurmoordenaar. Zij zouden ook hebben gezorgd voor wapens. Deze uitlokking heeft wel tot een begin van uitvoering geleid, maar [betrokkene 1] en diens mededader moesten hun poging afbreken toen zij werden overlopen. Het hof heeft dit handelen van de verdachte onder 2 meer subsidiair tenlastegelegde feit bewezenverklaard en gekwalificeerd als “medeplegen van uitlokking van het medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd”.
2.4
Voor beide feiten geldt dat de verdachte in de tenlastegelegde periode was gedetineerd. Het bewijs is grotendeels gebaseerd op berichten die de verdachte met een PGP-telefoon vanuit de gevangenis heeft verstuurd en ontvangen.
2.5
Het eerste middel komt op tegen het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde en klaagt in het bijzonder over het bewezenverklaarde medeplegen van uitlokking. Het tweede middel heeft eveneens betrekking op het onder 2 meer subsidiair bewezenverklaarde feit en houdt in dat het hof ten onrechte heeft bewezenverklaard dat het feit door ’giften’ is uitgelokt. Het derde middel heeft betrekking op het onder 5 bewezenverklaarde en houdt in dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat het feit is uitgelokt door ‘een gift en een belofte’ en het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaarde periode van feit 1.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen van uitlokking (van het medeplegen van voorbereiding van moord).
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 2 meer subsidiair bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 1] op 21 november 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in de artikelen 289 van het Wetboek van Strafrecht), te plegen tegen [betrokkene 3] en [betrokkene 3] , opzettelijk automatische vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 21 november 2015 in Nederland door giften opzettelijk heeft uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader een groot geldbedrag in het vooruitzicht gesteld.”
3.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 september 2024 hebben de raadslieden van de verdachte het woord ter verdediging gevoerd aan de hand van een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in (met weglating van voetnoten):
“Wat kan wel worden vastgesteld?
129. Die beperkte berichten, waaruit zou blijken dat cliënt [betrokkene 1] heeft "geronseld' voor een klus, vormen feitelijk de kern van het verwijt dat cliënt onder feit 2 wordt gemaakt. De bijdrage die cliënt zou hebben geleverd aan de verschillende tenlastegelegde varianten bestaat zo niet geheel dan toch voor het overgrote deel uit het feit dat hij [betrokkene 1] zou hebben gevraagd die klus aan te nemen. Dat hij er verder geen aantoonbare bemoeienis meer mee heeft en dat het [code 1] is die verder communicatie met [betrokkene 1] heeft, staat buiten discussie. Wat ons betreft beperkt dit zaaksdossier zich dan ook tot een handjevol berichten op 10 oktober 2015 die binnen het bestek van zo'n anderhalf uur zijn verstuurd.
130. In die kleine 25 berichten gaat het uiteindelijk vooral om de berichten tussen 15:03 en 15:21 uur. Cliënt vraagt hoe snel hij aan de slag wil en dat hij nu een mooie heeft. Wanneer [betrokkene 1] zegt dat hij eerst een ander project moet afhandelen, vraagt cliënt of hij het zijne niet snel kan doen en die andere als tweede, anders moet hij hem aan iemand anders geven want ‘voor je het weet komt die gast niet meer naar de plek waar die nu komt.’ [betrokkene 1] vraagt de prijs en [verdachte] zegt 100, [betrokkene 1] geeft aan 25% vooraf te willen en die kleine en die grote nodig te hebben.
131. Voorafgaand aan dit gesprek heeft [betrokkene 1] contact met [code 1] . De inhoud van dat eerdere gesprek is belangrijk om de berichtenwisseling met cliënt in de juiste context te zien. In dat eerdere gesprek wordt immers (ook) verwezen naar wat kennelijk tussen cliënt en [betrokkene 1] is besproken toen zij beiden in de penitentiaire inrichting zaten. Er is aanvankelijk wat verwarring omdat [betrokkene 1] denkt dat hij met cliënt spreekt en hij is verbaasd dat cliënt bijvoorbeeld niet lijkt te weten dat hij in een [ZBBI] zit.
132. Uit de berichten van [betrokkene 1] blijkt dat voorafgaand aan zijn vertrek uit de PI en dus al vóór 28 september 2015 het een en ander is besproken en dat [betrokkene 1] bij die gelegenheid al verzoeken heeft gedaan. [betrokkene 1] zegt immers tegen [code 1] :
"
Ik kan vrij praten toch? Je weet wat ik jou heb uitgelegd binnen, ik heb nu nog even een project, die moet ik nog afhandelen, daarna kan ik jou klus aannemen broer, maar ik had we'll ff dat gene nodig waar ik je om vroeg, 2 kleine 1 grote alvast, en ik heb ff een nummer nodig van ogen. Je weet wie ik bedoel toch"
133. In dit korte bericht zitten belangrijke onderdelen. Ten eerste blijkt hieruit dat [betrokkene 1] binnen, dus toen hij nog samen met cliënt zat, al heeft uitgelegd dat hij (eerst) een project moet afhandelen en dat hij daarna een klus kan aannemen. Ten tweede heeft hij destijds al gezegd dat hij iets nodig had, namelijk twee kleine en een grote, daarmee kennelijk verwijzend naar vuurwapens. Ten derde blijkt hieruit (en uit het vervolg van het gesprek) dat [betrokkene 1] blijkbaar niet over de benodigde informatie beschikt. Dat is opvallend. Uit de verschillende Ennetcomberichten blijkt immers dat de [betr. 2 & 3] al veel langer op de radar staan. Daarbij wordt al op 25 september 2015 tussen [code 1] en [code 2] , door het Gerechtshof Arnhem- Leeuwarden toegeschreven aan [betrokkene 4] , besproken dat 'ze' chillen in 'scenario’.
(…)
135. Op 25 september 2015 – vóórdat [betrokkene 1] uit de PI vertrekt - weten [code 1] en [code 2] dat de [betr. 2 & 3] in [A] aan de [a-straat 1] chillen. In het scenario waarin cliënt betrokken is geweest bij de liquidatieopdracht van de [betr. 2 & 3] , ligt het (veel) meer voor de hand dat cliënt deze cruciale informatie al in de PI met [betrokkene 1] zou hebben gedeeld. Dat is niet gebeurd: [betrokkene 1] krijgt pas op 11 oktober 2015 het adres van [code 2] .
136. Diezelfde dag komt [betrokkene 1] bij [code 1] op de lijn en krijgt hij informatie over twee broers waarvan de één belangrijker wordt gevonden dan de ander: degene met de baard is het doel. Dat is informatie die [betrokkene 1] eerder die dag al heeft gekregen van [code 2] . Precies dezelfde foto’s worden door zowel [code 2] als [code 1] verzonden. Hier geldt wederom dat die foto's dus niet van cliënt komen en dat hij in deze communicatie niet wordt gekend.
137. Cliënt heeft zowel bij de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep - consequent en consistent - verklaard dat hij met [betrokkene 1] helemaal niet gesproken heeft over het uitvoeren van een liquidatie, maar over het doen van een incasso, in welk verband [betrokkene 1] op zijn beurt heeft gevraagd om de wapens waar hij al eerder om had gevraagd. Cliënt verklaart daarbij dat de opdracht uiteindelijk niet is doorgegaan, omdat hij het voorschot niet kon betalen.
138. Cliënt betwist dus niet dat [betrokkene 1] hem heeft gevraagd om twee kleine en een grote, maar wél dat deze zaken te maken hadden met de [betr. 2 & 3] . Het is in dat verband belangrijk om te benadrukken dat op 21 november 2015 in [plaats] niet ‘twee kleine en een grote' zijn aangetroffen, maar twee grote. Hoe die vuurwapens precies bij [betrokkene 1] en [betrokkene 5] zijn beland is niet duidelijk, maar dat cliënt daar een rol in heeft gespeeld is, zoals wij in het hiernavolgende nog nader zullen toelichten, niet gebleken.
139. In dit verband mag niet onbenoemd blijven dat [betrokkene 1] ter terechtzitting van 12 september 2024 meermaals, ook nadat zijn getuigenverhoor was afgerond, heeft aangegeven dat hij niet begrijpt waarom cliënt in deze zaak verdachte is en dat hij destijds van cliënt een incasso-opdracht heeft gekregen. Wij merken daarbij op dat uit de vordering tot het opmaken van een proces-verbaal meineed is gebleken dat de advocaten-generaal van mening zijn dat het meinedige van die verklaring niet zag op de incasso-opdracht. In die vordering hebben de advocaten-generaal immers verwezen naar het veroordelend arrest van het Gerechtshof Arnhem, meer in het bijzonder naar het gebruik van een Ennetcomaccount en zijn betrokkenheid bij de bewezenverklaarde voorbereidingshandelingen. De verklaring van [betrokkene 1] kan, voor wat betreft de incasso-opdracht en mede gelet op de verdere inhoud van het dossier (waaronder de door cliënt afgelegde verklaringen), niet zonder meer als onaannemelijk of ongeloofwaardig terzijde worden geschoven. 140. Verder is hiervoor al het nodige gezegd over de verhoudingen binnen de groep en hoe het er minst genomen op lijkt dat iedereen daar zijn eigen agenda had en eigen belangen aan het dienen was en dat cliënt zeer nadrukkelijk buiten de besluitvorming werd gehouden. Juist vanuit die constatering is de stelling van cliënt dat wanneer er contact ontstond tussen de leden van de groep en mensen die hij vanuit de penitentiaire inrichting kende, de laatsten werden ingezet voor de eigen doelen van mensen uit de groep, bepaald niet onaannemelijk te noemen. Het is niet dat er verantwoording hoeft te worden afgelegd aan cliënt of dat hij op een andere wijze inspraak heeft in wat er buiten gebeurt. Op het moment dat iemand bij [code 1] belandt is het aan [code 1] om te bepalen voor wat voor actie hij die iemand zou willen inzetten.
