ECLI:NL:PHR:2026:695

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
4 juli 2026
Zaaknummer
25/01265
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 SrArt. 138ab SrArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplichtigheid aan voorbereiding moord en uitlokking computervredebreuk bij afpersingszaak fruitbedrijf

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden wegens medeplichtigheid aan medeplegen van voorbereiding van moord, medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, en medeplegen van uitlokking van computervredebreuk. De feiten betreffen een afpersingszaak tegen een fruitbedrijf in Hedel, waarbij na de vondst van cocaïne in een bananenlading meerdere woningaanslagen plaatsvonden op adressen van personeelsleden.

De verdachte had via een medewerker van een verzekeringsmaatschappij (medeverdachte 3) persoonsgegevens verkregen uit de Basisregistratie Personen (BRP) en deze doorgegeven aan opdrachtgevers die aanslagen voorbereidden. Het hof achtte bewezen dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat deze gegevens zouden worden gebruikt voor gewelddadige aanslagen, waaronder een mortierbomexplosie in een woning.

In cassatie werden drie middelen aangevoerd: een middel over het niet reageren op een betrouwbaarheidsverweer tegen een verklaring van een medeverdachte, een middel over het (voorwaardelijk) opzet op medeplichtigheid, en een middel over de strafmotivering. De Hoge Raad oordeelt dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld over de betrouwbaarheid van de verklaring, dat het hof voldoende gemotiveerd heeft waarom sprake is van voorwaardelijk opzet en dat de strafoplegging niet onbegrijpelijk is.

De Hoge Raad concludeert dat de middelen falen en verwerpt het cassatieberoep, waarmee de veroordeling en straf van het hof in stand blijven.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van twee jaar en zes maanden wegens medeplichtigheid aan voorbereiding van moord en uitlokking van computervredebreuk.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01265
Zitting7 juli 2026
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden [1] wegens 1 subsidiair "de eendaadse samenloop van medeplichtigheid aan medeplegen van voorbereiding van moord en medeplichtigheid aan medeplegen van voorbereiding van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is" en 2 subsidiair en 3 subsidiair telkens “medeplegen van opzettelijke uitlokking (door het verschaffen van inlichtingen) van computervredebreuk, terwijl de dader vervolgens gegevens die zijn opgeslagen door middel van het geautomatiseerd werk waarin hij zich wederrechtelijk bevindt, voor zichzelf of een ander overneemt” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, met aftrek van voorarrest.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 25/01226 ( [medeverdachte 8] ), 25/1229 ( [medeverdachte 1] ), 25/01244 ( [medeverdachte 2] ), 25/01255 ( [medeverdachte 3] ), 25/01294 ( [medeverdachte 5] ), 25/01412 ( [medeverdachte 6] ) en 25/01459 ( [medeverdachte 7] ). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Namens de verdachte heeft A.C. Vingerling, advocaat in Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.De zaak

2.1
Het gerechtshof heeft in deze zaak het volgende vastgesteld. In 2019 werd in Hedel (Gelderland) door medewerkers van een fruitbedrijf in een lading bananen afkomstig uit Ecuador een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen. Na die vondst werd de politie gewaarschuwd en is de cocaïne in beslag genomen. Daarna werd geprobeerd een groot geldbedrag (aan bitcoins) van (de directie van) het bedrijf los te krijgen. Om die afpersing kracht bij te zetten, vond in de loop van 2020 en 2021 een lange reeks woningaanslagen plaats, veelal op adressen van personen die op de personeelslijst van het bedrijf stonden.
2.2
Het hof acht bewezen dat de verdachte zich twee keer schuldig heeft gemaakt aan het (medeplegen van) uitlokking van computervredebreuk en daarnaast als medeplichtige betrokken is geweest bij de voorbereiding van moord en het teweegbrengen van een ontploffing.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde en klaagt dat het hof ten onrechte niet gerespondeerd heeft op een namens de verdachte gevoerd betrouwbaarheidsverweer.
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 3 subsidiair bewezenverklaard:
“ [betrokkene 1] omstreeks 10 september 2020 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland, in een of meer (delen van) geautomatiseerde werken, te weten in een of meer (delen van) servers, toebehorende aan Achmea en/of Vetkis en/of Basis Registratie Personen (BRP) en/of aan (een) ander(en) dan die [betrokkene 1] of diens mededaders, waarop een internet(bevragings)omgeving (van voornoemde BRP) wordt gehost, althans bereikbaar is, is binnengedrongen met behulp van een valse sleutel, namelijk door zich toegang te verschaffen tot (delen van de) voornoemde server(s) met een ander doel dan waarvoor die [betrokkene 1] die toegang was toegestaan, en (vervolgens) gegevens die waren opgeslagen door middel van (delen van) die geautomatiseerde werk(en) waarin die [betrokkene 1] zich wederrechtelijk bevond, voor anderen heeft overgenomen, namelijk door (vertrouwelijke) gegevens omtrent een of meer personen (te weten [betrokkene 2] (alias vlogger [alias betrokkene 2] ) en de vader en de moeder van die [betrokkene 2] ) en het BRP-adres van die vader, zijnde de [a-straat 1] te [plaats] en het BRP-adres van die moeder, zijnde [b-straat 1] te [plaats] aan een daartoe niet-gerechtigde persoon te verstrekken,
welk feit door verdachte op 10 september 2020 te [plaats] en/of [plaats] en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met een ander door het verschaffen van inlichtingen opzettelijk is uitgelokt, immers hebben verdachte en zijn mededader
-
aan die [medeverdachte 3] (de) na(a)m(en) van [betrokkene 2] en/of van die perso(o)n(en) doorgegeven en
-
die [medeverdachte 3] verzocht de adres- en/of persoonsgegevens van die na(a)m(en) (middels het plegen van computervredebreuk) op te zoeken en deze (digitale) gegevens aan verdachte te verstrekken.”
3.3
De steller van het middel klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris van 2 februari 2023 en beroept zich daarbij op de volgende passages van de ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2024 overgelegde pleitaantekeningen:
“ [medeverdachte 2] (= [medeverdachte 2] ). bij de RC:
met hem. Ik heb hem twee of drie keer geappt. Ik heb hem toen een vraag gesteld, om te achterhalen wie de kinderen zijn van [benadeelde 1] . Ik heb niet gezegd waarom ik dat wilde weten. [roepnaam verdachte] heeft daar zelf ook niet naar gevraagd. Ik heb specifiek om de kinderen van [benadeelde 1] gevraagd. Wanneer dat was weet ik niet precies, ik denk december 2020. U vraagt of dat de enige keer was dat ik aan [roepnaam verdachte] gegevens heb gevraagd. Ja. U
Hij geeft duidelijk aan dat hij maar 1 keer informatie heeft opgevraagd bij cliënt... Of is het dan toch vaker geweest.
Op een gegeven moment wordt de verklaring van [medeverdachte 2] . erg diffuus, om het maar voorzichtig uit te drukken:
nooit gedaan. Het is gewoon een hardwerkende jongen. U zegt mij dat in september een aantal aanslagen heeft plaatsgevonden in de [regio] die te maken hadden met [A] en dat [roepnaam verdachte] wordt gezien als tussenpersoon. U vraagt of ik in september informatie heb gevraagd aan [roepnaam verdachte] over [A] . Ik had nog niet de opdracht om die gegevens op te vragen. Die gegeven waren al opgevraagd en waren al in het bezit van sommige mensen. Ik had een conflict met [betrokkene 2] , met die Iraniër, en daarom heb ik om die gegevens gevraagd. Die heb ik aan [roepnaam verdachte] gevraagd. Ik heb gevraagd of hij die gegevens met mij wilde delen. De vraag die ik stelde aan [roepnaam verdachte] , dat is de opdracht die ik heb gegeven. [roepnaam verdachte] stelde hem aan [medeverdachte 3] . Het blijkt uit het dossier ook dat die gegevens al waren opgevraagd. U zegt mij dat het hier gaat over september en [A] . Dat begrijp ik. In mijn opdracht is niet aan [roepnaam verdachte] gevraagd om gegevens over [A] op te vragen. U vraagt mij nogmaals naar de gegevens die in september zijn opgevraagd. Ik heb aan [roepnaam verdachte] gevraagd om met mij de adresgegevens te delen.
