Conclusie
eiseres tot cassatie,
verweerders in cassatie
alleennog om de wijze waarop de schadeomvang is begroot die Grand Tropez c.s. heeft geleden ten gevolge van de als onrechtmatig aangemerkte ontruiming door Strandweg in 2017 van strandpaviljoens op Scheveningen. Moet de daardoor veroorzaakte winstderving als duurschade worden gezien of als momentschade in de vorm van verlies van ondernemingswaarde? Dat is in de kern de hamvraag in cassatie. De problematiek staat op scherp, omdat een peildatum in een (ver) verleden is gekozen (het onrechtmatig geachte ontruimingsmoment 1 oktober 2017) en er tussen die peildatum en het schadebegrotingsmoment (het arrest waarvan beroep) geruime tijd is verstreken (ruim zeven en een half jaar, een periode waarin winstpotentieel beïnvloedende feiten zijn voorgevallen die op de peildatum niet waren te voorzien: pandemie, ongekende inflatie en hogere personeelskosten door arbeidsmarktkrapte). Het hof heeft tot uitgangspunt genomen de schaderapportage van de gerechtelijke deskundige die de Discounted Cash Flow-methode (DCF-methode) heeft gehanteerd. Dat is een ex ante begrotingswijze waarbij op de peildatum de schade als momentschade wordt gekapitaliseerd. Kon dat hier? (Ook) ik bepleit dat dat niet wenselijk is en een duurschademodel hier beter recht doet aan het stelsel van art. 6:97 en Pro 6:105 BW. En zo al geen afscheid wordt genomen van de mogelijkheid om een ver in het verleden gelegen peildatum te kiezen in dit soort situaties, dan zou hier ‘hybride’ moeten zijn gecorrigeerd voor coronaomzetverlies, hoge inflatie door de oorlog in Oekraïne en hogere personeelskosten door personeelstekort, zoals bepleit door de laedens. Ik zie de cassatiepoging dan ook doel treffen.
2.Procesverloop
primair:
primair en subsidiair:
meer subsidiair:
Wat is de schade die de vennoten van VOF Grand Tropez hebben geleden naar aanleiding van de onrechtmatige ontruiming van het gehuurde aan de Strandweg 101-113 te Scheveningen per 1 oktober 2017, rekening houdend met de volgende overwegingen?
Betonpalen-arrest [10] ) dat de deskundige op zijn minst had moeten kiezen voor een hybride variant, te weten de economische methode waarbij rekening wordt gehouden met
ex postontwikkelingen.
ex anteinformatie is volgens Grand Tropez c.s. bij deze methode verplicht.
Schade
Ontbreken causaal verband / beroep op eigen schuld / voordeel / matiging
discounted cash flow(DCF) methode. De deskundige heeft de waarde berekend die de onderneming redelijkerwijs zou hebben als de schadeveroorzakende gebeurtenis zich niet zou hebben voorgedaan. De berekening is gebaseerd op ex ante uitgangspunten per peildatum 1 oktober 2017. De gemiste cashflows vertegenwoordigen volgens de deskundige een contante waarde van € 1.449.325,-. Om deze cashflows te realiseren dient een bedrag van € 430.000,- geïnvesteerd te worden, zodat dit bedrag wordt afgetrokken van de contante waarde van de cashflows. De uitkomst (€ 1.019.325,-) is dan de netto contante waarde van de cashflows. Omdat de exploitatie conform de geformuleerde uitgangspunten aanvangt per 1 januari 2020 is de waarde berekend op die datum. De schade datum is echter 1 oktober 2017. Het bedrag is vervolgens contant gemaakt naar deze datum. Omdat in deze periode geen ondernemersrisico aanwezig is, is de tijdvoorkeur voor geld in de discontering opgenomen, te weten de wettelijke rente van 2%. De SOLL-positie is dan € 933.468,-. De IST-positie is volgens de deskundige het positief eigen vermogen uit de jaarrekening 2017, te weten € 32.522,-. Het verschil tussen de SOLL- en de IST- positie bedraagt volgens de deskundige € 900.946,-.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
Onderdeel 1formuleert rechts- en motiveringsklachten tegen het oordeel dat de gehanteerde DCF-methode, waarbij (uitsluitend) gebruik is gemaakt van
ex anteinformatie, in overeenstemming is met de aard van de geleden schade.
Onderdelen 2 en 3klagen over respectievelijk het ongemotiveerd voorbijgaan aan Strandwegs essentiële stelling dat ten onrechte geen rekening is gehouden met een aanloopperiode en dat is uitgegaan van een niet representatieve bruto-marge (die verweerder sub 3, [verweerder 3] in Amsterdam realiseert).