141. Zou al worden aangenomen dat [betrokkene 1] via cliënt bij de [code 1] terechtkomt, en dat is alleen al gezien het tijdsverloop tussen diens vertrek uit [PI] en de contacten met [code 1] onaannemelijk, dan is daarmee dus nog steeds niet gezegd dat cliënt strafrechtelijk verantwoordelijk kan of zal moeten worden gehouden voor wat [code 1] vervolgens al dan niet met dat contact doet. Dat geldt eens te meer, nu van enige bijdrage van cliënt aan het komen tot voorbereidingshandelingen voor de moord op [betr. 2 & 3] opnieuw helemaal niets kan volgen.
142. Wij merken tot slot op dat opvallend is dat de hele serie van communicatie en notities die er was toen cliënt vroeg om geld voor de [bijnaam 2] in dit zaaksdossier volledig ontbreekt. Dit terwijl er in deze periode veel berichten van de verschillende betrokkenen zijn. Deze constatering ondersteunt de stelling dat van een betaling van dat gevraagde voorschot van € 25.000 nooit sprake is geweest (welk tegendeel ook uit geen enkel dossierstuk is gebleken) en dat de klus van cliënt daarom niet is doorgegaan. Dat [code 1] - anders dan cliënt - niet afhankelijk was van voorafgaande toestemming voor het doen van betalingen, hebben we hiervoor al geconstateerd.
(…)
Geen medeplegen
152. Echter, ook wanneer u zou meegaan in de lezing van het openbaar ministerie, inhoudende dat de hier aan de orde zijnde berichten van cliënt weldegelijk gaan over (kortweg) moord, kan dat niet tot bewezenverklaring van één van de tenlastegelegde feiten leiden. Dit nu die enkele berichten, hoe moreel verwerpelijk ook, op zichzelf niet voldoende kunnen zijn om cliënt als medepleger te kwalificeren.
153. Die communicatie moet, zoals steeds, worden gezien in de context van de gebeurtenissen in die periode. Die context bestaat uit een vergaand geëscaleerd conflict in de onderwereld waarbij over en weer diverse moorden worden gepleegd en waarbij diverse vrienden en bekenden van cliënt worden doodgeschoten terwijl cliënt al die tijd in de gevangenis zit. Tegelijkertijd vervult cliënt een belangrijke rol als getuige in het onderzoek Ebetsu en legt hij verklaringen af tegen de verdachten [betrokkene 6] en [betrokkene 7] . Die verklaringen leveren een belangrijke bijdrage aan de uiteindelijk aan die verdachten opgelegde levenslange gevangenisstraf.
154. Het is te gemakkelijk om negen jaar na dato en vanuit de relatieve kalmte die er nu rondom dat conflict is terug te kijken en verontwaardigd te doen over gesprekken waarin haatdragende teksten over personen die tot het vijandelijke kamp worden gerekend figureren.
155. Is het vreemd dat onder de omstandigheden van toen - waarin cliënt in korte tijd meerdere dierbaren was verloren - in communicatie tussen jonge mannen die vooral willen uitstralen sterk te zijn en waar het testosteron vanaf druipt, harde woorden worden gebruikt over de mensen die verantwoordelijk worden gehouden voor die en vele andere moorden? Is het vreemd dat wanneer je jezelf staande moet houden in een hyper masculiene omgeving en wanneer gesproken wordt over buitengewoon emotioneel beladen gebeurtenissen je elkaar wil overtroeven in uitlatingen over hoe hard je je tegenstanders te grazen gaat nemen of gaat ‘neuken' of gaat ‘nakken'? En nog belangrijker dan de vraag of dat vreemd is: kunnen dat soort uitlatingen, onder die omstandigheden gedaan, daadwerkelijk invulling geven aan de bewezenverklaring van ernstige strafbare feiten die zich ontegenzeggelijk buiten jouw invloedssfeer en voor zover vast te stellen zelfs buiten jouw wetenschap hebben afgespeeld?
156. Wij gaan nog een stap verder: zelfs wanneer aangenomen zou worden dat cliënt in de penitentiaire inrichting mensen met wie hij gedetineerd zat verwees naar mensen die buiten tot zijn groep werden gerekend, is hij daarmee dan - als medepleger - strafrechtelijk betrokken bij strafbare feiten die vervolgens door die derden met die medegedetineerden worden uitgezet of uitgevoerd? Het is een algemeen bekend gegeven dat het regelmatig voorkomt dat mensen die elkaar in de gevangenis hebben ontmoet na ommekomst van hun detentie contact houden of zelfs gezamenlijk overgaan tot het plegen van strafbare feiten. Als dat soort medegedetineerden tijdens hun detentie aan cliënt zouden laten weten wel werkzaamheden te willen verrichten voor de mensen die buiten nog bezig zijn binnen het samenwerkingsverband waartoe cliënt voorafgaand aan zijn detentie behoorde, en cliënt stemt daarmee in of helpt hen zelfs contact te leggen met mensen buiten, is hij dan - wederom: als medepleger - verantwoordelijk of strafrechtelijk betrokken bij strafbare feiten die uit dat contact voortkomen?
157. Wij menen nog steeds van niet. Het gaat erom dat moet kunnen worden vastgesteld dat cliënt een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan één van de tenlastegelegde varianten. Het bespreken van strafbare feiten, het instemmen met strafbare feiten of het verwijzen van een medegedetineerde naar de vermeende organisatie is onvoldoende om die bijdrage te kunnen aannemen.
158. Wij herhalen dat uit het dossier niet kan blijken dat cliënt een motief heeft gehad om de [betr. 2 & 3] iets aan te doen. Wij stellen verder vast dat, behalve die enkele berichten in die anderhalf uur op 10 oktober 2015, van enige verdere betrokkenheid van cliënt bij welke gebeurtenis rondom de [betr. 2 & 3] dan ook niets kan blijken. Sterker nog, het Ennetcomaccount van cliënt gaat in oktober 2015 weer uit de lucht. Van enige bijdrage aan of zelfs maar wetenschap van de aanloop naar de gebeurtenissen in [plaats] op 21 november 2015 (ruim een maand later) blijkt vervolgens helemaal niets.
159. Wij zullen hierna dieper ingaan op de verkrijging van de wapens die op 21 november 2015 in [plaats] zijn aangetroffen en volstaan hier met de opmerking dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat cliënt enige betrokkenheid heeft gehad bij de verwerving dan wel het voorhanden hebben van die wapens. Dat geldt evenzeer voor de verstrekking van de benodigde informatie, waaronder de foto's zoals die expliciet in de communicatie naar voren komen.
160. Dit alles leidt ons tot de conclusie dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat cliënt een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan welke onder feit 2 tenlastegelegde variant dan ook, waardoor wij uw gerechtshof ook om die reden verzoeken cliënt vrij te spreken.”
3.4
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende bewijsoverwegingen opgenomen:

6.3 Voorbereidingshandelingen liquidatie broers [betr. 2 & 3] (feit 2)
6.3.1
Inleiding
[verdachte] wordt er, samengevat, primair van beschuldigd dat hij in de periode van 1 oktober 2015 tot en met 21 november 2015 tezamen en in vereniging met een of meer anderen, twee automatische vuurwapens voorhanden heeft gehad ter voorbereiding van de moord op [betrokkene 2] en zijn broer [betrokkene 3] (hierna ook: de broers [betr. 2 & 3] ). Subsidiair is dit ten laste gelegd als (het medeplegen van) poging tot uitlokking van [betrokkene 1] om met anderen de broers [betr. 2 & 3] te vermoorden en meer subsidiair als (het medeplegen van) uitlokking van (het medeplegen van) voorbereiding van de moord op hen.
(…)
6.3.3
Standpunt verdediging
De raadslieden hebben zich op het standpunt gesteld dat [verdachte] van de verschillende ten laste gelegde varianten dient te worden vrijgesproken. In de kern samengevat komt hun betoog erop neer dat voor ogen dient te worden gehouden dat uit het dossier niet blijkt dat [verdachte] aanleiding had om de broers [betr. 2 & 3] iets aan te doen, terwijl er verschillende andere personen en groeperingen waren die deze aanleiding wél hadden. Door de rechtbank is ten onrechte uit de Ennetcom-berichten van 10 oktober 2015 afgeleid dat [verdachte] de bedoeling had om [betrokkene 1] te bewegen tot de moord op de broers [betr. 2 & 3] dan wel tot het plegen van voorbereidingshandelingen daartoe. In werkelijkheid ging het in de berichtenwisselingen over een incasso-opdracht, in een poging om het onder 6.2.6 genoemde geld terug te halen. Op basis van het dossier kan dan ook niet worden vastgesteld dat [verdachte] (voorwaardelijk) opzet op de dood van de broers [betr. 2 & 3] heeft gehad. Zelfs als de uitleg die de rechtbank aan de Ennetcom-berichten heeft gegeven wel juist is. geldt dat [verdachte] niet een bijdrage heeft geleverd van voldoende gewicht om hem te kunnen aanmerken als medepleger van een van de ten laste gelegde varianten.