Mijn verzoek was niet aan [roepnaam verdachte] om in september deze gegevens op te vragen. In december was dat anders. Toen was het in mijn opdracht aan hem om die gegevens op te vragen. In september circuleerden die gegevens van [A] al en heb ik alleen gevraagd om die gegevens te delen. De rechter-commissaris vraagt wat ik heb gedaan met de gegevens uit september over [A] . Daar wil ik geen antwoord op geven.
De officier van justitie vraagt waarom ik dan toch wilde dat [roepnaam verdachte] die gegevens met mij deelde, als ze toch al circuleerden. Ik had een beetje een meningsverschil met [A] . Op 11, 15 en 22 september zijn er aanslagen gepleegd. U vraagt of het klopt dat ik die gegevens rond 10 september heb gevraagd. Ja. Volgens mij wel. Was dat voor de aanslagen? Ja
De raadsman vraagt met welk doel ik die gegevens heb gevraagd bij [roepnaam verdachte] . Daar wil ik geen antwoord op geven. Ik had problemen met [A] maar dat was na de aanslagen. Toen ik uit Turkije terugkwam. Ik heb daarover ook verklaard bij de politie.
U vraagt waarom ik dan zeg dat ik de gegevens heb gevraagd vóór de aanslagen. Volgens mij was het na 11 september. Het is al lang geleden. U vraagt of ik de informatie van [A] zijn familie heb verkregen voor of na de aanslagen. Het gaat hier over twee etappes. Eerst werd het adres van zijn moeder gedeeld. Het ging ook om de zus van [A] en de ex. U vraagt over welke familieleden ik informatie heb gevraagd aan [roepnaam verdachte] . Het was ergens in september of misschien oktober, maar wanneer weet ik niet meer. Ik heb specifiek informatie aan [roepnaam verdachte] gevraagd over de zus van [A] . De gegevens van de vader en moeder van [A] waren al gedeeld. De officier van justitie vraagt hoe die gegevens bij mij terecht zijn gekomen. Daar wil ik niets over zeggen. Ik heb ze gekregen. U vraagt op welk moment ik die gegevens had gekregen. Het was in september of oktober. Het is ook al twee jaar geleden. Ik kan geen specifieke datum noemen.
De officier van justitie houdt mij voor dat er een aantal berichtjes zijn uitgegaan op 10 september vanaf 16:45 uur. Die eerste bevragingen zijn niet op mijn verzoek geweest. U vraagt op wiens verzoek dat wel was. Daar wil ik geen antwoord op geven. De rechter commissaris houdt mij voor dat er op 10 september een screenshot op mijn telefoon is gemaakt van een chat waarin het adres van [medeverdachte 1?] zijn vader, moeder en zus werden doorgegeven doorgestuurd en vraagt hoe ik daaraan gekomen ben. Ik wil niet vertellen van wie ik dat heb gekregen.
De raadsman vraagt of ik aan [roepnaam verdachte] heb verteld waarvoor ik die informatie nodig had. Nee. Hij heeft daar ook niet naar gevraagd. U vraagt of hij daarvoor enige beloning heeft gekregen van mij. Nee. Hij heeft ook geen beloning in het vooruitzicht gesteld gekregen.
Het lijkt er toch echt op dat [medeverdachte 2] . zegt niet op 10 september bij cliënt informatie te hebben opgevraagd over [alias betrokkene 2] . Zijn verklaring lijkt veeleer te slaan op het verstrekken van informatie op een andere datum, te weten 1 oktober 2021:
De officier van justitie vraagt wat er wordt bedoeld met ‘je weet wat er tegenover staat’. De officier van justitie houdt voor datje dit kunt interpreteren als dat er al een langere relatie bestaat omdat kennelijk al bekend is wat er dan tegenover staat. Ik denk dat u het verkeerd interpreteert. Ik weet niet of ik of hij het hier over [bijnaam] had. U houdt mij voor dat er een Whatsapp conversatie is van 1 oktober 2020 waaruit blijkt dat al eerder informatie is ontvangen over [benadeelde 2] . Ik weet over welke conversatie u het heeft. [benadeelde 1] heeft geen dochter die in [plaats] woont. U interpreteert dit alsof dit over dochter van [benadeelde 1] gaat.
In hetzelfde hebben berichtje vraag ik of je die naam ook zo spelt. Die dochters van [benadeelde 1] gewoon Nederlandse namen. Die zijn niet moeilijk. Die zus van [A] heeft een moeilijker naam. [benadeelde 1] heeft geen dochter in [plaats] . Ik heb een probleem met [A] . Daarom wilde ik het adres van zijn familieleden, van zijn zus.
8 oktober vond de aanslag op de woning van [benadeelde 2] plaats. Dat is aan de [c-straat] in [plaats] . Die adresgegevens van [benadeelde 2] en [betrokkene 3] had ik al. Het conflict waarover gesproken wordt gaat over de zus van [A] . Ik was een beetje boos. Daarom heb ik de adresgegevens van de familieleden mocht er weer iets gebeuren, achterhaald. Niet om meteen iets te doen, maar als dan had ik het alvast. Maar de zus leeft, niks aan de hand. Dus ik snap het probleem niet zo. Het probleem is opgelost.
U zegt mij dat op 11, 15 en 22 september aanslagen hebben plaatsgevonden en dat deze conversatie begin oktober plaatsvindt. [A] begon te dreigen dat hij naar de school van mijn kinderen zou gaan. Ik wilde de adresgegevens uit voorzorg, maar uiteindelijk gebeurd. is er niets Ik ben er ook niet voor vervolgd. Het probleem is opgelost, wat mij betreft. En wat hem betreft ook. Jullie moeten niet van zoiets simpels zoiets groots maken. Die jongens wisten van niks. Laat ze met rust.
Heeft cliënt slechts één keer om informatie verzocht, ziend op [benadeelde 1] , of toch vaker? Eerst zegt [medeverdachte 2] dat hij cliënt alleen heeft benaderd voor informatie over [benadeelde 1] . Vervolgens wordt het een moeilijk te volgen verhaal. Als hij cliënt eerder heeft benaderd voor informatie, zou dat ook de informatie van 1 oktober 2020 kunnen zijn; informatie over de zus van [alias betrokkene 2] . Al is daar geen gevolg aan gegeven. I.e. geval kunnen we uit de verklaring van [medeverdachte 2] niet zondermeer opmaken dat hij op 10 september cliënt heeft gevraagd om de familie van [alias betrokkene 2] te bevragen. Nog los van het feit dat gezegd kan worden dat de verklaring van [medeverdachte 2] niets te zoeken heeft in een mogelijke bewijsconstructie (bewijsuitsluiting). Als gezegd is het moeilijk een touw vast te knopen aan zijn verklaring, maar daarnaast geloof ik dat het OM in zijn algemeenheid maar weinig waarde hecht aan zijn verklaringen. Ik vermag niet in te zien waarom dat nu anders zou moeten zijn. Ik verwijs in dit verband ook naar de volgende overweging van de hoge raad (HR 8 februari 2011, LJN: BP0060):
2.3.