Onderdeel 4beklaagt de disconteringsvoet van 2% voor het contant maken van de schade van 1 januari 2020 naar 1 januari 2017 (de renovatieperiode, waarin volgens Denneboom geen sprake zou zijn van ondernemingsrisico), terwijl voor het contant maken van de schade naar 1 januari 2020 een disconteringsvoet van 18% is gebruikt. Geklaagd wordt dat onbegrijpelijk is dat Denneboom ervan uitgegaan is dat Grand Tropez c.s. de exploitatie tijdens de renovatie gestaakt zou hebben, omdat de gerechtelijk deskundige in een andere context tot uitgangspunt neemt dat de onderneming wel zou zijn voortgezet.
begroting van de omvangvan de schade die Grand Tropez c.s. heeft geleden ten gevolge van de onrechtmatig geoordeelde ontruiming door Strandweg (aldus ook s.t. Strandweg 2). De geschilpunten over de ontbinding en ontruiming (de beooordeling van grieven II en III in rov. 6.2-6.10), over het causaal verband, eigen schuld, voordeel en matiging (de beoordeling van grief IV in rov. 6.11-6.18) zijn in cassatie niet meer aan de orde. Ter inleiding schets ik eerst enkele hier relevante aspecten van schadebegroting in dit soort kwesties.
Betonpalen, al aangehaald, onder 3.7: [15]
NJ2018/193 m.nt. S.D. Lindenbergh,
JA2018/29 m.nt. M.R. Hebly en
M en R2018/41 m.nt. E.H.P. Brans en H.J.S.M. Langbroek (
Liander/gem. Heiloo), rov. 3.5.2, onder verwijzing naar HR 15 mei 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2654,
NJ1998/624 (
Vehof/Helvetia), rov. 3.5.1 en HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277, NJ 2000/437 m.nt. C.J.H. Brunner (
Van Sas/Interpolis), rov. 3.4.] Deze inschatting van de toekomst onder afweging van goede en kwade kansen is in beginsel voorbehouden aan de feitenrechter en daarmee in cassatie slechts beperkt toetsbaar. [vtnt 41: Zie bijvoorbeeld HR 14 januari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4277,
NJ2000/437, m.nt. C.J.H. Brunner (Van Sas/Interpolis).’
NTBR2021/34, p. 273 e.v.] Een peildatum die verder terug ligt in de tijd (ten opzichte van de uiteindelijke rechterlijke uitspraak), brengt mee dat eigenlijk een ‘stuk’ reeds verschenen schade (namelijk in de periode vanaf de peildatum tot de uitspraakdatum) als toekomstschade wordt behandeld. Het gevolg is dat er op het moment van waarderen en vaststellen van schade en schadevergoeding (zeg maar de uitspraakdatum), wel rekening zou kunnen worden gehouden met nieuw verworven kennis en inzicht (omtrent dood/leven/gezondheid van eiser, marktontwikkelingen, fiscaal regime etc.) in de periode tussen peildatum en uitspraakdatum. De verleiding om dat inderdaad ook te doen is groot, maar wanneer dat gebeurt, is van een echte ex ante-benadering, anders gezegd van werkelijke beoordeling van toekomstschade, geen sprake meer. In plaats daarvan is (in ieder geval voor de periode tot aan de uitspraakdatum) sprake van een hybride benadering waarin in meer of mindere mate ex post wordt geoordeeld zodat niet werkelijk sprake is van begroting bij voorbaat van toekomstige schade, maar (in ieder geval voor de periode tot aan de uitspraakdatum) van een gecompliceerde begroting van in wezen verschenen schade. [vtnt. 149: Zoals in HR 30 augustus 2019,
NJ2020/120, m.nt. S.D. Lindenbergh (
Betonpalen) aan de orde is.]
NJ2012/613 (
Arts/Erven P.), in het kader van personenschade en HR 30 augustus 2019,
NJ2020/120, m.nt. S.D. Lindenbergh (
Betonpalen) voor een geval dat ligt buiten het terrein van personenschade.]’
duurschade-benaderingwaarbij de schade gaandeweg wordt geleden en die ex post wordt begroot voor zover al geleden tussen het normschendingsmoment en het schadevaststellingsmoment en ex ante wordt begroot voor de toekomst op het vaststellingsmoment en 2) een
momentschade-benaderingdie op een peildatum de hele schade als verloren gegane ondernemingswaarde ex ante middels kapitalisatie begroot. Hebly en Pijls [21] schetsen in hun beschouwing over het
Betonpalen-arrest in andere woorden hetzelfde dilemma hierbij als Hartlief (die als A-G ook conclusie heeft genomen in de
Betonpalen-zaak) in het citaat in het vorige randnummer (in het voetspoor van Hebly en Klaassen):
gederfde winsten wordt de schade – zijnde een duurschadepost –
gaandeweggeleden over de tijdvakken waarover het vermogen zou zijn verrijkt door de ondernemingsactiviteit. De schade wordt dan
ex postvastgesteld voor zover zij is geleden in de periode tussen de normschending en het moment waarop de schade wordt vastgesteld, en
ex antevoor zover op het vaststellingsmoment ook in de toekomst nog winst zal worden gederfd (en deze toekomstige winstderving bij voorbaat wordt begroot en vergoed op de voet van art. 6:105 BW Pro). Volgens de andere, tegengestelde benadering bestaat de rechtens relevante schade in de onmiddellijk verloren gegane