Op het standpunt van de verdediging zal hierna verder worden ingegaan.
6.3.4
Gebeurtenissen op 21 november 2015
In lijn met hetgeen het hof Arnhem- Leeuwarden bij arrest van 23 december 2021 in de strafzaak tegen [betrokkene 1] heeft overwogen, stelt het hof het volgende vast over de gebeurtenissen voorafgaand op en kort voor 21 november 2015.
Op zaterdag 21 november 2015 rond 02.40 uur kwam de politie ter plaatse naar aanleiding van een melding over een verdachte man die zich enkele minuten daarvoor ophield in de tuin van de [b-straat 1] in [plaats] , nabij de [a-straat] . De verdachte zou een man zijn met een lange zwarte jas en hij zou een petje dragen, dat hij onderweg zou zijn verloren. Ter plaatse wordt de politie aangesproken door [betrokkene 8] die verklaarde dat de man was weggerend in de richting van de [c-straat] . Hij zag dat de man op de hoek van de [c-straat] en de [d-straat] zijn pet verloor. [betrokkene 8] heeft nog even achter de man aangerend, maar raakte hem kwijt op de hoek van de [c-straat] en de [b-straat] . [betrokkene 8] heeft de pet later aangewezen aan de politie.
In de tuin van de [b-straat 1] , op de grond naast de heg, hebben verbalisanten twee automatische vuurwapens gevonden. Naast de wapens lag een geel oordopje/gele oorbeschermer. Halverwege de [c-straat] is een rood petje met witte strepen aangetroffen. Dit petje lag op de route die de vluchtende man volgens [betrokkene 8] had genomen.
Vastgesteld is dat de hiervoor genoemde wapens een kalasjnikov en een CZ waren, allebei met 29 patronen in het magazijn en één patroon in de kamer.
Op de gele oorbeschermer/oordopje en de rode pet zijn DNA-sporen gevonden. Het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) heeft vastgesteld dat het DNA-hoofdprofiel van een monster van het oordopje/de oorbeschermer matcht met het DNA-profiel van [betrokkene 1] en dat het DNA-hoofdprofiel van een monster van het petje matcht met het DNA-profiel van [betrokkene 5] . Ook gelet op het overige bewijsmateriaal trekt het hof daaruit de conclusie dat het materiaal op het oordopje afkomstig is van [betrokkene 1] en het materiaal op het petje afkomstig is van [betrokkene 5] .
Aan de [a-straat 1] in [plaats] was horecagelegenheid ‘ [A] ' (hierna: [A] ) gevestigd. In de nacht van 20 op 21 november 2015 waren de broers [betr. 2 & 3] beiden hier aanwezig. [betrokkene 3] heeft in zijn aangifte verklaard heel zeker te weten dat ze voor hem zijn gekomen. De criminele inlichtingendienst heeft hem en [betrokkene 2] ongeveer zes/zeven jaar geleden gewaarschuwd dat zij op de lijst (het hof begrijpt: een dodenlijst) stonden. Ze kwamen op 20 november 2015 rond 23.40 uur aan op de [a-straat] in [plaats] . [betrokkene 3] kwam hier bijna dagelijks.
Uit de historische telefoongegevens blijkt dat de telefoon van [betrokkene 5] op 21 november 2015 tussen 05.29 en 06.21 uur 19 keer een zendmast in [plaats] heeft aangestraald. Daarna heeft deze telefoon een reisbeweging gemaakt van [plaats] naar [plaats] , waar [betrokkene 5] destijds woonde. De eerste zendmast in [plaats] die door [betrokkene 5] telefoon is aangestraald, bevindt zich op een afstand van hemelsbreed ongeveer 1,1 kilometer tot de [a-straat 1] in [plaats] , waar [A] is gevestigd. Voor en na de hiervoor genoemde periode zijn door [betrokkene 5] telefoon vooral zendmasten in [plaats] aangestraald. Uit de telefoongegevens blijkt verder dat [betrokkene 5] in de periode van 20 november 2015 te 21.36 uur tot 21 november 2015 te 07.14 uur contact heeft gehad met [betrokkene 9] , het broertje van [betrokkene 1] .
6.3.5
Ennetcom-berichten
In de periode van 10 oktober 2015 tot 17 november 2015 hebben onder meer de volgende Ennetcom-berichtenwisselingen plaatsgehad tussen [verdachte] , [betrokkene 10] en [betrokkene 1]
Berichten van 10 oktober 2015 tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 1]
[betrokkene 10] : (14:27 uur)
Had [bijnaam betr. 1] wat met je besproken binnen? Op deze telefoon kan je gewoon vrij praten
:
haha. k ben t joh gek! Ik zit open toch [...].Je zou wat voor me klaarleggen, ik zou er eventueel morgen om kunnen rijden
[betrokkene 10] :
Ik sprak met hem, hij zei dat ik je naar een actie kon sturen
:
Ik kan vrij praten toch? Je weet wat ik jou heb uitgelegd binnen, ik heb nu nog even een project, die moet ik nog afhandelen, daarna kan ik jou klus aannemen broer, maar ik had we’ll ff dat gene nodig waar ik je om vroeg, 2 kleine 1 grote alvast, en ik heb ff een nummer nodig van ogen, je weet wie ik bedoel toch
[betrokkene 10] :
Je kan vrij praten. Ik ben broertje van die lange vriend trouwens dat je dat weet. Ben op de hoogte van alles. Ik heb 2 kleine voor je maar helaas geen patronen. Van grote heb ik alles compleet
:
Okeeee! Ik begon al te twijfelen of ik de juiste persoon sprak! Maar er zou laatst nog wat info afgegeven worden, en dat is niet gedaan. Die heb ik we’ll nodig broertje
[betrokkene 10] : (14.46 uur)
Ik ben zn broertje. Ik heb je mailadres aan hem gegeven zodat hij je kon mailen
en voor jezelf extra controle. Die info heb ik voor je
:
Oke, laat hem mij mailen. Het liefst vandaag nog, en laten we morgen afspreken voor die info, het liefst een beetje op tijd, rond 12. Ik moet savonds weer terug zijn in de [ZBBI]
[betrokkene 10] : (14.51 uur)
Oke hij mailt me net toevallig. Heb het doorgegeven
:
Goed zo! Als we morgen af kunnen spreken, zet dan ook gelijk die kleintjes en die grote klaar voor me, die inhoud zoek ik we'II op voor die kleintjes
[betrokkene 10]
: Ok ben zelf in het buitenland. Die jongen die het jou gaat geven die geeft je alle info
:
Weet die jongen mij te bereiken?
[betrokkene 10] : (14:59 uur)
Ja zeker Hij heet [bijnaam 1] hij zal je morgen mailen
Berichten van 10 oktober 2015 tussen [verdachte] en [betrokkene 1]
[verdachte] : (14.56 uur)
Yooooo snelle weet je al hoe deze werkt of niet ??
[betrokkene 1] :
[bijnaam verdachte] ?!
[verdachte] :
Hahahahahaahahhaahhahha faka [bijnaam betr. 1]
[betrokkene 1] :
Okeeee dan!!! Ik dacht al man met wie praat ik net! Want hij wist niet alles, dus wilde dit ding alweer bijna weg donderen, hahaha maar hier is alles goed
[verdachte] :
Nee maak je niet druk ik ben het hij zei me net tekst hem zodat je weet dat het goed zit hoe is het daar nog bekende die [benadeelde 2] sprak iemand hier die zei ej die jet lee is hier en hij is meteen al bezig met trainen hahahahaa
[betrokkene 1] :
Hahahahaaa. gewoon doorgaan toch! Gas erop! En jullie daar dan? Hebbie het alweer opgepikt, of is het nog altijd hetzelfde verhaal, luilekker land haahhahh
[verdachte] :
Ik doe niks dat weet je toch hahahahaha Luister dan hoe snel wil je aan de slag heb nu een mooie voor je kan je meteen aan de slag
[betrokkene 1] :
Je weet toch dat ik nog een project heb, die moet ik eerst afhandelen, dat is een klus die ik al heb aangenomen. En daar heb ik nog even wat tijd voor nodig, ik kan maar beperkt bewegen. Maar zodra die klus is geklaart, neem ik de jouwe
[verdachte] :
Hoe lang denk je dat je klaar bent
[betrokkene 1] :
Weekje of 2, 3 max!
[verdachte] :
Kan je niet snel deze doen en dan die als tweede anders moet ik em aan iemand anders geven voor je het weet komt die gast niet meer naar die plek waar die nu komt
[betrokkene 1] :
Prijs?
[verdachte] :
100
[betrokkene 1] :
25 procent voor af, die 2 kleine en die grote heb ik nodig, en info! Morgen gelijk mee geven aan [bijnaam 1] ! 2 tot 3 weken max. dan trek ik deze we’II voor! Akkoord?
[verdachte] :
Ok wanneer wil je die spullen allemaal hebben?? En die pap en info
[betrokkene 1] :
Ik heb je broertje net gesproken, morgen zou [bijnaam 1] contact met me opnemen. Iaat we het dan allemaal afhandelen, kan ik gelijk aan de slag! ik had doorgegeven het lieft eind van de ochtend. begin van de middag, savonds moet ik weer terug, om 7 uur binnen zijn. En ik heb een nummer nodig van [bijnaam betr. 12]
[verdachte] :
heeft ook zoon ding van me gekregen kan je ze mail geven kan je met em praten maar heb je waggie nodig via hem??