Nu het Hof deze verklaringen van [betrokkene 3] en [betrokkene 2] als "volstrekt ongeloof waardig" heeft aangemerkt, heeft het Hof die verklaringen in zoverre ten onrechte tot het bewijs gebezigd, aangezien dit niet strookt met het wettelijk bewijsstelsel waarin ervan wordt uitgegaan dat een getuigenverklaring – waaronder in dit verband mede is begrepen een verklaring van een ander dan de verdachte in enig schriftelijk bescheid als bedoeld in art. 344 Sv Pro – door de rechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd (vgl. HR 14 september 1992, NJ1993/54en HR 23 september 2008, LJN BD3902, NJ 2008/525).
Op basis van de verklaringen van de (mede)verdachten kunt u niet tot een veroordeling komen. Zij hebben het over een eenmalige verstrekking van informatie aan en door cliënt. De verklaring van [medeverdachte 2] kan niet zondermeer als belastend worden gekenschetst. Bovendien verzoekt de verdediging u deze verklaring van het bewijs uit te sluiten.”
3.4
Het hof heeft ten aanzien van het onder 3 subsidiair tenlastegelegde op PROMIS-wijze onder meer overwogen (met weglating van voetnoten):
“2. Bewijsoverwegingen
[…]
2.2.
Standpunt van de verdediging
Wat betreft het onder 3 tenlastegelegde (betrokkenheid bij computervredebreuk) heeft de raadsman primair bepleit dat het hof verdachte zal vrijspreken van beide onderdelen van de tenlastelegging. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat maximaal het subsidiair tenlastegelegde medeplegen van uitlokking bewezen kan worden geacht.
[…]
2.3
Oordeel van het hof
2.3.1.
Algemene overwegingen
[verdachte] wordt doorgaans [roepnaam verdachte] genoemd.
Zowel onder 2 als onder 3 is [verdachte] ten laste gelegd dat hij (primair als medepleger en subsidiair als uitlokker) heeft deelgenomen aan een computervredebreuk die is begaan door [betrokkene 4] . [betrokkene 4] was werkzaam bij Achmea als teamleider bij de afdeling Klant Contact. Vanuit zijn functie had [medeverdachte 3] toegang tot systemen met privacygevoelige gegevens. Het was [medeverdachte 3] niet toegestaan om niet-werkgerelateerde bevragingen te doen in de voor hem beschikbare systemen. Ook was het [medeverdachte 3] niet toegestaan om gegevens uit die systemen te delen met personen buiten Achmea.
[verdachte] wist dat [medeverdachte 3] bij een verzekeringsmaatschappij werkte en daardoor persoonsgegevens kon opvragen.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] een vriend van hem is.
Het hof bespreekt de ten laste gelegde feiten in chronologische volgorde en behandelt dus eerst de onder 3 ten laste gelegde betrokkenheid bij computervredebreuk.
2.3.2.
Feit 3 (uitlokking computervredebreuk op 10 september 2020)
Op 10 september 2020 tussen 17.23 en 18.32 uur heeft [medeverdachte 3] via een digitale tool van Vektis, vanuit Achmea bevragingen in de Basisregistratie Personen (BRP) met betrekking tot [betrokkene 2] en diens familieleden gedaan. Daardoor werd om 18.30 uur het BRP-adres van de vader van [betrokkene 2] ( [a-straat 1] in [plaats] ) en om 18.31 uur het adres van de moeder van [betrokkene 2] ( [b-straat 1] in [plaats] ) zichtbaar voor [medeverdachte 3] .
Het hof acht bewezen dat:
- [medeverdachte 3] zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan computervredebreuk in de zin van artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht en
- [verdachte] die computervredebreuk heeft uitgelokt.
Dit oordeel baseert het hof mede op de volgende gang van zaken rondom die bevragingen door [medeverdachte 3] .
[…]
[medeverdachte 2] heeft op 2 februari 2023 bij de rechter-commissaris verklaard dat hij een conflict had met [betrokkene 2] en dat hij daarom aan [roepnaam verdachte] (het hof begrijpt: [verdachte] ) heeft gevraagd adresgegevens te delen. [verdachte] stelde die vraag vervolgens aan [medeverdachte 3] . Het was algemeen bekend dat [medeverdachte 3] bij Achmea werkte.
Gelet op het voorgaande concludeert het hof dat [verdachte] de andere deelnemer was aan de berichtenwisseling met [medeverdachte 3] die is aangetroffen op de telefoon van [medeverdachte 2] . Dit baseert het hof op het volgende, in onderlinge samenhang bezien:
- het tijdsverband tussen enerzijds de bevragingen door [medeverdachte 3] , waarbij de adressen van de vader en moeder van [betrokkene 2] zichtbaar werden om 18.30 respectievelijk 18.31 uur, en anderzijds het maken van het screenshot om 18.36 uur;
- de verklaring van [medeverdachte 2] dat hij aan [verdachte] heeft gevraagd adresgegevens te delen en dat [verdachte] deze vraag vervolgens aan [medeverdachte 3] heeft gesteld.”
3.5
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de feitenrechter bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van bewijsmateriaal een grote mate van vrijheid geniet. In beginsel hoeft hij de selectie en waardering daarvan niet te motiveren. Enkel als door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt wordt ingenomen omtrent de betrouwbaarheid van een bepaald bewijsstuk, zal de rechter, indien hij van dit standpunt afwijkt, daarop moeten responderen. [2]
3.6
Indien in cassatie wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd te responderen op een door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, moet om te beginnen worden beoordeeld of hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd, kan worden aangemerkt als een duidelijk standpunt door argumenten geschaard en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie. [3] Voor betrouwbaarheidsverweren is hierbij van belang dat een zware stelplicht geldt. [4]
3.7
Het middel berust op de veronderstelling dat door de verdediging een responsieplichtig betrouwbaarheidsverweer is gevoerd ten aanzien van de op 2 februari 2023 bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [medeverdachte 2] . Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat daarvan geen sprake is. Dat kennelijke oordeel geeft – gelet op hetgeen in hoger beroep is aangevoerd – geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en acht ik niet onbegrijpelijk. De verdediging heeft in hoger beroep weliswaar verzocht om deze verklaring van het bewijs uit te sluiten, maar met betrekking tot deze verklaring slechts aangevoerd dat de verklaring niet zonder meer als belastend kan worden gekenschetst, het moeilijk is aan de verklaring een touw vast te knopen en “dat het OM in zijn algemeenheid maar weinig waarde hecht aan zijn verklaringen”, terwijl de verdediging niet “vermag [..] in te zien waarom dat nu anders zou moeten zijn”.
3.8
Het middel mist feitelijke grondslag en faalt.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel richt zich tegen het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde en bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de verdachte met het voor medeplichtigheid vereiste (voorwaardelijk) opzet heeft gehandeld.
4.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard:

1. subsidiair
[betrokkene 5] en/of [betrokkene 6] in de periode van 13 december 2020 tot en met 17 december 2020 te [plaats] tezamen en in vereniging ter voorbereiding van een of meer misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord en/of het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een woning (perceel [d-straat 1] te [plaats] ) met gemeen gevaar voor goederen en/of met levensgevaar voor de bewoner(s) te duchten opzettelijk
- een auto (Renault Clio, gekentekend [kenteken] op naam en in gebruik bij medeverdachte [betrokkene 5] ) en
- een mortierbom (na de aanhouding van medeverdachte [betrokkene 6] op 17 december 2020 aangetroffen in diens slaapkamer) en/of
- het woonadres van [benadeelde 3] , te weten [d-straat 1] te [plaats]
bestemd tot het begaan van die misdrijven voorhanden heeft gehad,
tot het plegen van dit misdrijf hij, verdachte, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft door op 8 december 2020 in Nederland opzettelijk de naam van een lid van de [familie benadeelde 1] (door [medeverdachte 2] aan hem, verdachte, opgegeven) door te geven aan [betrokkene 1] en vervolgens de middels computervredebreuk door die [medeverdachte 3] verkregen adres- en/of persoonsgegevens van deze naam, afkomstig uit de Basis Registratie Personen (BRP), aan de opdrachtgever van die [betrokkene 5] en die [betrokkene 6] , ter beschikking te stellen.