ondernemingswaarde. Aangezien de economische waarde van een onderneming bestaat in haar winstpotentie, oftewel het
vooruitzichtop winst, moet de schade in de vorm van verlies van ondernemingswaarde worden vastgesteld naar het (onmiddellijke) moment waarop de vennootschap wordt getroffen. De verloren verwachting van winst – men pleegt in dit verband te spreken van toekomstige ‘vrije kasstromen’ – moet dus
ex anteworden vastgesteld naar dat ene, eerste moment (de ‘peildatum’). Het kan nogal uitmaken of wel of geen gebruik wordt gemaakt van
ex postopgekomen kennis en informatie. Uiteraard moet zowel bij een
ex anteals een
ex postschade perspectief worden ‘uitgetekend’ hoe het de vennootschap zou zijn vergaan als de normschending niet had plaatsgevonden. Dat betreft in beide gevallen een structureel onzekere exercitie waarbij een veelheid aan inschattingen moet worden gemaakt over factoren die bepalend zijn voor de winst die de vennootschap dan zou hebben gemaakt. Cruciaal verschil is dat bij een
ex postbenadering allerlei latere feiten en omstandigheden een rol kunnen spelen die
ex antegeenszins waren te voorzien. Zo leert een latere bedrijfsbrand (die met de aansprakelijkheidscheppende gebeurtenis geen verband houdt), volgens de eerste benadering (winstderving,
ex post) dat ook in de hypothetische situatie zonder de normschending winsten zouden zijn weggevallen en speelt deze gebeurtenis bij de schadevaststelling een cruciale rol, terwijl de brand volgens de tweede benadering (verloren ondernemingswaarde,
ex ante) geen rol speelt omdat deze in redelijkheid niet kon worden verwacht. [vtnt 22: Vgl. de klassieke casus in HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2795, NJ 2002/576, m.nt. J.B.M. Vranken (
Leeuwarden/Los)] En de situatie
metnormschending – de andere kant van de vergelijking – moet volgens een
ex antebenadering worden vastgesteld naar het moment van de normschending, terwijl die situatie zich met het
ex postperspectief concreet laat kennen op basis van wat er feitelijk is gebeurd in het tijdvak tussen normschending en schadevaststelling.’
duurschadepostdie deels ex post (voor zover al geleden op het schadevaststellingsmoment) en deels ex ante (voor zover er nog sprake zal zijn van winstderving in de toekomst op het schadevaststellingsmoment) wordt vastgesteld – het beste past in het Nederlandse stelsel van schadevergoedingsrecht en spoort met de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Hoge Raad [22] .
Leeuwarden/Losdat gederfde winst ‘kennelijk’ wordt beschouwd als duurschade [23] . Lindenbergh [24] vindt dat voor beide visies wat te zeggen valt, maar vindt in navolging van Hebly en Pijls dat begroting van winstderving als
duurschadein geval de winstcapaciteit van een onderneming duurzaam wordt geraakt door wanprestatie beter past in ons wettelijk stelsel van schadevergoedingsrecht. Hij ziet daarbij de vraag of de ene of de andere benadering verkieslijk is als rakende aan de invulling van het begrip schade en daarmee als een
rechtsvraagdie zich in cassatie laat toetsen (NJ-annotatie onder 4). Dat is een relevant gezichtspunt voor onze zaak.
Peildatum-arresten(1997, 2003 en 2007) [25] gevolgd voor verlies van arbeidsvermogen en/of doorlopende kosten in verband met letsel, personenschade dus. De voornaamste reden voor deze peildatum-benadering lijkt te liggen in de rentesystematiek onder oud BW ten aanzien van periodiek geleden duurschade, zoals letselschade. Destijds diende de benadeelde in zo’n geval periodiek wettelijke rente aan te zeggen, omdat deze anders zou worden misgelopen (hetgeen nogal eens niet goed ging in de praktijk) [26] . In de drie
Peildatum-arresten werd hier een mouw aan gepast door toe te staan dat al geleden schade kon worden gekapitaliseerd naar een peildatum in het verleden, per welke datum dan ook de wettelijke rente ging lopen.
ex anteen
ex post-factoren zorgen en aanleiding geven tot verwarring, onzekerheid en (partij)discussies. Het hanteren van een peildatum impliceert immers dat de schade geacht wordt te zijn geleden op de peildatum, waardoor in beginsel slechts de feiten, omstandigheden en verwachtingen ten tijde van de peildatum relevant zijn voor het begroten van de schade. Tegelijkertijd wordt in de hybride methode gekozen voor het vervangen van (een deel van) deze feiten, omstandigheden en verwachtingen door daadwerkelijke uitkomsten die inmiddels bekend zijn. Dit leidt onvermijdelijk tot onzekerheid en discussie over de vraag van welke inmiddels bekende feiten wel en niet mag (of moet) worden geabstraheerd. Ik sta daar hierna nader bij stil.