[betrokkene 1] : (15.28 uur)
Ja. geef hem mijn mail. indd. ik heb dat van hem nodig!
[verdachte] : (15:53)
Heeft [bijnaam betr. 12] je gemailt
[betrokkene 1] :
Nee, nog niet. Ik begrijp dat je het hebt doorgegeven. Dus ik wacht het af. Je broertje stuurt net een bericht, ik zei tegen hem dat ik morgen de bericht afwacht, en daarna gelijk naar die persoon toe ga
[verdachte] :
Als je vragen hebt tekst me broertje hij regelt alles verder als ik niet reageer
Berichten van 10 oktober 2015 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 11]
:
Joo broer faka met [bijnaam betr. 12] hoe is et ouwe
[betrokkene 1] :
Heb jij dat ene waar ik om vroeg al voor me klaar staan?
[betrokkene 11] :
Wanneer kom je langs
Berichten van 10 oktober 2015 tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 1]
[betrokkene 10] :
Dit is die jongen die je die spullen gaat geven. Klik op die mailadres dan kan je hem een bericht sturen [e-mailadres code 1]
[betrokkene 1] :
Ok top!
Een bericht van 11 oktober 2015 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4]
[betrokkene 1] : (09.11 uur
) Hey kerel, wij hebben vandaag een afspraak staan. Ik ben om 12 bij jou.
[betrokkene 4] :
Ja klopt bro ik zie je 12 uur je weet waar toch
[betrokkene 1] : (09.58 uur)
Ik heb de adres door gekregen broeder, ik zie je zodalijk
[betrokkene 1] : (11.56 uur)
Ik ben er
[betrokkene 4] :
Oke geef me 5min
[betrokkene 1] :
Ok
[betrokkene 4] : (12.04 uur)
Ben er
[betrokkene 4] : (12.33 uur)
[a-straat 1]
Die rechter en op die andere foto is die ander
Uit het dossier blijkt dat de twee foto's waarover [betrokkene 4] schrijft foto's zijn van de broers [betr. 2 & 3] . De foto van [betrokkene 2] betreft dezelfde foto als door [betrokkene 10] op 19 september 2015 aan [betrokkene 12] is gestuurd.
Berichten van 11 oktober 2015 tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 1]
[betrokkene 10] :
Oke adres heb je toch? Het zijn twee broers waarvan we 1 belangrijker vinden dan de ander. Met baard moeten we hebben. Mochten ze met zn 2 zijn dan moeten allebei weg, maar met baard is ons doel. Ik stuur je hun foto. Als je vragen hebt moet je die stellen.
[betrokkene 1] :
Ik heb alles, alleen ik had begrepen, dat het om 1 persoon ging. Vandaag werd het me pas duidelijk dat het er 2 waren. Maar daar gaan we neem ik aan gewoon samen uitkomen
[betrokkene 10] :
Dit is ons hoofddoel! Is 1 en dezelfde persoon.
Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 10] twee foto's van [betrokkene 3] aan [betrokkene 1] verstuurt.
[betrokkene 10] :
Dit is zn broertje. Op die 1e foto zie je hem zitten met verband om zn pols
Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 10] twee foto’s van [betrokkene 2] aan [betrokkene 1] verstuurt. De eerste foto is de eerder genoemde foto van [betrokkene 2] die door [betrokkene 10] aan [betrokkene 12] is gestuurd en door [betrokkene 4] aan [betrokkene 1] .
[betrokkene 10] :
Ja voor ons is het belangrijk dat die met baard weggaat. Maar als zn broertje daar is, is mooi meegenomen. Daar komen we samen uit
[...]
[betrokkene 1] :
Deze info had ik al Top! Ik had er niet aan getwijfel. Jullie horen vanzelf wanneer ze met pensioen zijn
Berichten van 16 en 17 november 2015 tussen [betrokkene 10] en [betrokkene 1]
: Hev broeder! Ik heb begrepen van de jongens dat ze daar niet meer zijn geweest! Klopt dit?! Heb jij toevallig nog mensen laten kijken? Want dit weekend ben ik er de hele weekend ook bij bro
Hoe dan ook, vanavond zijn mijn jongens daar weer, dan weet je dat ook. Ik moet weer naar binnen, mijn broertje neemt deze tel weer over. Alles is nog goed hier voor de rest
[betrokkene 10] : Hee bro! Hij is binnen
[betrokkene 1] : Ja shit man! Ik hoor net dat die klojo van een neef van me niks heeft georganiseert gisteren avond, ben echt fucking boos op die gozer! Lijk we'II of ik op niemand meer kan rekenen hier. Maar ik snap dat jij daar geen boodschap aan hebt. Zou ik ook niet hebben! Het is nu eenmaal een harde wereld. Wacht alsjeblief maar gewoon tot ik er bij ben broeder. Het is in elk geval goed te horen dat ze er nog zijn, ik ben daar de hele weekend vanaf vrijdag avond. Mochten ze er dit weekend niet zijn, blijf ik weg van de [ZBBI] om dit op te lossen, want ik word momenteel ook aangesproken voor de klus die ik voor de jouwe had aangenomen. Ik heb de hele situatie met [ZBBI] gewoon verkeerd in geschat. Ik heb nog nooit gefaald! En iedereen die mij kent weel dit! Dus ik peins er niet over om hier in te falen. Blijf vertrouwen in me hebben bro!
6.3.6
Betrokkenheid van [betrokkene 1] , [betrokkene 5] en [betrokkene 10]
Op basis van de hiervoor weergeven feiten en Ennetcom-berichten kan allereerst over de betrokkenheid van [betrokkene 10] bij het aan [verdachte] ten laste gelegde het volgende worden vastgesteld. Vanaf 10 oktober 2015 hebben [betrokkene 10] en [betrokkene 1] op verschillende momenten met elkaar overlegd over de (voorbereiding en uitvoering van de) liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] . Uit de genoemde berichtenwisselingen blijkt dat:
- [betrokkene 10] [betrokkene 1] 'naar een actie' wilde sturen;
- hij '2 kleine' (het hof begrijpt: twee pistolen) zonder patronen en een 'grote, alles compleet' (het hof begrijpt: een aanvalsgeweer met munitie) voor [betrokkene 1] had;
- hij vervolgens heeft geregeld dat [betrokkene 4] spullen ging geven aan [betrokkene 1] ;
- [betrokkene 4] en [betrokkene 1] elkaar enkele uren later hebben ontmoet, waarna [betrokkene 4] gelijk het adres van [A] en foto's van de broers [betr. 2 & 3] aan [betrokkene 1] heeft toegestuurd;
- [betrokkene 10] aan [betrokkene 1] heeft uitgelegd dat de [betr. 2 & 3] twee broers zijn, dat de één belangrijker is dan de ander maar dat ze 'allebei weg moeten’ (het hof begrijpt: moeten worden gedood) als ze samen zijn, waarna [betrokkene 1] aan [betrokkene 10] heeft bericht dat hij zal laten weten wanneer de broers [betr. 2 & 3] ‘met pensioen' (het hof begrijpt: gedood) zijn.
Dat [betrokkene 10] het daadwerkelijk gemunt had op het leven van de broers [betr. 2 & 3] vindt ook bevestiging in het feit dat hij is veroordeeld ter zake van betrokkenheid bij de latere liquidatie van [betrokkene 2] en de poging daartoe van diens broer [betrokkene 3] op 31 december 2015 in [plaats] . Voor (onder meer) de uitlokking van deze moord en de poging daartoe is [betrokkene 10] op 23 december 2021 door het hof Arnhem- Leeuwarden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.
Over de betrokkenheid van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] kan op basis van het voorgaande worden vastgesteld dat:
- [betrokkene 1] in de correspondentie met [betrokkene 10] - over de rol van [verdachte] in de correspondentie met [betrokkene 1] komt het hof hierna te spreken - duidelijk heeft gemaakt dat hij de broers [betr. 2 & 3] zou gaan liquideren;
- [betrokkene 1] zich bezig heeft gehouden met het regelen van de wapens ten behoeve van de liquidatie;
- [betrokkene 1] vervolgens op verschillende momenten informatie heeft ontvangen over de broers [betr. 2 & 3] en de plek waar zij te vinden zouden zijn - en waar zij dan dus gedood konden worden;
- [betrokkene 1] op 17 november 2015 aan [betrokkene 10] heeft bericht dat hij er niet over peinsde om te falen: als ‘ze’ (het hof begrijpt: de broers [betr. 2 & 3] ) er dit weekend (het hof stelt vast: het weekend van zaterdag 21 november 2015) niet zijn, zal hij wegblijven van het ‘ [ZBBI] ’ (het hof begrijpt: de Zeer Beperkt Beveiligde Inrichting (ZBBI) waar [betrokkene 1] op dat moment verbleef) om dit op te lossen;
- de man die zich op 21 november 2015 ophield in de nabijheid van [A] , in de tuin van de Hyacinthstraat 55, een rood petje droeg;
- in deze tuin twee automatische vuurwapens zijn aangetroffen;
- op de oorbeschermer/het oordopje die/dat naast deze vuurwapens lag DNA-materiaal van [betrokkene 1] zat;
- op het petje dat is aangetroffen op de route die de vluchtende man had genomen DNA-materiaal van [betrokkene 5] zat;
- de telefoon van [betrokkene 5] op 21 november 2015 tussen 05.29 uur en 06.21 uur in [plaats] was en zich vervolgens verplaatste naar [plaats] , de woonplaats van [betrokkene 5] ; en
- [betrokkene 5] in de periode van 20 november 2015 te 21.36 uur tot 21 november 2015 te 07.14 uur contact heeft gehad met de broer van [betrokkene 1] .