4.3
Het hof heeft ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde op PROMIS-wijze overwogen (met weglating van voetnoten):

2.3.3. Woningaanslag op 11 september 2020 in [plaats]
Met het oog op de beoordeling van de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten overweegt het hof het volgende over een woningaanslag die verband houdt met de hiervoor besproken onder feit 3 ten laste gelegde computervredebreuk van 10 september 2020.
Nadat [verdachte] op 10 september 2020 op verzoek van [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] adresgegevens had laten verkrijgen van onder meer de vader van [betrokkene 2] , kwam de volgende nacht (11 september 2020) om 02.13 uur een explosief tot ontploffing bij de woning van die vader van [betrokkene 2] op het adres [a-straat 1] in [plaats] .
Op 14 september 2020 om 15.27 uur plaatste [verdachte] in een groepsgesprek in WhatsApp een afbeelding met daarin twee links naar webpagina's, waarbij het kennelijk gaat om nieuwsberichten en waarbij de kop van dat bericht luidt: ‘ […] ontsnapt aan aanslag'. [verdachte] schreef bij die afbeelding: ‘Dit is van paar dagen geleden’, gevolgd door een lachende smiley. Uit die begeleide tekst leidt het hof af dat [verdachte] het desbetreffende door hem verzonden nieuwsbericht heeft gelezen. Dat nieuwsbericht, dat is weergegeven in het proces-verbaal van een verhoor van [medeverdachte 3] , hield onder meer in dat een flinke explosie had plaatsgevonden in de [a-straat] in [plaats] , dat volgens de politie een explosief door een raam naar binnen was gegooid, dat het glas boven de deur op straat lag, dat een buurtbewoner liet weten zich te zijn doodgeschrokken en dat volgens diezelfde buurtbewoner de hele buurt in rep en roer was.
Het hof verbindt aan het voorgaande de conclusie dat [verdachte] wist dat, een aantal dagen nadat hij in opdracht van [medeverdachte 2] adresgegevens had laten opvragen door [medeverdachte 3] , op één van die verkregen adressen een heftige woningaanslag had plaatsgevonden.
2.3.4.
Feiten 1 en 2 (medeplichtigheid aan voorbereiding woningaanslag en uitlokking computervredebreuk)
Inleiding
De onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten hebben betrekking op het adres [d-straat 1] in [plaats] en de verijdelde woningaanslag op dat adres. Het hof komt verderop in dit arrest tot de conclusie dat [betrokkene 6] en [betrokkene 5] op 16 en 17 december 2020 bezig waren met het voorbereiden van een woningaanslag op het adres [d-straat 1] in [plaats] , wat toen het adres was van een dochter van één van de directeuren van [B] ( [B] ).
[…]
8 december 2020: computervredebreuk in opdracht van [medeverdachte 2] (feit 2)
Op 8 december 2020 is [verdachte] door [medeverdachte 2] benaderd om via [medeverdachte 3] , die voor een verzekeringsmaatschappij werkte, gegevens te verkrijgen van de kinderen van [benadeelde 1] , zijnde één van de directeuren van [B] . Dat heeft ertoe geleid dat [medeverdachte 2] het adres heeft verkregen van een dochter van [benadeelde 1] , te weten [d-straat 1] in [plaats] . Deze conclusie baseert het hof op het volgende:
[medeverdachte 3] maakte gebruik van [telefoonnummer 1] (* [telefoonnummer 1] ). [verdachte] maakte gebruik van [telefoonnummer 2] (* [telefoonnummer 2] ). [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij gebruikmaakte van [telefoonnummer 3] (* [telefoonnummer 3] ).
Op 8 december 2020 rond 14.53 uur belde [medeverdachte 3] (* [telefoonnummer 3] ) met [verdachte] (* [telefoonnummer 2] ). Dit gesprek duurde 65 seconden.
Kort daarna, om 14:54:22 uur, nam [verdachte] (* [telefoonnummer 2] ) via WhatsApp contact op met [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] ) en vond de volgende berichtenwisseling plaats.
Tijdstip Afzender Bericht
14:54:22 uur [verdachte] wat heb je nodig
14:57:09 uur [medeverdachte 2] werkt ie
14:57:33 [verdachte] ja (…)
(...)
14:58:22 uur [medeverdachte 2] ik wil weten hoe de kinderen van deze persoon heten
(...)
14:58:36 uur [verdachte] wat nog meer
14:58:36 uur [medeverdachte 2] oke moment
(…)
14:59:16 uur [medeverdachte 2] uurtje dan stuur ik
(...)
17:52:26 [verdachte] ik bel hem nu op
19:02:14 [verdachte] gelukt
Diezelfde dag tussen 17.56 en 18.03 uur vonden zeven bevragingen plaats van de Basisregistratie Personen (BRP) op [benadeelde 1] en zijn twee dochters [benadeelde 2] en [benadeelde 3] . Die bevragingen zijn verricht door gebruiker [medeverdachte 3] (medewerker van Achmea). Door deze bevragingen zijn gegevens verkregen van [benadeelde 3] . die toen in de BRP stond ingeschreven op het adres [d-straat 1] in [plaats] .
Om 18.56 uur zocht [medeverdachte 2] op zijn telefoon in de applicatie ‘Kaarten’ naar ' [d-straat] [plaats] ’.
Rond 21.05 uur stuurde [medeverdachte 2] (* [telefoonnummer 3] ) via WhatsApp de volgende berichten naar [betrokkene 7] (* [telefoonnummer 4] ). ik heb net namelijk wat info gehad waar justitie niet blij mee gaat zijn (...) haha
In de telefoon van [medeverdachte 3] zijn foto's aangetroffen waarop privacygevoelige informatie zichtbaar was van onder meer [betrokkene 3] (het hof begrijpt: [benadeelde 3] ), de partner van [benadeelde 2] (het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) en de ex-partner van [benadeelde 1] . Op één van die foto's is te zien dat iemand staat ingeschreven op het adres [d-straat 1] in [plaats] .
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] hem op 8 december 2020 belde en vroeg of hij de persoonsgegevens van een vrouw met de [...] wilde opvragen in de systemen. [medeverdachte 3] moest het adres van die vrouw opzoeken en aan [verdachte] doorgeven. [medeverdachte 3] vond in de systemen de persoon naar wie [verdachte] had gevraagd en heeft toen foto’s gemaakt van zijn beeldscherm. Die foto's heeft [medeverdachte 3] via WhatsApp naar [verdachte] gestuurd.
[verdachte] heeft verklaard dat hij bij [betrokkene 4] gegevens heeft opgevraagd en die heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] . Dat ging via [medeverdachte 3] , omdat hij bij een verzekeringsmaatschappij werkte en daardoor persoonsgegevens kon opvragen. [verdachte] was door [medeverdachte 2] gevraagd om [medeverdachte 3] te benaderen. [verdachte] had een naam ontvangen waarop gezocht moest worden.
[…]
16-17 december 2020: verijdelde woningaanslag op het adres [d-straat 1] in [plaats]
Nadat [medeverdachte 2] op 8 december 2020 het adres van de dochter van [benadeelde 1] had verkregen, zijn [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] op 16 en 17 december 2020 bezig geweest met het voorbereiden van een aanslag op dat adres. Deze conclusie baseert het hof op het volgende.