disconteringsvoetgehanteerd, die bedoeld is om uitdrukking te geven aan de onzekerheid waarmee een gekozen scenario gepaard gaat. Doordat de H uit SOLL-IST wordt bepaald aan de hand van verwachtingen op het peilmoment, wordt gebruik gemaakt van een disconteringsvoet die overeenkomt met het risicoprofiel op het peilmoment [28] . De disconteringsvoet is gebaseerd op het idee dat men nu eenmaal niet in de toekomst kan kijken en dat er dus een ‘prijs’ staat op de onzekerheid van het gekozen scenario. Hoe groter de onzekerheden en risico’s en hoe verder weg in de tijd wordt gekeken, hoe hoger de disconteringsvoet is. Een vraag die is opgekomen is hoe zuiver het is om vast te houden aan een disconteringsvoet, wanneer inmiddels vaststaat dat bepaalde risico’s zich helemaal niet hebben gemanifesteerd Dit speelde in het
Derde peildatum-arrest. Mocht er bij het hanteren van een peildatum nog een bedrag in aftrek worden gebracht op grond van de sterftekanscorrectie, nu inmiddels duidelijk was dat de benadeelde in de tussenliggende periode niet was overleden (hetgeen tot de paradoxale uitkomst zou leiden dat ‘hoe ouder het slachtoffer
inmiddelsdaadwerkelijk is geworden, des te groter het overlijdensrisico dat
per peildatumvoor deze voorbije jaren gold en hoe meer dit over de inmiddels voorbij jaren op de omvang van de schade wordt bekort’ [29] )? Uitgemaakt is dat het in zo’n geval
niet pastdat de rechter slechts rekening mag houden met de op de peildatum bestaande verwachtingen over wat de toekomst zou brengen: [30]
Derde peildatum-arrest is dit mechanisme buiten de personenschadesfeer ook in bedrijfsschadesituaties toegepast [31] . A-G Hartlief bepleitte in 3.24-3.28 van zijn al aangehaalde conclusie voor
Betonpalen, een zaak over begroting van de schade van een betonpalenfabriek die in 1976 haar bedrijf niet had kunnen uitbreiden als gevolg van wanprestatie van de gemeente Vianen, onder referte aan het preadvies van Hebly en Lindenbergh uit 2016 van de ‘vereniging met de lange naam’ [32] , om afstand te nemen van de hybride methode en deze te reserveren voor gevallen waarin de renteproblematiek van art. 1286 BW Pro (oud) nog aan de orde is [33] . Dat is niet gevolgd; in
Betonpalenis vastgehouden aan het stelsel zoals bekend uit het
Derde peildatum-arrest: [34]
principieel [36] moeten worden verworpen, kort gezegd, omdat daarmee meer problemen worden veroorzaakt dan opgelost. Zij
mogen wellicht vanuit financieel/economisch perspectief aanspreken, maar zij zetten de juridische begrippen en leerstukken (begrip schade en schademoment, wettelijke rente, de betekenis van latere feiten en omstandigheden, etc.) drastisch op losse schroeven en staan op gespannen voet met de basale causale logica die aan het schadevergoedingsrecht ten grondslag ligt: het onderscheid tussen verwachting versus uitkomst vertroebelt immers. Een eenduidige keuze moet onzes inziens worden gemaakt voor een geval als in deze zaak aan de orde en het ligt daarbij
sterk voor de hand dat slechtswinstdervingrechtens als schade voor vergoeding in aanmerking komt en niet verloren ondernemingswaarde(waarmee dus ook de daarin besloten liggende
ex ante-benadering per datum normschending principieel van de hand wordt gewezen). In de parlementaire geschiedenis en in de rechtsliteratuur pleegt telkens te worden uitgegaan van
winstderving als duurschadepost[vtnt. 25: Winstderving wordt als typisch voorbeeld gezien van voortdurende schade, in lijn met inkomensverlies in geval van letselschade, zie TM,
PG Boek 6,p. 365. Dit voortdurende karakter wordt bijvoorbeeld bevestigd in
Leeuwarden/Los,HR 7 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB2795,
NJ2002/576, m.nt. J.B.M. Vranken, het ‘klassieke’ arrest over meervoudige causaliteit ingeval van winstderving. Zie in het bijzonder r.o. 3.4 waarin de Hoge Raad de winstderving in casu ‘voortdurende schade’ noemt.] De werking van de diverse leerstukken, zoals voordeelstoerekening, schadebeperking, toekomstige schade en meervoudige causaliteit, zou drastisch de pas worden afgesneden als (ook) de verloren ondernemingswaarde,
ex antevast te stellen naar het moment van de schadetoebrenging, de te vergoeden schade zou zijn.’ (Onderstrepingen A-G)
Peildatum-arresten, door hen als ‘berucht’ aangemerkt, afgeweken van de systematiek van art. 6:105 BW Pro. Er wordt op deze manier geen eenduidige keuze gemaakt voor wat ‘schade’ hier inhoudt, verlies van ondernemingswaarde of derving van winst, wat volgens hen onvermijdelijk uitmondt ‘in een haast onnavolgbaar gegoochel met bedragen en cijfers’ [37] . Hebly had het hybride stelsel in zijn proefschrift van een jaar eerder nog getypeerd als ‘een onaanvaardbare inconsistentie’ en ‘logisch inconsistent’, die de systematiek naar huidig recht ‘vertroebelt’ [38] . JOR-annotator Regouw spreekt over een methode van schadebegroting die ‘zowel problematisch als overbodig’ is en ‘geen bestaansreden heeft’, noemt het een ‘juridisch vogelbekdier’ en naar huidig BW ‘ronduit onzinnig’, acht kapitaliseren op een peildatum in het verleden ‘nergens voor nodig’ en noemt een ‘gemiste kans’ dat de Hoge Raad hier geen stokje voor heeft gestoken [39] . NJ-annotator Lindenbergh spreekt ook zijn verwondering uit over deze beslissing, vooral vanwege het niet motiveren daarvan [40] . Ook Klaassen verbaast zich daarover [41] . Zij kenschetst de hybride methode als enerzijds uitgaan van een ex ante schadebegroting van als toekomstig te beschouwen schade, met anderzijds een zekere vorm van ‘cherry picking’ met het meewegen van feiten en omstandigheden die thuishoren in een ex post schadebegroting [42] .