De voorgaande vaststellingen komen er in de kern op neer dat (i) [betrokkene 1] in de periode van 10 oktober 2015 tot 21 november 2015 op verschillende momenten bezig is geweest met de voorbereiding van de liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] , (ii) [betrokkene 1] en [betrokkene 5] zich vervolgens op 21 november 2015 hebben opgehouden nabij [A] , waar de broers [betr. 2 & 3] zich volgens informatie van [betrokkene 4] mogelijk zouden ophouden - en waar zij die avond ook daadwerkelijk waren - en (iii) waar zij vervolgens met twee automatische vuurwapens, beide voorzien van 29 patronen in het magazijn en één patroon in de kamer, hebben staan wachten op de komst van de broers [betr. 2 & 3] om hen onder vuur te nemen. Deze gedragingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] - die in tijd en plaats zeer dicht bij de voltooiing van de voorgenomen liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] lagen - zijn zozeer gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf dat deze kunnen worden aangemerkt als een begin van uitvoering hiervan. Dat betekent dat [betrokkene 1] en [betrokkene 5] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van een poging tot moord op de broers [betr. 2 & 3] .
Het hof merkt op dat het hof Arnhem- Leeuwarden in het genoemde arrest van 23 december 2021 [betrokkene 1] heeft veroordeeld ter zake van (het medeplegen van) de voorbereiding van (het medeplegen van) moord en niet de poging daartoe. Aan [betrokkene 1] was in die strafzaak echter alleen die eerste variant ten laste gelegd. De vraag of de gedragingen van [betrokkene 1] ook konden worden aangemerkt als (het medeplegen van) een poging tot moord lag aan het hof Arnhem- Leeuwarden dus niet voor.
6.3.7
Betrokkenheid [verdachte]
Dan is de vraag welke duiding moet worden gegeven aan de Ennetcom-berichtenwisselingen tussen [verdachte] en [betrokkene 1] op 10 oktober 2015. Volgens de verdediging zagen deze berichten op een incasso-opdracht; volgens de advocaat-generaal op de liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] .
Uit de hiervoor weergegeven berichtenwisselingen tussen enerzijds [betrokkene 10] en [betrokkene 1] en anderzijds [verdachte] en [betrokkene 1] blijkt het volgende:
- Op 10 oktober 2015 hebben [betrokkene 10] en [betrokkene 1] door middel van Ennetcom-berichten contact met elkaar gehad. [betrokkene 1] verkeerde aanvankelijk in de veronderstelling dat hij contact had met [verdachte] ; hij vroeg [betrokkene 10] immers of deze ‘ [bijnaam verdachte] ’ (de bijnaam die [betrokkene 1] in het latere mailcontact met [verdachte] voor hem gebruikte) was.
- [betrokkene 1] schreef aan [betrokkene 10] (naar hij dus dacht: [verdachte] ) dat hij nog even een project moest afhandelen, maar dat hij daarna de klus van [verdachte] kon aannemen. Daarbij gaf [betrokkene 1] aan dat hij wel datgene nodig had waar hij om vroeg: '2 kleine 1 grote’ (het hof begrijpt: twee pistolen en een aanvalsgeweer) alvast.
- Om 14.46 uur werd het voor [betrokkene 1] duidelijk dat hij contact had met [betrokkene 10] . [betrokkene 10] berichtte vervolgens aan [betrokkene 1] dat hij diens e-mailadres aan [verdachte] had gegeven, zodat [verdachte] [betrokkene 1] kon mailen. [betrokkene 1] verzocht [betrokkene 10] vervolgens ook om [verdachte] te vragen hem te mailen.
- [betrokkene 10] reageerde om 14.51 uur dat [verdachte] toevallig net mailde en dat hij het had doorgegeven. Verder berichtte [betrokkene 10] aan [betrokkene 1] hij zelf in het buitenland was: de jongen die 'het’ aan [betrokkene 1] zou geven en die hem ook alle info zou geven - ’ [bijnaam 1] ’ - zou hem morgen gaan mailen.
- Terwijl [betrokkene 10] en [betrokkene 1] nog met elkaar aan het mailen waren, nam [verdachte] - om 14.56 uur - met een Ennetcom-bericht contact op met [betrokkene 1] . [verdachte] berichtte [betrokkene 1] dat [betrokkene 10] hem zojuist had gevraagd om met [betrokkene 1] contact op te nemen, zodat die zou weten dat het goed zat.
- Vervolgens stelde [verdachte] aan [betrokkene 1] de vraag hoe snel hij aan de slag wilde, met de mededeling dat hij een mooie klus voor hem had en dat [betrokkene 1] meteen aan de slag kon. Het was van belang dat [betrokkene 1] deze klus met voorrang oppakte, want ‘voor je het weet komt die gast niet meer naar die plek waar die nu komt'.
- [verdachte] en [betrokkene 1] kwamen vervolgens voor de klus een prijs van 100 (het hof begrijpt: honderdduizend euro) overeen. [betrokkene 1] berichtte [verdachte] dat hij 25 procent vooraf wilde ontvangen en dat hij de twee pistolen, een aanvalsgeweer en info nodig had. Morgen moest dit gelijk worden meegegeven aan ‘ [bijnaam 1] '. Hij zou deze klus dan wel voortrekken voor de andere klus. Op de vraag van [verdachte] wanneer [betrokkene 1] ‘die spullen‘ (de vuurwapens dus), de 'pap' (het hof begrijpt: het papier, oftewel: het geld) en de info wilde hebben, antwoordde [betrokkene 1] dat hij [betrokkene 10] net had gesproken en dat ‘ [bijnaam 1] ‘ morgen met hem contact zou opnemen: daarna kon hij gelijk aan de slag.
- [verdachte] sloot het mailcontact af met de opmerking dat [betrokkene 1] bij vragen [betrokkene 10] moest teksten, die alles verder regelde als hijzelf niet reageerde. Anders dan door de verdediging is betoogd, begrijpt het hof deze opmerking aldus dat [verdachte] [betrokkene 1] zonder verdere beperkingen instrueerde om bij verdere vragen met [betrokkene 10] contact op te nemen. De zinssnede ‘als ik niet reageer' volgt immers na de zinssnede ‘hij regelt alles verder’ en niet na de zinssnede 'Als je vragen hebt tekst me broertje'. Uit de beschikbare berichtenwisselingen blijkt ook dat [betrokkene 1] vanaf dat moment het contact met [betrokkene 10] onderhield.
Uit het voorgaande blijkt dus dat (i) [betrokkene 10] en [verdachte] op dezelfde dag en op een gegeven moment zelfs tegelijkertijd, met [betrokkene 1] contact hadden over een klus, (ii) [betrokkene 10] en [verdachte] in het mailcontact met [betrokkene 1] expliciet naar elkaar verwezen, (iii) [betrokkene 1] in het mailcontact met zowel [betrokkene 10] als [verdachte] kenbaar maakte dat hij twee pistolen en een aanvalsgeweer wilde hebben. (iv) zowel [betrokkene 10] als [verdachte] voor het verkrijgen van verdere informatie ten behoeve van de klus verwezen naar ' [bijnaam 1] ' en (v) [verdachte] [betrokkene 1] uiteindelijk voor verdere vragen verwees naar [betrokkene 10] . Onder deze omstandigheden is voor het hof buiten elke twijfel verheven dat [verdachte] en [betrokkene 10] over dezelfde klus contact hadden met [betrokkene 1] . Zoals hiervoor is vastgesteld, betrof deze klus de opdracht tot liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] .
Dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] aanleiding zou hebben om de broers [betr. 2 & 3] iets aan te doen, zoals door de verdediging is betoogd, volgt het hof niet. Daargelaten dat in het dossier informatie is opgenomen dat het gerucht ging dat de broers [betr. 2 & 3] [verdachte] op 29 december 2012 zouden hebben gelokt naar de [stadswijk] - waar [verdachte] vervolgens onder vuur is genomen, geldt dat in het dossier verschillende berichten zijn opgenomen waaruit blijkt dat [verdachte] een grote afkeer koesterde jegens de broers [betr. 2 & 3] . Zo schreef [verdachte] op 15 augustus 2015 aan [betrokkene 13] dat hij de broers [betr. 2 & 3] ‘uit het diepste van me hart haat’ en dat hij hen 'gaat neuken’, waarop [betrokkene 13] reageerde dat 'die wel komen' en dat die nog maar even 'in angst moesten leven'. Op 18 augustus 2015 schreef [verdachte] aan [betrokkene 13] dat hij 'gewoon moet kotsen' van hen ('kk honden flikkers'), waarop [betrokkene 13] herhaalde dat 'die wel komen’ met de toevoeging dat ze hen 'direct zullen geven' zodra ze vrij gaan bewegen. Bij de duiding van de relatie tussen [verdachte] en de broers [betr. 2 & 3] is tot slot ook niet zonder betekenis dat, zoals hiervoor al is opgemerkt, [betrokkene 10] - degene dus die samen met [verdachte] het contact met [betrokkene 1] over de klus onderhield - is veroordeeld voor het, enkele maanden later, uitlokken van de (poging tot) moord op de broers [betr. 2 & 3] .