[…]
Gelet op de bedoeling van [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] om de mortierbom in de woning tot ontploffing te brengen, acht het hof bewezen dat zij bezig waren met de voorbereiding van een moord. De voorbereiding was gericht op een woningaanslag waarbij een krachtig explosief in de woning tot ontploffing zou komen en daar zou hebben geleid tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie waarbij een dodelijke afloop voor de personen die in die woning aanwezig waren een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was. Naar het oordeel van het hof is het algemeen bekend dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning - vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing - gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit leidt tot de dood van één of meer personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat in de woning mensen aanwezig waren. Op basis van het voorgaande concludeert het hof dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] wisten dat de woningaanslag die zij aan het voorbereiden waren gepaard zou gaan met een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die in die woning aanwezig waren en dat zij die kans ook hebben aanvaard. Verder getuigen de voorbereidingshandelingen, waaronder de voorverkenning en het voorhanden hebben van de mortierbom, van een planmatige aanpak. Het hof leidt daaruit af dat [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het genomen besluit om een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen. Zij hebben dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.
[…]
Conclusie feit 1: medeplichtigheid aan de voorbereiding van moord
Het onder 1 tenlastegelegde houdt in dat verdachte primair als medepleger subsidiair als medeplichtige heeft deelgenomen aan de voorbereiding van de woningaanslag in [plaats] . Uit het voorgaande blijkt dat verdachte de opdrachtgever van de (verijdelde) woningaanslag ( [medeverdachte 2] ) heeft geholpen om het adres te verkrijgen van een dochter van [benadeelde 1] . Naar het oordeel van het hof is deze bijdrage van onvoldoende gewicht om verdachte te kunnen aanmerken als medepleger van de voorbereiding van de woningaanslag. Het hof spreekt verdachte dan ook vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde.
Wel acht het hof bewezen dat verdachte medeplichtig is aan de voorbereiding van de woningaanslag op het adres [d-straat 1] in [plaats] . Het hof is van oordeel dat verdachte met zijn bijdrage aan verkrijgen van het adres inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf, in de zin van artikel 48, aanhef en onder 2°, van het Wetboek van Strafrecht. Wat betreft het opzet van verdachte op het leveren van een bijdrage aan de verijdelde woningaanslag overweegt het hof het volgende. Zoals uit een eerder onderdeel van dit arrest blijkt, had verdachte al eerder op verzoek van [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] adresgegevens verkregen. Toen volgde kort daarna een woningaanslag op één van de verkregen adressen (namelijk op het adres [a-straat 1] in [plaats] ), waarover verdachte een nieuwsbericht had gelezen waarin stond dat een explosief de woning in was gegooid. Het hof leidt hieruit af dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat toen verdachte op 8 december 2020 opnieuw een dergelijk verzoek van [medeverdachte 2] kreeg, hij zich ervan bewust was dat er een reële mogelijkheid was dat [medeverdachte 2] dat verzoek deed met het oog op een woningaanslag die erop gericht was een explosief in de woning tot ontploffing te laten komen. Door desondanks uitvoering te geven aan dat verzoek van [medeverdachte 2] , heeft verdachte dus bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij een bijdrage leverde aan een woningaanslag waarbij er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat die een dodelijke afloop zou hebben voor één of meer personen die op dat moment in de woning aanwezig zouden zijn. Daarbij verwijst het hof naar de eerdere overweging in dit arrest over het opzet van [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] op het overlijden van de personen die tijdens de beoogde woningaanslag in de woning aanwezig zouden zijn.
Concluderend acht het hof bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft begaan.”
4.4
Het middel klaagt in de kern genomen over het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde (voorwaardelijk) opzet op het gronddelict (te weten: moord en/of het opzettelijk teweegbrengen van een ontploffing in een woning met gemeen gevaar voor goederen en/of met levensgevaar voor de bewoner(s) te duchten). Ter onderbouwing van het middel wordt aangevoerd dat:
(i.) de verdachte telkenmale heeft ontkend opzet te hebben gehad op het gronddelict;
(ii.) het hof er geheel aan voorbijgaat dat er vaker adresgegevens zijn verspreid zonder dat er aanslagen zijn gepleegd;
(iii.) de invulling van het hof van het voorwaardelijk opzet veeleer neigt naar bewuste schuld;
(iv.) het hof nalaat te motiveren waarom sprake is van een aanmerkelijke kans op een aanslag, anders dan door naar één eerder incident te verwijzen, welk incident zich in een (voor de verdachte) geheel andere context heeft afgespeeld;
(v.) het hof spreekt over een ‘reële mogelijkheid’ en niet over een ‘aanmerkelijke kans’;
(vi.) het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op de dood heeft aanvaard en
(vii.) dat niet blijkt dat het opzet van de verdachte in voldoende mate was gericht op het bewezenverklaarde feit.
4.5
Het hof heeft vastgesteld dat nadat de verdachte op verzoek van [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] op 10 september 2020 adresgegevens heeft laten verkrijgen van onder meer de vader van [betrokkene 2] , op dat adres op 11 september 2020 een explosief tot ontploffing is gekomen. Vervolgens heeft de verdachte op 14 september 2020 in een groepsgesprek op Whatsapp een afbeelding gestuurd met daarin twee links naar webpagina’s, die verwijzen naar nieuwsberichten met de kop: ‘ […] ontsnapt aan aanslag’. Bij die afbeeldingen plaatste de verdachte het bericht: ‘dit is van een paar dagen geleden’, lachende smileys. Daaruit heeft het hof afgeleid dat de verdachte het door hem verzonden nieuwsbericht heeft gelezen en – naar aanleiding daarvan – de conclusie getrokken dat de verdachte wist dat nadat hij in opdracht van [medeverdachte 2] adresgegevens had laten opvragen door [medeverdachte 3] , op één van die verkregen adressen een heftige woningaanslag had plaatsgevonden.
4.6
Ten laste van de verdachte heeft het hof bewezenverklaard dat hij – in de wetenschap van wat er met de vorige door hem in opdracht van [medeverdachte 2] bij [medeverdachte 3] opgevraagde (persoons)informatie is gebeurd – wederom in opdracht van die [medeverdachte 2] (persoons)informatie bij [medeverdachte 3] heeft opgevraagd en die heeft doen verstrekken aan [medeverdachte 2] . Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat er wederom een woningaanslag zou plaatsvinden op het door hem verstrekte adres, waarmee de verdachte ook bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een bijdrage leverde aan een woningaanslag waarbij er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat die een dodelijke afloop zou hebben voor één of meer personen die op dat moment in de woning aanwezig zouden zijn.
4.7
Het hof heeft in dat verband vastgesteld dat de verdachte op 8 december 2020 (wederom) door [medeverdachte 2] is benaderd om via [medeverdachte 3] , die voor een verzekeringsmaatschappij werkte, gegevens te verkrijgen van de kinderen van [benadeelde 1] . Dat heeft ertoe geleid dat [medeverdachte 2] het adres heeft verkregen van een dochter van [benadeelde 1] , te weten het adres [d-straat 1] in [plaats] . Aan die vaststelling ligt ten grondslag dat [medeverdachte 2] de verdachte op 8 december 2020 rond 14:54 via WhatsApp te kennen heeft gegeven dat hij wil weten hoe de kinderen van deze persoon [ [benadeelde 1] , D.P.] heten, waarop de verdachte uiteindelijk antwoordt dat hij ‘hem’ [ [medeverdachte 3] , D.P.] nu gaat opbellen en het gelukt is. Het hof heeft verder vastgesteld dat op diezelfde 8 december tussen 17:65 en 18:03 uur zeven bevragingen hebben plaatsgevonden van de Basisregistratie Personen (BRP) op [benadeelde 1] en zijn twee dochters [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , door [medeverdachte 3] . Door [medeverdachte 2] wordt om 18:56 uur op zijn telefoon in de applicatie ‘kaarten’ gezocht naar ‘ [d-straat] [plaats] ’, waarna hij om 21:05 uur naar de verdachte stuurt dat hij informatie heeft waar justitie niet blij mee gaat zijn.