Derde peildatumen
Betonpalen. Als dat uitgangspunt blijft (waarvoor overigens ook ik geen valide redenen kan bedenken), dan is een mogelijk gezichtspunt dat de ‘hybride’ methode recht kan doen aan de gedachte dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk de werkelijke schade moet worden begroot. Anders gezegd: beter dan een dogmatisch zuivere ex ante benadering in zo’n situatie met een flinke tijd tussen peildatum en schadebegrotingsmoment waarbij wordt geabstraheerd van zich inmiddels tussen de peildatum en die van de schadevaststelling voorgedaan hebbende daadwerkelijke feiten en omstandigheden. Vanuit het praktische perspectief van de feitenrechter die deels toekomstige schade moet begroten en daarin een ruime mate van vrijheid krijgt toegemeten, met inbegrip van het kiezen van een peildatum in een ver verleden, ‘voelt’ de hybride methode dan financieel/economisch mogelijk ‘beter’, ook al verdient dat in de woorden van A-G Hartlief [43] ‘geen schoonheidsprijs’ en is volgens NJ-annotator Lindenbergh [44] de zaak uit
Betonpalenillustratief voor hoe het niet moet. Deze voorzichtige pragmatiek is vloeken in de dogmatische kerk, ik weet het, maar het is dan tenminste iets als men wil vasthouden aan de mogelijkheid van een peildatum in een (lang) verleden (wat ook volgens mij niet zou moeten). Ik teken daar ook bij aan dat niet meteen valt in te zien dat bij (strikter) vasthouden aan ofwel de duurschadebenadering (winstderving), dan wel een (zuivere) verloren gegane ondernemingswaarde men in voorkomend geval niet ook ‘gegoochel met cijfers en bedragen’ tegen zou komen, zoals Hebly en Pijls hun kritiek op dit stelsel verwoorden (zie hiervoor in 3.14). Om hen zelf nogmaals aan te halen [45] : er moet immers ‘uiteraard (…) zowel bij een
ex anteals een
ex postschadeperspectief worden ‘uitgetekend’ hoe het de vennootschap zou zijn vergaan als de normschending niet had plaatsgevonden. Dat betreft
in beide gevallen een structureel onzekere exercitie waarbij een veelheid aan inschattingen moet worden gemaaktover factoren die bepalend zijn voor de winst die de vennootschap dan zou hebben gemaakt.’ (Onderstreping toegevoegd). Zoals ik al zei: schadebegroting is geen exacte wetenschap, óók niet als je een zuivere ex ante of zuivere ex post methode hanteert. Dat dat wezenlijk anders wordt bij het hanteren van de hybride methode, zoals de stevige kritiek op de Hoge Raad lijn luidt, valt vanuit financieel perspectief dan nog maar te bezien, zou je in die optiek kunnen zeggen. Met meteen als tegenwerping: werken met inschattingen is onvermijdelijk, maar de problemen die ontstaan door de mogelijkheid van een peildatum in een ver verleden zijn wel te vermijden door die deur dicht en op slot te doen.
Peildatum-leer is niet dat er een peildatum
moetworden gekozen, maar dat het
kan(het kan ook anders) en dat ook als met zo’n peildatum wordt gewerkt de inmiddels opgedane kennis over wat er na de peildatum is gebeurd mag (of beter gezegd:
moet, als het partijdebat daar aanleiding toe geeft) worden meegenomen. Pleiten voor een principiële keuze voor afstand nemen van deze leer heeft A-G Hartlief (met veel bijval in de literatuur) al gedaan in zijn conclusie vóór
Betonpalen(althans om dat ‘hybride’ stelsel alleen te reserveren voor zaken waarin de renteproblematiek naar oud BW nog speelt), maar dat is niet de weg die vervolgens in
Betonpalenis bewandeld (zonder daar een motivering voor te geven). De voor huidig recht gehandhaafde leer is vervolgens stevig bekritiseerd. Ook (wnd.) A-G’s Bloembergen en Wuisman hebben zich al eerder kritisch getoond over deze benadering in hun conclusies voor respectievelijk het
Eersteen het
Derde peildatum-arrest. Ik ga anders dan hiervoor al is gedaan geen additionele duit in dit zakje doen (de peildatumoptie in een ver verleden is ook in mijn ogen onnodig complicerend en kan gemist worden), maar het is lijkt mij in deze zaak wel een beslispunt of nog steeds aan de ‘hybride’ leer moet worden vastgehouden naar de huidige stand van het recht;
Betonpalenis al weer bijna zeven jaar geleden. Klaassen [46] , ook geen fan van dit stelsel, heeft daarover dit gezegd:
Hopelijk trekt de Hoge Raad zich dan wat meer aan van de roep om een andere koers te varen, althans bij duurschade,
of motiveert hij in elk geval waarom hij meent goede gronden te hebben dit niet te doen.’ (Onderstrepingen A-G)
gehoudenis om ‘hybride’ te opereren in die zin dat met ontwikkelingen na de peildatum rekening
moetworden gehouden. Ik citeer nog een keer Hebly en Pijls [47] (die
Betonpalennet als Klaassen als het
Vierde peildatum-arrest zien):