Aan het voorgaande kan evenmin afdoen dat uit het dossier blijkt dat, zoals door de verdediging op zich terecht is opgemerkt, in het najaar van 2015 ook verschillende andere personen een belang zouden kunnen hebben gehad bij de liquidatie van de broers [betr. 2 & 3] . Dit gegeven staat immers geheel los van de vaststelling dat (ook) [verdachte] deze wens had. Evenmin kan aan het voorgaande afdoen wat de verdediging heeft opgemerkt over de met [betrokkene 1] voor de liquidatie overeengekomen prijs van honderdduizend euro. Voor zover uit de door de verdediging genoemde berichten (randnummer 146 van de pleitnota) kan worden afgeleid dat er voor de daadwerkelijke liquidatie van [betrokkene 2] op 31 december 2015 een prijs van 75 duizend euro is overeengekomen, zegt dit immers niets over de prijs die [betrokkene 1] voor zijn diensten (in totaal) zou ontvangen.
Wat hiervoor is overwogen leidt tot de conclusie dat het door [verdachte] gepresenteerde scenario dat hij op 10 oktober 2015 met [betrokkene 1] contact onderhield over een incasso-opdracht niet te rijmen is met de bewijsmiddelen. Dit scenario is dus niet aannemelijk geworden. Ook overigens is in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting geen enkele steun voor het bestaan van een dergelijke incasso-opdracht te vinden. [betrokkene 1] heeft weliswaar ter terechtzitting in hoger beroep ten overstaan van het hof als getuige over een incasso-opdracht verklaard, maar hij heeft deze verklaring - nadat het hof op vordering van de advocaat-generaal een proces-verbaal verdenking meineed had opgemaakt - herroepen.
De vraag is vervolgens hoe de gedragingen van [verdachte] in het Iicht van de verschillende onder 2 ten laste gelegde varianten dient te worden beoordeeld.
(…)
6.3.10
Meer subsidiair ten laste gelegde
Het hof dient tot slot te beoordelen of kan worden bewezen dat [verdachte] [betrokkene 1] samen met anderen heeft uitgelokt tot (het medeplegen van) de voorbereiding van moord door het vervaardigen, verwerven en/of voorhanden hebben van de in de tenlastelegging genoemde voorbereidingsmiddelen.
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is. Het opzet van [verdachte] was immers niet gericht op het teweegbrengen van voorbereidingshandelingen, maar - uitgaande van het scenario van het Openbaar Ministerie - op het teweegbrengen van moord.
Op grond van artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1, Sr is als dader strafbaar degene die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokt. Het opzet van de uitlokker moet zijn gericht op zowel het aanzetten van een ander een delict te begaan als op het delict zelf. Dat delict moet vervolgens ook hebben plaatsgevonden, dan wel moet daartoe een strafbare poging zijn ondernomen of moet het strafbaar zijn voorbereid. Uit het tweede lid van artikel 47 Sr Pro volgt dat dat de uitlokker alleen kan worden gestraft voor de gedragingen van de uitgelokte waarop zijn opzet was gericht. Uit de onder 6.3.5 opgenomen Ennetcom-berichten blijkt dat [verdachte] [betrokkene 1] heeft benaderd om de broers [betr. 2 & 3] te vermoorden, waarbij hij aan [betrokkene 1] een groot geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld als deze de klus zou voltooien. [verdachte] heeft [betrokkene 1] voor de informatie die hij nodig had voor de uitvoering van de klus verwezen naar [betrokkene 10] , die verder alles zou regelen. [betrokkene 1] is hierna op verschillende momenten bezig geweest met het voorbereiden van de moord op de broers [betr. 2 & 3] en heeft daartoe contact gehad met [betrokkene 10] en andere personen. [betrokkene 1] is ook betrokken geweest bij het regelen van de wapens ten behoeve van de liquidatie. Uiteindelijk is het op 21 november 2015 gekomen tot de poging van [betrokkene 1] en [betrokkene 5] om de broers [betr. 2 & 3] te vermoorden. zoals hiervoor uiteengezet.
Uit het voorgaande blijkt dus dat [verdachte] opzet had op het aanzetten van [betrokkene 1] tot het vermoorden van de broers [betr. 2 & 3] . Daarbij was duidelijk dat [betrokkene 1] - en zijn (eventuele) mede-uitvoerder - gebruik zou maken van (al dan niet automatische) vuurwapens. Dit betekent dat het opzet van [verdachte] ook was gericht op deze ten laste gelegde voorbereidingshandelingen door [betrokkene 1] en [betrokkene 5] - te weten het voorhanden hebben van de automatische vuurwapens - die immers onmiskenbaar noodzakelijk waren voor, en vooraf zouden gaan aan de voorgenomen liquidatie. Ten aanzien van de op de tenlastelegging genoemde foto’s/afbeeldingen van de broers [betr. 2 & 3] en het adres van [A] geldt dat deze - nog daargelaten dat een adres niet kan worden beschouwd als een voorbereidingsmiddel als bedoeld in artikel 46 Sr Pro - niet waren bestemd tot het begaan van het misdrijf en (ook) om die reden niet zijn aan te merken als een dergelijk voorbereidingsmiddel. Van deze onderdelen dient dus vrijspraak te volgen.
Het hof komt dan ook tot de conclusie dat bewezen kan worden verklaard dat [verdachte] tezamen met [betrokkene 10] , [betrokkene 1] . door aan hem een groot geldbedrag in het vooruitzicht te stellen, heeft uitgelokt tot het voorbanden hebben van automatische vuurwapens met bijbehorende munitie die bestemd waren voor (het medeplegen van) de moord op de broers [betr. 2 & 3] . Het meer subsidiair ten laste gelegde kan dus worden bewezen verklaard.”
3.5
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het hof onvoldoende redengevende feiten en omstandigheden heeft opgenomen in het arrest die de conclusie rechtvaardigen dat de door de verdachte - intellectuele en/of materiële bijdrage - van voldoende gewicht is geweest om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking met [betrokkene 10] . Daarbij is volgens de stellers van het middel in het bijzonder van belang dat uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte pas contact opnam met [betrokkene 1] op het moment dat de medeverdachte [betrokkene 10] reeds afspraken had gemaakt over de aan te nemen klus. De enkele vaststelling dat de verdachte op 10 oktober 2015 een handjevol berichten heeft gewisseld met [betrokkene 1] op het moment dat [betrokkene 1] reeds op aangeven van [betrokkene 10] een klus had aangenomen, zou onvoldoende redengevend zijn voor het oordeel dat de bijdrage van de verdachte aan de uitlokking van voldoende gewicht is geweest.
3.6
Uit de bewijsvoering van het hof blijkt dat de verdachte en [betrokkene 1] “binnen” (ik begrijp: in de penitentiaire inrichting) reeds contact hebben gehad over een klus die [betrokkene 1] voor de verdachte zou kunnen doen. Dit volgt uit de door het hof aangehaalde Ennetcom-berichten en de vaststellingen van het hof dat [betrokkene 10] en [betrokkene 1] op 10 oktober 2015 via PGP-berichten contact met elkaar hebben en dat [betrokkene 1] eerst in de veronderstelling verkeerde dat hij contact met de verdachte had, waarbij [betrokkene 1] aan [betrokkene 10] (maar hij dacht dus de verdachte) berichtte: “Je weet wat ik jou heb uitgelegd binnen, ik heb nu nog even een project, die moet ik nog afhandelen, daarna kan ik jou klus aannemen broer”. Voor zover het middel tot uitgangspunt neemt dat uit de bewijsvoering volgt dat de verdachte pas contact opnam met [betrokkene 1] op het moment dat de medeverdachte [betrokkene 10] reeds afspraken had gemaakt over de aan te nemen klus, ontbeert het feitelijke grondslag.
3.7
Samengevat houden de vaststellingen van het hof over de rol van de verdachte in dat (i) de verdachte “binnen” met [betrokkene 1] heeft gesproken over het uitvoeren van “de klus”, (ii) dat de verdachte met [betrokkene 1] heeft afgestemd dat [betrokkene 1] de klus met voorrang zal oppakken, (iii) de verdachte en [betrokkene 1] een bedrag van 100.000 euro overeenkomen voor het uitvoeren van de klus en (iv) dat de verdachte [betrokkene 1] voor de informatie die hij nodig had voor de verdere uitvoering van de klus verwijst naar de medeverdachte [betrokkene 10] . Het hierop gebaseerde oordeel van het hof dat de intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte voldoende is om hem als medepleger van de uitlokking van de liquidatie van de gebroeders [betr. 2 & 3] te kunnen aanmerken, acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.8
Het eerste middel faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het hof dat het feit ‘door giften’ is uitgelokt. Dit oordeel van het hof zou onbegrijpelijk zijn omdat het hof heeft vastgesteld dat [betrokkene 1] en/of zijn mededader op het moment van uitlokking een goot geldbedrag ‘in het vooruitzicht’ is gesteld, maar niet dat zij enig geldbedrag heeft/hebben ontvangen en uit de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen en bewijsvoering ook niet blijkt van redengevende feiten en omstandigheden voor het bewezenverklaarde uitlokkingsmiddel ‘giften’.