4.8
Door het hof is tevens vastgesteld dat in de telefoon van [medeverdachte 3] foto’s zijn aangetroffen waarop privacygevoelige informatie zichtbaar was van onder meer [betrokkene 3] (waarbij het hof begrijpt: [benadeelde 3] ), de partner van [benadeelde 2] (waarbij het hof begrijpt: [benadeelde 2] ) en de ex-partner van [benadeelde 1] . Op één van die foto's is te zien dat iemand staat ingeschreven op het adres [d-straat 1] in [plaats] . Ook volgt uit de vaststellingen dat de verdachte naar [medeverdachte 3] heeft gebeld op 8 december 2020 en vroeg of hij de persoonsgegevens van een vrouw met de achternaam [familienaam] wilde opvragen in de systemen, waarna [medeverdachte 3] het adres van die vrouw moest opzoeken en aan de verdachte moest doorgeven. [medeverdachte 3] vond in de systemen de persoon naar wie de verdachte had gevraagd en heeft toen foto’s gemaakt van zijn beeldscherm. Die foto's heeft [medeverdachte 3] via WhatsApp naar de verdachte gestuurd. Vastgesteld is verder dat de verdachte heeft verklaard dat hij bij [medeverdachte 3] gegevens heeft opgevraagd en die heeft doorgestuurd naar [medeverdachte 2] , nadat de verdachte door [medeverdachte 2] gevraagd was om [medeverdachte 3] te benaderen en de verdachte een naam had ontvangen waarop gezocht moest worden.
4.9
Uiteindelijk zijn [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] op 16 en 17 december 2020 bezig geweest met de voorbereiding van een aanslag op het door [medeverdachte 2] middels de verdachte verkregen adres. Het hof heeft in dat verband overwogen dat het gelet op de bedoeling van [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] om de mortierbom in de woning tot ontploffing te brengen, bewezen heeft geacht dat zij bezig waren met de voorbereiding van een moord. Daartoe heeft het hof overwogen dat de voorbereiding was gericht op het plegen van een woningaanslag waarbij een krachtig explosief in de woning tot ontploffing zou komen en daar zou hebben geleid tot een woningbrand of andersoortige levensgevaarlijke situatie waarbij een dodelijke afloop voor de personen die in die woning aanwezig waren een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was. Daarbij heeft het hof betrokken dat het een feit van algemene bekendheid is dat een ontploffing van een krachtig explosief binnen in een woning – vanwege de specifieke combinatie van een uitzonderlijk grote gevaarzetting en de veelal volstrekte onvoorspelbaarheid van de precieze situatie in de woning op het moment van en direct na de ontploffing – gepaard gaat met de reële mogelijkheid dat dit handelen leidt tot de dood van één of meer personen die tijdens die ontploffing in de woning aanwezig zijn en er geen enkele reden is om aan te nemen dat [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] geen rekening hebben gehouden met de mogelijkheid dat in de woning mensen aanwezig waren. Op basis van dat voorgaande heeft het hof dan ook geconcludeerd dat (het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat) [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] wisten dat de woningaanslag die zij aan het voorbereiden waren gepaard zou gaan met een aanmerkelijke kans op het overlijden van de personen die in die woning aanwezig waren en dat zij die kans ook hebben aanvaard en de voorbereidingshandelingen, waaronder de voorverkenning en het voorhanden hebben van de mortierbom, getuigen van een planmatige aanpak, waaruit het hof heeft afgeleid dat [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] zich gedurende enige tijd hebben kunnen beraden op het genomen besluit om een explosief in een woning tot ontploffing te laten komen en dus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen daarvan en zich daarvan rekenschap te geven.
4.1
Het hof heeft vervolgens bewezen geacht dat de verdachte medeplichtig is geweest aan de voorbereiding van de woningaanslag op het adres [d-straat 1] in [plaats] , nu de verdachte met zijn bijdrage aan het verkrijgen van het adres inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf. Wat betreft het opzet van de verdachte op het leveren van een bijdrage aan de verijdelde woningaanslag heeft het hof overwogen dat de verdachte al eerder op verzoek van [medeverdachte 2] door [medeverdachte 3] adresgegevens heeft verkregen, op welk adres ( [a-straat 1] te [plaats] ) kort daarna een woningaanslag volgde, waarover de verdachte een nieuwsbericht had gelezen waarin stond dat een explosief de woning in was gegooid. Daaruit heeft het hof afgeleid dat het redelijkerwijs niet anders kan zijn dan dat toen de verdachte op 8 december 2020 opnieuw een dergelijk verzoek van [medeverdachte 2] kreeg, hij zich ervan bewust was dat er een reële mogelijkheid was dat [medeverdachte 2] dat verzoek deed met het oog op een woningaanslag die erop gericht was een explosief in de woning tot ontploffing te laten komen en hij door desondanks uitvoering te geven aan dat verzoek van [medeverdachte 2] , bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een bijdrage leverde aan een woningaanslag waarbij er – onder verwijzing naar de overwegingen betreffende het opzet van [betrokkene 6] en [medeverdachte 5] – een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat die een dodelijke afloop zou hebben voor één of meer personen die op dat moment in de woning aanwezig zouden zijn.
4.11
Op basis van het voorgaande heeft het hof – ondanks de ontkenning door de verdachte – zonder meer tot het oordeel kunnen komen dat de verdachte – in de wetenschap dat er kort nadat hij de vorige keer op verzoek van [medeverdachte 2] adresgegevens aan hem heeft verstrekt op dat bewuste adres een aanslag is gepleegd eruit bestaande dat er een explosief ‘in’ die woning was gegooid – met het (opnieuw) doen verstrekken van persoonsgegevens aan [medeverdachte 2] bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij een bijdrage leverde aan een woningaanslag, waarbij er een reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid was dat die een dodelijke afloop zou hebben voor één of meer personen die op dat moment in de woning aanwezig zouden zijn. Dat er eerder ook adresgegevens zijn verspreid zonder dat vervolgens aanslagen zijn gepleegd, doet daaraan niet af. Het hof heeft niet onbegrijpelijk slechts belang gehecht aan de wetenschap van de verdachte dat de (latere) gegevensverstrekking kort daarna is gevolgd door een aanslag.
4.12
Anders dan de steller van het middel lees ik de overwegingen van het hof niet zo dat de daarin verwoorde invulling van het voorwaardelijk opzet ‘neigt’ naar bewuste schuld. Daarbij heeft het hof – gelet op hetgeen ik in randnummers 4.10 en 4.11 van deze conclusie heb weergegeven – voldoende inzichtelijk gemaakt waarom sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood. Het oordeel dat sprake is van een aanmerkelijke kans kan, verweven als het is met de daaraan ten grondslag gelegde feitelijkheden, in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst, [5] welke toets ’s hofs oordeel zonder meer kan doorstaan. Dat het hof in dat verband spreekt over een ‘reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’ maakt niet dat zijn oordeel omtrent de aanmerkelijke kans getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, nu het begrip ‘aanmerkelijke kans’ moet worden uitgelegd als een ‘reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid’. [6]
4.13
Uit de overwegingen van het hof volgt ook in voldoende mate waarom de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, terwijl daaruit voorts kan blijken dat het opzet van de verdachte in voldoende mate was gericht op het bewezenverklaarde (grond)feit. Daartoe roep ik in herinnering dat de verdachte opnieuw adresgegevens heeft doen verstrekken aan [medeverdachte 2] , terwijl hij dat eerder heeft gedaan en op dat adres toen een aanslag is gevolgd. Het in die wetenschap opnieuw verstrekken van adresgegevens brengt ook met zich dat de verdachte daarmee bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op een nieuwe woningaanslag bestaande uit het naar binnen gooien van een explosief in die woning en dus bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op moord.