Peildatum-arresten van de Hoge Raad laten zich onzes inziens slechts zo begrijpen dat de rechter
gehoudenis rekening te houden met feiten en omstandigheden die zich tussen de in het verleden gelegen peildatum en de datum uitspraak hebben voorgedaan, als het partijdebat hem daartoe voldoende aanknopingspunten biedt (wat in de regel het geval zal zijn). Als bij het schadevergoedingsrechtelijke uitgangspunt niet past dat de rechter zich beperkt tot wat zich per peildatum liet kennen, staat het de rechter dus
niet vrijom met latere feiten en omstandigheden
geenrekening te houden. [vtnt. 29: Vgl. onder meer C.E.C.J. Ponsioen, ‘Kapitalisatie van ‘toekomstige’ schade; de vrijheid van de rechter als toverformule?’,
MvV2008-3, p. 50-53 en S.D. Lindenbergh, ‘Abstracties bij vaststelling van schade’, in: C.J.M. Klaasen & J. Spier (red.),
Abstracte schadeberekening, preadvies Vereniging voor Aansprakelijkheids- en Schadevergoedingsrecht (VASR),Deventer: Kluwer 2013
,p. 19] Er valt ook geen goede reden te bedenken waarom de rechter de vrijheid zou moeten hebben om bepaalde feiten en omstandigheden in het ene geval wel mee te wegen (vanwege de opdracht de ‘werkelijke’ geleden en te lijden schade te begroten) en in het andere geval buiten beschouwing te laten (omwille van het peildatumperspectief). Hierbij benadrukken wij dat dit al dan niet rekening houden met latere feiten en omstandigheden nauw samenhangt met de omlijning van het schadebegrip en daarmee ten volle toetsbaar is in cassatie.’
duurschadeenerzijds met een ex ante deel voor zover op het schadevaststellingsmoment ook in de toekomst nog winst zal worden gederfd en 2) de
momentschadein de vorm van verlies van ondernemingswaarde of anders gezegd: verlies van (toekomstige) winstcapaciteit, als ex ante benadering [48] . Om die laatste methode te kunnen doorgronden is enig inzicht vereist in (economische) ondernemingswaardering in algemene zin.
disconteren: door te rekenen met een bepaald aftrekpercentage (de disconteringsvoet) worden toekomstige geldstromen omgerekend naar de contante waarde daarvan op het waarderingsmoment. De disconteringsvoet bestaat normaal gesproken uit rente en een risico-opslag. De disconteringsvoet is een weerslag van de gedachte dat een onderneming als een investeringsproject kan worden beschouwd. De disconteringsvoet kan verschillende risico’s bevatten verbonden aan de markt en de betreffende branche. Daarbij geldt dat des te hoger de risico-opslag, des te groter de disconteringsvoet en des te lager de contante waarde van de toekomstige geldstromen en daardoor van de onderneming. Hebly geeft aan dat dit intussen geen sinecure is: de kasstroomprognose is inherent discutabel, maar ook de manier van verdiscontering van de tijdsvoorkeur en het risico is volgens de economische literatuur complex en per definitie arbitrair, want in zekere mate subjectief: ondernemingswaardering is geen exacte wetenschap. De zo benaderde economische waarde van een onderneming op een bepaald tijdstip is een ex ante begrip en betreft de waarde van het winstpotentieel.
business valuatorszijn daar beter aan gewend. Hoewel het benutten van later opkomende informatie met de economische benadering theoretisch is uitgesloten – latere gebeurtenissen kunnen de waarde op een eerder peilmoment niet beïnvloeden – kan het voor betrokken partijen en voor de rechter contra-intuïtief zijn deze bij de schadevaststelling geheel buiten beschouwing te laten.’
ex antebenadering, omdat anders het element van (ondernemings)risico niet wordt gereflecteerd in de schadevergoeding. Geeft men daarvan geen rekenschap, dan zou de benadeelde door de schadevergoeding in een economisch betere positie terechtkomen.’
Betonpalen-leer bij te sturen, dan (maar dit is ‘second best’ in mijn ogen) moet als gekozen wordt voor een momentschadebenadering met een peildatum in een (ver) verleden gewerkt worden met ‘hybride’ ex post correcties en kan niet worden volstaan met een pure ex ante benadering. Gelet op de op goede gronden gegeven kritiek in de literatuur van gezaghebbende huize op de
Betonpalen-leer die in wezen ook al sinds een kleine 30 jaar wordt ontraden door de (wnd) A-G’s Bloembergen, Wuisman en Hartlief (en nu door mij), lijkt het vanuit het oogpunt van rechtsontwikkeling wenselijk om bij handhaving van de mogelijkheid van een momentschade-benadering bij winstderving met een peildatum in een (ver) verleden uiteen te zetten
waaromdie mogelijkheid naar huidig recht verdient te blijven bestaan (buiten gevallen waarin bedoelde renteproblematiek naar oud BW nog resteert).
ex anteinformatie, in overeenstemming is met de aard van de geleden schade.