4.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 meer subsidiair bewezenverklaard dat:
“ [betrokkene 1] op 21 november 2015 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, ter voorbereiding van het met een ander te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord (als bedoeld in de artikelen 289 van het Wetboek van Strafrecht), te plegen tegen [betrokkene 2] en [betrokkene 2] , opzettelijk automatische vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad, kennelijk bestemd tot het in vereniging begaan van dat misdrijf, welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met een ander, in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 21 november 2015 in Nederland door giften opzettelijk heeft uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader een groot geldbedrag in het vooruitzicht gesteld.”.
4.3
Dit feit was als volg tenlastegelegd:
“ [betrokkene 1] op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 oktober 2015 tot en met 21 november 2015 te [plaats] en of [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en, althans alleen,
ter voorbereiding van het met (een) ander(en) te plegen misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord c.q. doodslag (als bedoeld in de artikelen 289 c.q. 287 van liet Wetboek van Strafrecht), te plegen tegen [betrokkene 2] en/of [betrokkene 2] , opzettelijk (onder meer)
- (een) (automatisch(e) vuurwapen(s) en/of munitie (een of meer (twee) Kalasjnikov (s) tvpe AK47 en/of bijbehorende munitie) en/of
- een of meer foto(s) en/of afbeelding(en) van die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 2] en/of
- een adres van een shisha lounge aan de [a-straat] te [plaats] waar die [betrokkene 2] en/of [betrokkene 2] regelmatig verbleven,
heeft verworven en/of vervaardigd en/of ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd en/of voorhanden heeft gehad, (kennelijk) bestemd tot het (in vereniging) begaan van dat misdrijf
welk feit verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,
op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2015 tot en met 21 november 2015 te [plaats] en/of [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of Marokko,
door giften en/of beloften en/of misbruik van gezag en/of geweld en/of bedreiging en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen, opzettelijk heeft uitgelokt, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) (onder meer)
- een (groot) geldbedrag in het vooruitzicht gesteld en/of
- een of meer goederen (een of meer vuurwapens en/of een auto (waggie)) in het vooruitzicht gesteld en/of
-(andere) wapens) laten afgeven en/of ter beschikking gesteld
- en/of een of meer foto(s) en/of afbeelding(en) en/of adresgegevens en/of verblijfplaatsen van de beoogde slachtoffers ter beschikking (laten) stellen en/of verstrekt en/of
- contactgegevens om een auto te verkrijgen ter beschikking gesteld en/of te verstrekt.”
4.4
Bij de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Art. 47 lid 1 onder Pro 2 Sr bepaalt dat als daders van een strafbaar feit worden gestraft zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken. De overeenkomst tussen de gift en de belofte bestaat hierin dat bij zowel de gift als de belofte een overeenkomst bestaat tussen de uitlokker en de uitgelokte. Bij de gift gaat het om een prestatie van de uitlokker waartegenover een tegenprestatie van de uitgelokte staat, namelijk het plegen van het strafbare feit. De belofte behelst een toezegging van de uitlokker waardoor de uitgelokte wordt bewogen het strafbare feit te plegen. [4]
4.5
Het hof heeft – samengevat – bewezenverklaard dat de verdachte, samen met anderen, [betrokkene 1] en zijn mededader door giften heeft uitgelokt tot het voorbereiden van de moord op de broers [betr. 2 & 3] door een groot geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Het hof heeft in de nadere bewijsoverwegingen vastgesteld dat de verdachte [betrokkene 1] heeft benaderd om de broers [betr. 2 & 3] te vermoorden, waarbij hij aan [betrokkene 1] een groot geldbedrag in het vooruitzicht heeft gesteld als deze de klus zou voltooien. Het hof heeft in dat verband verder vastgesteld dat de verdachte en [betrokkene 1] een prijs van 100.000 euro hebben afgesproken voor de klus en dat [betrokkene 1] 25 procent vooraf wilde, waarbij het hof niet heeft vastgesteld dat dit voorschot daadwerkelijk is betaald.
4.6
De bewijsvoering laat er mijn inziens geen twijfel over bestaan dat naar het oordeel van het hof [betrokkene 1] door de verdachte is uitgelokt op het moment dat hij met de verdachte een prijs van 100.000 euro overeenkwam voor de moord op de broers [betr. 2 & 3] . Van een gift was derhalve op het tijdstip van de uitlokking geen sprake. Uit de bewezenverklaring zelf volgt duidelijk dat [betrokkene 1] is uitgelokt door het in het vooruitzicht gestelde geldbedrag, dus door een belofte. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte bewezen heeft verklaard dat [betrokkene 1] is uitgelokt ‘door giften’ is het terecht voorgesteld.
4.7
Er bestaat naar mijn mening echter geen belang bij vernietiging van het arrest op dit punt en terugwijzing van de zaak naar het hof. Zoals gezegd, heeft het hof de feitelijke uitwerking van de uitlokking bewezenverklaard, namelijk “een groot geldbedrag in het vooruitzicht gesteld”. Over dit deel van de bewezenverklaring wordt in cassatie niet geklaagd. Deze feitelijkheid alsnog in de bewezenverklaring indelen bij het juiste tenlastegelegde uitlokkingsmiddel ‘beloften’ tast de aard en ernst van het bewezenverklaarde in zijn geheel beschouwd niet aan. [5]
4.8
Het middel kan niet tot cassatie leiden.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel komt op tegen het onder 5 bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het hof ten onrechte de overdracht van een geldbedrag van € 75.000,- heeft gekwalificeerd als zowel een gift als een belofte.
5.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte onder 5 bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 augustus 2015 tot en met 29 september 2015 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, heeft gepoogd om een of meer NN-personen, in de chats aangeduid als ‘de [bijnaam 2] ’, door in artikel 47, eerste lid, onder 2 van het Wetboek van Strafrecht vermelde middelen, te weten door een gift en een belofte te bewegen tot het in vereniging plegen van het opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven te beroven van [benadeelde 1] en [benadeelde 2] , door aan die NN-personen, in de chats aangeduid als ‘de [bijnaam 2] ’, een bedrag van € 75.000.- over te dragen als voorschot.”
5.3
Het hof heeft in het bestreden arrest ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde onder meer het volgende overwogen:

6.2.5. Uitleg van de berichten
Mede in het licht van hetgeen over [benadeelde 1] en [benadeelde 2] is beschreven leidt het hof uit de hierboven aangehaalde berichten af dat door in elk geval [verdachte] het plan is opgevat om [benadeelde 1] en [benadeelde 2] om het leven te laten brengen. Daarover heeft hij in de gevangenis contact gehad met zijn medegedetineerde [betrokkene 14] , die behoorde tot de zogeheten ‘ [bijnaam 2] ’. [verdachte] heeft afgesproken dat de (verder onbekend gebleven) ‘ [bijnaam 2] ’ [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor € 500.000,00 zouden vermoorden. Ze vroegen € 100.000,00 als voorschot. Dit laat [verdachte] weten aan [betrokkene 13] . Aan [betrokkene 13] legt [verdachte] uit waarom ook [benadeelde 1] dood moet. [betrokkene 13] raakt daarvan onmiddellijk overtuigd en deelt dat ook met [betrokkene 10] en [betrokkene 12] , die ook instemmen met het plan. Voordat alles in gang gezet kan worden is er wel de goedkeuring nodig van [betrokkene 15] , die kennelijk als de 'grote baas' kan worden aangemerkt. Hij is uiteindelijk akkoord gegaan, maar heeft gezegd dat er € 75.000,00 als voorschot moet worden betaald. [betrokkene 13] heeft vervolgens met [medeverdachte] afgesproken dat hij dat geld, dat bedoeld is voor de ‘hitters’, afgeeft. Uit de berichten blijkt dat [medeverdachte] dat uiteindelijk ook heeft gedaan. Ondertussen heeft [verdachte] met [betrokkene 16] geregeld dat hij bij ' [bijnaam betr. 12] ’ een foto van [benadeelde 2] ophaalt, waarbij [verdachte] ook aankondigt dat het adres van [benadeelde 2] en een bedrag van € 100.000.00 (barkie doezoe’) - welk bedrag dus overeenkomt met het bedrag dat [verdachte] kort daarvoor aan [betrokkene 13] noemde - aan [betrokkene 17] zullen worden gegeven, die dan moeten worden afgegeven.
Achteraf kan worden vastgesteld dat [benadeelde 1] en [benadeelde 2] niet om het leven zijn gebracht. Uit het dossier blijkt evenmin dat het tot een begin van uitvoering is gekomen van dit misdrijf waarop de gedragingen van [verdachte] en zijn mededaders waren gericht.
Genoemde feiten en omstandigheden zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [verdachte] tezamen en in vereniging met anderen heeft gepoogd, door het betalen van € 75.000,00, één of meer personen te bewegen tot de moord op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] . Ten aanzien van het medeplegen overweegt het hof dat, zoals volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen, tussen [verdachte] , [betrokkene 10] , [betrokkene 13] , [betrokkene 12] en [betrokkene 15] sprake was van zodanige nauwe en bewuste samenwerken dat sprake is van medeplegen.”