4.14
Dat in de strafmotivering – zoals de steller van het middel aanvoert – ‘minder stellig’ overwegingen voorkomen die veeleer doen denken aan schuld doet daaraan – wat ook zij van de juistheid daarvan – niet af, nu die overwegingen geen bewijsoordeel inhouden. Het argument dat het gezien de persoon van de verdachte ‘geenszins in de rede ligt om aan te nemen dat hij bij het verstrekken van de informatie op 8 december 2000 zich ervan bewust is geweest dat deze informatie naar alle waarschijnlijkheid gebruikt zou gaan worden voor het voorbereiden van een woningaanslag én daarbij heeft gedacht ‘het is mij om het even dat er mensen om het leven komen’, gaat – gelet op de vaststellingen van het hof – niet op. En dat de verdachte zich, zoals de steller van het middel aanvoert, in het dagelijks leven aantoonbaar bezig hield met zijn jonge gezin en zijn werk, heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om zich ook bezig te houden met het vervullen van een rol bij zeer ernstige strafbare feiten.
4.15
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

5.Het derde middel

5.1
Het middel richt zich tegen de strafoplegging en klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op de verweren van de verdediging en evenmin heeft gemotiveerd waarom het een hogere straf dan de rechtbank heeft opgelegd, zodat de opgelegde straf verbazing wekt.
5.2
Het hof heeft met betrekking tot de opgelegde straf het volgende overwogen:

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de aard en ernst van de gepleegde misdrijven en de omstandigheden waaronder die misdrijven zijn begaan. Verder heeft het hof onder meer gelet op de persoon van verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich twee keer schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) uitlokking van computervredebreuk en is daarnaast als medeplichtige betrokken geweest bij de voorbereiding van moord en het teweegbrengen van een ontploffing.
Verdachte heeft met een verzoek om adresgegevens twee keer een bekende van hem benaderd die via zijn werkgever toegang had tot privacygevoelige persoonsgegevens, terwijl verdachte wist dat diegene die persoonsgegevens niet mocht gebruiken voor het doel waarvoor verdachte hem benaderde. Na het voor het eerst ontvangen en verstrekken van die gegevens volgde een aanslag op de woning van de vader van 0fux waarover verdachte een nieuwsbericht deelde. Verdachte wist dus bij de tweede keer dat het verstrekken van persoonlijke gegevens zeer ernstige gevolgen kon hebben en deels ook wat die gevolgen concreet konden zijn, maar liet zich daardoor niet tegenhouden.
De later verijdelde aanslag, waarbij verdachte behulpzaam is geweest bij de voorbereiding door gegevens van [familie benadeelde 1] te verstrekken aan zijn opdrachtgever, is onderdeel van de landelijk bekende grote afpersingszaak van [B] , die is begonnen na de ontdekking van een grote hoeveelheid cocaïne in een lading fruit van het bedrijf. Op die ontdekking volgden pogingen tot afpersing en aanslagen om die pogingen kracht bij te zetten. De aanslag waarbij verdachte betrokken is geweest is enkel voorkomen door vroegtijdig ingrijpen van de politie. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan zeer ernstige feiten en heeft daarmee ook een bijdrage geleverd aan de aanhoudende afpersing van [B] .
De persoon van verdachte
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft het hof gelet op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 28 oktober 2024. Daaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke misdrijven zodat dat niet strafverhogend werkt.
Het hof heeft tevens kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 10 augustus 2023. Als positieve factoren ziet de reclassering dat betrokkene niet in beeld komt bij politie, dat hij huisvesting, dagbesteding en daarmee een goed inkomen heeft en dat hij een stabiele gezinssituatie heeft. De reclassering ziet het sociaal netwerk van verdachte als mogelijk risico verhogende factor.
Redelijke termijn
Het hof stelt voorop dat het antwoord op de vraag welke behandelduur redelijk is, onder meer afhankelijk is van de ingewikkeldheid van de zaak (bijvoorbeeld het gegeven dat de zaak gelijktijdig wordt behandeld met strafzaken tegen medeverdachten of met andere strafzaken tegen verdachte), de invloed van verdachte op het procesverloop en op de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daarbij is het uitgangspunt dat een strafzaak tegen een verdachte in voorlopige hechtenis binnen zestien maanden wordt afgedaan en een strafzaak tegen een verdachte die zich niet in voorlopige hechtenis bevindt binnen vierentwintig maanden, maar dat bijzondere omstandigheden kunnen meebrengen dat daarvan wordt afgeweken.
-Eerste aanleg
De redelijke termijn is aangevangen op 14 december 2021, door de inverzekeringstelling van verdachte. Op 27 januari 2022 is de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven. De behandeling van de zaak in eerste aanleg is afgerond op 6 november 2023, zijnde de datum waarop de rechtbank het vonnis waarvan beroep wees. Het hof is dan ook van oordeel dat de behandeling van de zaak in eerste aanleg niet langer heeft geduurd dan de hiervoor genoemde redelijke termijn.
-Hoger beroep
In hoger beroep is de redelijke termijn aangevangen op 7 november 2023, door het instellen van hoger beroep door verdachte. Dit arrest wordt gewezen op 4 april 2025, wat meebrengt dat de behandeling van de zaak in hoger beroep ongeveer zeventien maanden heeft geduurd zodat ook in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden.
De strafoplegging
Vanwege de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan het hof niet anders dan aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur opleggen. Daarbij neemt het hof in overweging het gemak waarmee verdachte meermaals persoonlijke gegevens opvraagt en vervolgens verstrekt aan zijn opdrachtgever, terwijl hij in één van de gevallen wist dat daarmee een aanslag op een woning zou kunnen worden gepleegd. Alles overziend legt het hof aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van twee jaar en zes maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Hoewel het hof zich realiseert dat dit voor verdachte grote gevolgen zal hebben kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met de door de advocaat- generaal voorgestelde straf, laat staan met de door de verdediging voorgestelde afdoening.”
5.3
De steller van het middel beroept zich ter onderbouwing van de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op een door de verdediging ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de straf op de volgende passages van de ter terechtzitting in hoger beroep van 2 december 2024 overgelegde passages van de pleitaantekeningen:
“Strafmaat
Op de keper beschouwd kan cliënt, als u alles bewezen acht, (enkel) worden verweten dat hij twee keer adresgegevens heeft verkregen en doorgegeven. Niet meer en niet minder. Ik ben ervan overtuigd dat cliënt destijds niet het kwaad heeft ingezien van zijn actie(s). Wat hem maximaal kan worden verweten is dat hij erg naïef is geweest, even los van de juridische kwalificaties.
De grote vraag is of een bijna 36 jarige man, zonder noemenswaardige doe, voor meerdere jaren naar het gevang moet, met alle nadelige gevolgen van dien. Voor cliënt staat immers veel op het spel: gezin en werk. Ik meen dat dit voorkomen moet worden. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf, langer dan het voorarrest, acht ik niet passend. Er zijn ook voldoende alternatieven.
Alvorens bij deze alternatieven stil te staan, wens ik enkele opmerkingen over de persoonlijke omstandigheden van cliënt te maken.
Als positieve factoren ziet de reclassering dat betrokkene niet in beeld komt bij de politie, dat hij huisvesting, dagbesteding en daarmee een goed inkomen heeft en dat hij een stabiele gezinssituatie heeft.
De OXREC, een statistisch risicoschatting-instrument, schat het risico op algemene recidive en het risico op geweldsrecidive beide in als laag. Ondanks het ontbreken aan een delictgeschiedenis, zijn wij vanuit professioneel reclasseringsoordeel geneigd om het risico op algemene recidive laag-gemiddeld in te schatten, aangezien het sociaal netwerk van [verdachte] niet wordt meegewogen in de OXREC, terwijl daar onzes inziens de meeste risico's liggen. Het risico op geweldsrecidive schatten wij conform de OXREC laag in, omdat betrokkene geen gewelddelictsverleden kent en wij bijvoorbeeld ook geen aanwijzingen zien voor problematiek bij betrokkene ten aanzien van zijn emotie- en/of agressieregulatie. Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden schatten wij tot slot laag in. [verdachte] stelt zich open en meewerkend op.