Subonderdelen 1.1 en 1.2beklagen dit als onjuist of ontoereikend gemotiveerd.
Subonderdeel 1.3klaagt dat voor zover dit oordeel er mede op berust dat Strandweg met die wijze van schadebegroting zou hebben ingestemd, dat onjuist, althans onbegrijpelijk is en
subonderdeel 1.4dat het hof niet heeft gerespondeerd op de door Strandweg aangevoerde bezwaren tegen de geschiktheid van deze methode in het onderhavige geval.
subonderdeel 1.1is dat het oordeel dat de gehanteerde DCF-methode met schadebegroting op basis van alleen ex ante informatie in dit geval in overeenstemming is met de aard van de schade, onjuist is. Uitgangspunt is (ik parafraseer hier) SOLL-IST=H, waaruit volgt dat schade moet worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval [51] . Dat is niet anders als de rechter opteert voor kapitalisatie op een peildatum die (geruime tijd) voor de uitspraak ligt, dat staat hem op zich vrij, maar ook bij die begrotingswijze blijft uitgangspunt dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade moet worden begroot. Dan kan de rechter niet alleen maar rekening houden met de op de peildatum bestaande toekomstverwachtingen, zonder rekening te houden met feiten en ontwikkelingen die zich na de peildatum daadwerkelijk hebben voorgedaan (onder verwijzing naar het
Derde peildatum-arrest en
Betonpalen), omdat daarmee het uitgangspunt wordt miskend dat zoveel als mogelijk de daadwerkelijk geleden en te lijden schade moet worden vergoed. De ex post factoren die hadden moeten worden meegenomen in de begroting zijn de coronapandemie (resulterend in een veel lagere omzet dan de door Denneboom ex ante begrote € 1,5 miljoen), inflatie ten gevolge van de Russische inval in Oekraïne en hogere personeelskosten vanwege arbeidsmarktkrapte (die ook niet ex ante waren te voorzien op de peildatum 1 oktober 2017). Door daar geen rekening mee te houden, is meer schadevergoeding uitgekeerd dan er aan schade is geleden.
eerste lijnis deze. Als uitgangspunt moet zijn dat de rechtens juiste schadebegroting bij winstderving hier een
duurschade-benaderingis met een ex post begroting voor de schade vanaf de schadeveroorzakende gebeurtenis tot aan het moment van schadebegroting en een ex ante begroting voor winstderving vanaf dat laatste moment, hetgeen als besproken de dominante opvatting in de literatuur is, dan slaagt deze klacht [52] . Basis voor de schadebegroting in de bestreden uitspraak is immers de pure ex ante
momentschade-benaderingvolgens de DCF-methode, waarin alleen plaats is voor prognoses op de peildatum van 1 oktober 2017. Als deze eerste lijn wordt gevolgd, zou dat ook het eind betekenen van de
Betonpalen-leer
,althans voor zaken waar de renteproblematiek van art. 1286 BW Pro (oud) niet meer speelt. Dat is wat ik onder verwijzing naar de uiteenzettingen in de inleiding als primaire lijn bepleit; zie met name hiervoor in 3.7-3.8, 3.12-3.15, 3.18 en 3.22.
momentschade-benaderingkan worden gehanteerd bij begroting van de omvang winstdervingsschade als hier aan de orde met de mogelijkheid om een in een (ver) verleden liggende peildatum te kiezen – en
Betonpalenovereind zou blijven (en waar, zoals aangegeven in 3.22, dan de rechtsontwikkeling gediend zou worden met een onderbouwing
waaromdie mogelijkheid bestaansrecht heeft) – slaagt de rechtsklacht eveneens. Dat is de
tweede lijn. Ook dan kan namelijk naar de huidige stand van het recht bij de in beginsel ex ante benadering
nietworden volstaan met alleen een ex ante begroting, maar
moeten‘hybride’ ex post correcties worden toegepast als het partijdebat daar aanleiding toe geeft, zo volgt uit het
Derde peildatum-arrest en
Betonpalen, waartoe ik verwijs naar 3.16 en 3.22. Strandweg heeft ook ‘hybride’ correcties bepleit in de vorm van verminderd omzetverlies door de coronapandemie, inflatie vanwege de oorlog in Oekraïne en hogere personeelskosten door personeelstekort, ontwikkelingen die allemaal niet te voorzien waren op de peildatum van 1 oktober 2017, maar die zich op het moment van de schadebegroting al hadden gemanifesteerd. Dan kan niet worden volstaan met een pure ex ante DCF-methode als hier door het hof is afgezegend. In deze tweede lijn, die ik zoals na de inleiding duidelijk zal zijn niet zou toejuichen, treft de rechtsklacht dus ook doel.