5.4
Samengevat heeft het hof onder 5 bewezenverklaard dat de verdachte samen met anderen heeft gepoogd om anderen door beloften en giften te bewegen om het medeplegen van moord op [benadeelde 1] en [benadeelde 2] te begaan, door een voorschot van € 75.000,- over te dragen. Het hof heeft daartoe in het bestreden arrest vastgesteld dat de verdachte en de ‘ [bijnaam 2] ’ overeen zijn gekomen dat de [bijnaam 2] [benadeelde 1] en [benadeelde 2] voor € 500.000,- zouden vermoorden. Het hof heeft verder vastgesteld dat uit de berichten blijkt dat een bedrag van € 75.000,- (door een medeverdachte) als voorschot is afgegeven. Het hof heeft op grond hiervan geoordeeld en kunnen oordelen dat de poging tot uitlokking is gedaan door zowel een belofte als een gift. Dat in de bewezenverklaring als feitelijke uitwerking alleen is opgenomen dat een voorschot van € 75.000,- is overgedragen, maakt dat niet anders. Aan het tenlastegelegde begrip ‘gift’ komt voldoende feitelijke betekenis toe, zodat dit niet nader behoeft te worden omschreven in de tenlastelegging.
5.5
De in de toelichting op het middel gemaakte vergelijking met de arresten HR 27 maart 1973,
NJ1973/248 en HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309 gaat niet op. In deze arresten heeft de Hoge Raad geoordeeld dat “een in het vooruitzicht gestelde en daadwerkelijk ook gegeven beloning (…) niet tegelijkertijd [kan] worden aangemerkt als zowel een belofte als een gift waardoor het feit is uitgelokt.” In de zaken die ten grondslag lagen aan deze arresten ging het echter niet om een poging tot uitlokking, maar om een geslaagde uitlokking waarbij een in het vooruitzicht gestelde beloning na het begaan van het uitgelokte feit ook geheel was uitbetaald. Daar is in de onderhavige zaak geen sprake van.
5.6
Het derde middel faalt..

6.Het vierde middel

6.1
Het vierde middel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde feit en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte in de (volledig) bewezenverklaarde periode heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, althans dat de verwerping van het verweer dat de verdachte na 10 oktober 2015 niet meer heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, onbegrijpelijk is.
6.2
Aan de verdachte was onder feit 1 tenlastegelegd dat:
“hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 20 juni 2014 tot en met 30 april 2016 te [plaats] en/of elders in Nederland, althans in Nederland en/of Duitsland en/of Marokko, heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit hem, verdachte, en/of (onder meer) [betrokkene 12] en/of [betrokkene 10] en/of [betrokkene 18] en/of [betrokkene 19] en/of [betrokkene 17] en/of [betrokkene 20] en/of [betrokkene 13] en/of [betrokkene 15] en/of een of meerdere gebruikers van accounts van ennetcom, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (in elk geval/onder meer)
- moord (als bedoeld in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht) en/of
- doodslag (als bedoeld in artikel 287 Wetboek Pro van Strafrecht);”
6.3
Daarvan heeft het hof bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 2 augustus 2015 tot en met 21 november 2015 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie bestaande uit hem, verdachte, [betrokkene 12] , [betrokkene 10] . [betrokkene 20] . [betrokkene 13] en [betrokkene 15] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te welen moord (als bedoeld in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht);”
6.4
Namens de verdachte is in hoger beroep aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte voor 2 augustus 2015 en na 22 oktober 2015 heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. De pleitnota houdt in dat verband in (met weglating van voetnoten):
“Periode
337. Mocht uw gerechtshof desalniettemin tot de conclusie komen dat cliënt deelnemer is geweest van het hier aan de orde zijnde samenwerkingsverband, dan verzoeken wij de te bewezen te verklaren periode te beperken tot de periode waarin cliënt de gebruiker is geweest van het bekende Ennetcomaccount.
338. In eerste aanleg is het openbaar ministerie op een wel heel gekunstelde manier tot de conclusie dat cliënt voor de gehele periode zou moeten worden veroordeeld. Die bewijsconstructie is ‘aan de voorkant’ gebaseerd op de eerder besproken telefoongesprekken van [betrokkene 21] in 2013. Het totale gebrek aan redengevende bewijskracht van die telefoongesprekken hebben wij aan het begin van ons pleidooi besproken. Wij constateren dat het openbaar ministerie deze gedachtegang in hoger beroep heeft laten varen. Wij verwijzen uw gerechtshof dan ook naar randnummers 32-38 van dit pleidooi en volstaan met de conclusie dat op basis van enkel deze telefoongesprekken niet kan worden geconcludeerd dat cliënt vanaf 20 juni 2014 deelnemer was.
339. Aan ‘de achterkant’ haalde het openbaar ministerie vier gebeurtenissen aan: [betrokkene 1] die op 21 november 2015 in [plaats] wordt overlopen, [betrokkene 1] die vanaf 8 januari 2016 op zoek lijkt te gaan naar [betrokkene 24] , een notitie van 11 januari 2016 over het dichter bij ‘ [betrokkene 22] ' komen en de aanslag op [betrokkene 23] op 3 april 2016. Enig verband tussen de notitie en cliënt ontbreekt, terwijl cliënt ook geen verdachte is geweest in onderzoek IJshamer (waarin inmiddels vier personen onherroepelijk zijn veroordeeld). In hoger beroep valt het openbaar ministerie terug op 21 november 2015.
340. Ook die gebeurtenis is echter onvoldoende indringend om als eindpunt van de deelname te kunnen aanmerken. Zoals uitvoerig besproken, heeft cliënt na 10 oktober 2015 geen aantoonbare bemoeienis gehad met de gebeurtenissen van 21 november 2015.
341. Gelet daarop, bevat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat cliënt vóór 2 augustus en na 22 oktober 2015 deelnemer is geweest van het tenlastegelegde samenwerkingsverband. Om die reden verzoeken wij uw gerechtshof subsidiair de bewezen te verklaren periode te beperken tot de periode tussen 2 augustus en 22 oktober 2015.”
6.5
Het hof heeft dit verweer verworpen voor zover het strekt tot vrijspraak van de tenlastegelegde periode na 22 oktober 2015. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen:

6.4.8 Periode
Het hof hanteert, overeenkomstig het standpunt van de verdediging, als startdatum voor deelneming door [verdachte] aan de criminele organisatie 2 augustus 2015. Als einddatum geldt echter 21 november 2015, de dag waarop [betrokkene 1] met een ander heeft geprobeerd de broers [betr. 2 & 3] dood te schieten. [verdachte] heeft over dit plan weliswaar niet meer gecommuniceerd na 10 oktober 2015, maar uit zijn voorafgaande handelen - waaruit blijkt dat hij de verdere uitvoering aan [betrokkene 10] heeft overgelaten - volgt dat hij ook toen nog deel uitmaakte van de organisatie. Uit niets blijkt dat hij voorafgaand aan de door hem geïnitieerde moordpoging op de broers [betr. 2 & 3] afstand heeft genomen van de organisatie: het beweerdelijk wegdoen van de PGP-telefoon is voor die conclusie in elk geval onvoldoende.”
6.6
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 2 augustus 2015 tot en met 21 november 2015 heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Hoewel een dergelijke bewezenverklaring doorgaans niet betekent dat de verdachte gedurende de gehele periode de hem verweten handelingen heeft verricht [6] , meen ik dat het hof bij de verwerping van het verweer tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte ook in de periode van 10 oktober 2015 tot en met 21 november 2015, de dag waarop [betrokkene 1] met een ander heeft getracht om de broers [betr. 2 & 3] dood te schieten, heeft deelgenomen aan de criminele organisatie. Het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat niet blijkt dat de verdachte voorafgaand aan de door hem geïnitieerde moordpoging op de broer [betr. 2 & 3] afstand heeft genomen van de organisatie. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat uit de bewijsvoering van het hof niet blijkt dat de verdachte na 10 oktober nog heeft gecommuniceerd over het plan om de broers [betr. 2 & 3] te laten vermoorden. De gedragingen van de verdachte reikten tot en met de mede door hem geïnitieerde poging van [betrokkene 1] om met een ander de broers [betr. 2 & 3] te vermoorden en strekten derhalve tot en met 21 november 2021 tot de verwezenlijking van het oogmerk als bedoeld in art. 140 Sr Pro.
6.7
Het vierde middel faalt.

7.Afronding

7.1
Het eerste, derde en vierde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het tweede middel leidt niet tot cassatie.
7.2
Ambtshalve merk ik het volgende op. Het hof heeft het onder 5 bewezenverklaarde feit gekwalificeerd als “medeplegen van poging tot uitlokking van het medeplegen van moord, meermalen gepleegd”. Duidelijk is dat het hof bij deze kwalificatie het bepaalde van art. 46a Sr voor ogen had. Gelet op de tekst van art. 46a Sr had die kwalificatie moeten luidden: “medeplegen van een poging om een ander door beloften en giften te bewegen om het medeplegen van moord te begaan, meermalen gepleegd”. De Hoge Raad kan deze kwalificatie verbeterd lezen.
7.3
Verder merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep op 24 oktober 2024. Dat betekent in dit geval dat inbreuk is gemaakt op het in artikel 6 lid 1 EVRM Pro gegarandeerde recht om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Op basis van bestendige rechtspraak leidt dit tot strafvermindering.
7.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Op de door het hof gegeven kwalificatie aan het onder 5 bewezenverklaarde feit kom ik bij de afronding terug.
3.In deze zaak heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 april 2026 het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.
4.A.N. Kesteloo,
5.Overigens is niet uitgesloten dat de Hoge Raad zelf in de zaak voorziet en de bewezenverklaring aanpast, vgl. HR 24 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3309.
6.HR 28 september 2021, ECLI:NL:HR:2021:1399, rov 2.3, onder verwijzing naar HR 2 juli 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3728.