Belangrijk: de verdenkingen gegeven zijn van 4 jaar geleden. Ook in de tussentijd heeft cliënt er geen blijk van zich met strafbare feiten bezig te houden.
Werk, gezin (met zeer jonge kinderen -> de jongste is 2), eigen woning. Grote gevolgen detentie.
Mijn dochter is 4 en mijn zoon is 2. Het idee om zonder hen te moeten leven is ondenkbaar. Ze zijn zo jong en afhankelijk van me, en ik heb geen idee wat ik hen zou moeten vertellen als ik er niet bij kan zijn. Hun lach, hun onschuld en de momenten die we samen delen, betekenen alles voor me. Ik wil er altijd voor ze zijn, ze ondersteunen en begeleiden terwijl ze opgroeien. Het idee om dat te verliezen, breekt mijn hart.
Voorts is hij reeds flink gestraft middels de VH:
[verdachte] vertelt in zijn verleden geen psychische hulpverlening te hebben gehad. Ten tijde van onderhavige verdenking heeft hij een half jaar psychische hulp ontvangen. Hij zegt tijdens zijn hechtenis in volle beperkingen te hebben gezeten, maar wel met een psycholoog te mogen praten. Hij merkte dat hij hier rustig van werd en is dit na zijn hechtenis blijven voortzetten. Sinds zijn thuiskomst had betrokkene last van "paniekaanvallen". Hij schrok 's ochtends vroeg wakker en dacht dan dat hij de bel hoorde en dat de politie hem zou komen halen. Inmiddels is hij gestopt met de gesprekken bij de psycholoog.
Aangenomen mag worden dat de VH de nodige preventieve werking heeft gegenereerd. Dit blijkt overigens ook wel uit de voor het overige blanco documentatie.
Dit alles maakt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de reeds ondergane VH niet op zijn plaats is, ongeacht wat u bewezen acht.
Mocht u de feiten en de rol van cliënt daarin toch heel ernstig achten en in beginsel een langdurige gevangenisstraf overwegen, dan wil ik u wijzen op enkele alternatieven. Allereerst een lange voorwaardelijke gevangenisstraf, gecombineerd met een werkstraf. Een andere mogelijkheid is een zeer lange werkstraf.”
[Hierna volgen twee citaten: een betreft een citaat uit een arrest van gerechtshof Amsterdam, ECLI:NL:GHAMS:2023:477 en de ander betreft een citaat uit een arrest van de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2022:1191, D.P.].
5.4
In zijn arrest uit 2022 heeft de Hoge Raad overwogen dat in het Nederlandse strafrecht geldt dat feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Die vrijheid houdt in dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. [7]
5.5
De feitenrechter is gehouden om te responderen op uitdrukkelijk onderbouwde standpunten ten aanzien van de straf. Een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte levert evenwel niet een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op. Dat geldt ook voor de enkele opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf. [8] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan wel sprake zijn als het gaat om een betoog waarin beargumenteerd wordt aangevoerd waarom – gelet op de belangen die daarbij voor de verdachte op het spel staan – een bepaalde specifieke omstandigheid of een samenstel van specifieke omstandigheden zou moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, of waarom de rechter daarvan juist zou moeten afzien. De rechter moet dan op grond van art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv nader motiveren waarom hij tot een van dat standpunt afwijkende beslissing komt. In zo’n geval gaat het bij de controle in cassatie in de kern om niet meer dan de vraag of de feitenrechter ervan blijk heeft gegeven dat acht is geslagen op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, en of de feitenrechter, gelet op de strafmotivering als geheel, voldoende inzichtelijk heeft gemaakt waarom de door de verdediging voor zijn standpunt aangevoerde gronden niet opwogen tegen de door het hof genoemde gronden voor de opgelegde straf. [9]
5.6
Gelet op de ruime straftoemetingsvrijheid kan in cassatie niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren. [10] Slechts indien de strafoplegging op zichzelf onbegrijpelijk is of verbazing wekt en als gevolg daarvan onbegrijpelijk is, kan in cassatie worden ingegrepen. Daarvan kan sprake zijn als de straf tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden, verbazing oproept. In een dergelijk geval is extra motivering vereist. [11] Van verbazing kan ook sprake zijn als in hoger beroep veel zwaarder wordt gestraft dan in eerste aanleg, zonder dat die verhoging wordt gemotiveerd. Een ander geval dat verbazing kan oproepen is het geval dat de bewezenverklaring in appel minder (ernstige) feiten omvat dan in eerste aanleg, terwijl de opgelegde straf (vrijwel) hetzelfde blijft. [12]
5.7
Door de steller van het middel wordt aangevoerd dat het hof niet ‘(noemenswaardig)’ op de door de verdediging voerde ‘verweren’ is ingegaan en er niet veel woorden worden gewijd aan waarom de door de advocaat-generaal gevorderde en eerder door de rechtbank opgelegde straf niet passend zou zijn.
5.8
De klacht dat het hof niet ‘noemenswaardig’ is ‘ingegaan’ op de door de verdediging gevoerde ‘verweren’, steunt op de veronderstelling dat door en namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van de straf, waarop het hof gehouden was te responderen. Door noch namens de verdachte is naar mijn oordeel evenwel zo’n uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ingenomen, zodat de klacht feitelijke grondslag mist. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd is hoogstens aan te merken als een algemeen verzoek tot het matigen van de straf op basis van persoonlijke omstandigheden van de verdachte dan wel een opsomming van factoren die bij de strafoplegging in de zaak van de verdachte een rol zouden moeten spelen en die zouden moeten leiden tot een bepaalde soort of mate van straf, op welk verzoek c.q. opsomming de rechter niet behoeft te responderen. [13]
5.9
Door de steller van het middel wordt verder geklaagd dat de strafoplegging verbazing wekt, nu het hof ‘niet veel woorden heeft gewijd aan waarom de door de advocaat-generaal gevorderde en eerder door de rechtbank opgelegde straf niet passend zou zijn’.
5.1
Over deze klacht kan ik kort zijn. De strafoplegging van het hof wekt naar mijn oordeel in het licht van hetgeen ten laste van de verdachte bewezen is verklaard en afgezet tegen de grote mate van vrijheid die de feitenrechter heeft in het bepalen van de (hoogte van de) straf, allermist verbazing. Het enkele feit dat de opgelegde straf hoger is dan de straf die de rechtbank heeft opgelegd en de straf die de advocaat-generaal heeft geëist, leidt nog niet tot de conclusie dat die straf reeds daarom verbazing wekt. Van belang daarbij is dat het hof in zijn strafmaatoverwegingen duidelijk uiteen heeft gezet waarom het – in afwijking van de door de advocaat-generaal gevorderde straf – tot de opgelegde straf is gekomen. Zo heeft het hof onder meer overwogen dat het vanwege de ernst van de bewezen verklaarde feiten niet anders heeft gekund dan aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van substantiële duur op te leggen, waarbij het in overweging heeft genomen het gemak waarmee de verdachte meermaals persoonlijke gegevens opvraagt en vervolgens verstrekt aan zijn opdrachtgever, terwijl hij in één van de gevallen wist dat daarmee een aanslag op een woning zou kunnen worden gepleegd.
5.11
Het middel faalt in al zijn onderdelen.

6.Slotsom

6.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
6.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
6.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Parketnummer: 21-005169-23. Het arrest is gepubliceerd op rechtspraak.nl onder ECLI:NL:GHARL:2025:1931.
2.HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413,
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
4.A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,
5.Vgl. HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049,
6.HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1407,
7.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
8.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
9.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,
10.A.J.A van Dorst en M.J. Borgers,
11.G.J.M. Corstens,
12.Zie HR 8 juni 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0400,
13.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975,