derde lijn, die ik als de minst aantrekkelijke al helemaal niet bepleit. Daarin leidt de klacht niet tot cassatie, omdat de vrijheid van de rechter bij de begroting van schade-omvang ook behelst dat kan worden gekozen voor een
momentschade-benaderingmet als grondslag een
pure ex ante DCF-benaderingzonder ‘hybride’ correcties à la
Betonpalen.Dat zou weliswaar ook betekenen dat de
Betonpalen-leer sneuvelt, omdat, zo is in 3.9, 3.12-3.13 en 3.16 besproken, daarin ‘hybride’ correcties ex post
nietmogen worden genegeerd. Omdat we daarmee nog verder van huis zijn, lijkt mij deze derde weg onbegaanbaar. Illustratief daarvoor is deze zaak: met de bedrijfseconomische schijn van objectiviteit die de DCF-methode ademt (ontwikkeld voor bedrijfswaardering, niet per se voor schadebegroting) wordt hier met een peildatum uit 2017 op het schadebegrotingsmoment in 2025 uitgekomen op een kennelijk te hoge schadeomvang door volledig voorbij te gaan aan op dat peildatummoment niet te voorziene effecten die grote invloed hebben gehad op de horeca: coronapandemie, inflatie door de oorlog in Oekraïne en hogere personeelskosten door arbeidsmarktkrapte (in geijke zin s.t. Strandweg 24: ‘in dit geval bijzonder problematisch’). Voor met name de eerste twee aspecten behoeft het nauwelijks betoog dat die ‘schreeuwen’ om minst genomen ‘hybride’ correcties à la
Betonpalen– maar eigenlijk laat dit volgens mij zien hoe ongeschikt een momentschade-benadering hier is met een peildatum in een ver verleden waarin met dergelijke cardinale ontwikkelingen die al zijn voorgevallen op het schadebegrotingsmoment helemaal geen rekening wordt gehouden. Anders gezegd: dat doet op geen enkele manier recht aan het bij dit alles te hanteren
uitgangspuntdat ‘zoveel als redelijkerwijs mogelijk is de werkelijk geleden en te lijden schade wordt begroot’, zoals overwogen in het
Derde peildatum-arrest en in
Betonpalen.Hier past een duurschade-benadering nadrukkelijk wel in, zoals ik in de inleiding heb uiteengezet.
subonderdeel 1.2bestaat geen belang als
lijn 1 of 2bij de rechtsklacht uit subonderdeel 1.1 wordt gevolgd. Omdat ik het eigenlijk onbestaanbaar acht dat
lijn 3hier de juiste zou zijn, zie ik af van inhoudelijke bespreking van deze motiveringsklachten. In lijn 3 zouden deze naar zich laat aanzien overigens ook bij gebrek aan belang geen doel treffen, omdat zij zijn gericht tegen het niet verdisconteren van ‘hybride’ correcties ex post, die in lijn 3 niet hoeven te worden toegepast. Dat tekent het lot van deze klachten.
aanvankelijkmet de gevolgde methode heeft ingestemd. Dat klopt (zie hiervoor in 2.8), maar uit rov. 6.23 volgt verder niet het in de klacht geformuleerde (mogelijke, ‘Voor zover…’) causaal verband tussen het passend achten van de DCF-methode bij de aard van de geleden schade en Strandwegs aanvankelijke instemming met die methode. Uit het vervolg van rov. 6.23 blijkt namelijk afdoende dat het hof zich rekenschap heeft gegeven van de kritiek van Strandweg daarop, die het hof evenwel gemotiveerd heeft verworpen, zodat deze klacht niet tot cassatie kan leiden.
Onderdeel 4.1klaagt dat het oordeel dat de deskundige er blijkens de door het hof geciteerde passages uit het waarderingsrapport van uit is gegaan dat Grand Tropez c.s. de exploitatie tijdens de renovatie zou hebben gestaakt onbegrijpelijk is, omdat dat daar niet uit zou volgen.
Onderdeel 4.2klaagt dat onbegrijpelijk is dat het hof overweegt dat het standpunt van Strandweg – dat de deskundige er voor de SOLL-positie vanuit is gegaan dat Grand Tropez c.s. haar exploitatie tijdens de renovatie op een andere locatie had voortgezet (rov. 6.36) – al gemotiveerd door de deskundige is weerlegd. Het deskundigenrapport hanteert tegenstrijdige uitgangspunten, waardoor niet had mogen volstaan met de overweging dat Strandwegs standpunt al door de deskundige was weerlegd.
Onderdeel 4.3klaagt dat het hof de uitlatingen van Grand Tropez c.s. tijdens de mondelinge behandeling niet had mogen meewegen voor de vraag of de deskundige er voor de SOLL-positie al dan niet vanuit is gegaan dat Grand Tropez c.s. haar exploitatie tijdens de renovatie op een andere locatie zou hebben voortgezet. Het belang bij deze klachten is gelegen in de hoogte van de disconteringsvoet voor de renovatieperiode (1 oktober 2017 tot 1 januari 2020). Wanneer wordt uitgegaan van exploitatie gedurende deze periode, zou een disconteringsvoet van 18% hebben gegolden en dat zou tot een lager schadebedrag hebben geleid.
Subonderdelen 4.1 en 4.2stuiten daarop af.
Subonderdeel 4.3is gericht tegen een overweging ten overvloede (‘temeer’), zodat die klacht ook niet tot cassatie kan leiden.