3.1. Niet in geding is de bevoegdheid van de Gemeente om ten aanzien van [eiser] uiteindelijk over te gaan tot bestuursdwang. Wel is thans aan de orde de vraag of het feitelijke optreden van de Gemeente van zodanige orde en omvang was dat zulks als onrechtmatig jegens [eiser] moet worden gekwalificeerd.
3.2. Die vraag dient in bevestigende zin te worden beantwoord, bij welk oordeel in het bijzonder de volgende omstandigheden zijn meegewogen:
- [eiser] heeft niet, danwel onvoldoende gemotiveerd, bestreden gesteld dat hij in de week van 9 juni 2003 een aanvang had gemaakt met de ontruiming van de standplaats, in die zin dat reeds twee tuinhuisjes waren verwijderd en dat het om de standplaats staande hekwerk eveneens reeds vrijwel geheel was weggehaald. Van een evidente weigering kan dus niet worden uitgegaan;
- Ter zitting heeft de Gemeente bovendien erkend dat zij op de hoogte was van het feit dat [eiser] ontruimingsactiviteiten ontplooide, hetgeen volgens haar echter niet voldoende adequaat - het zou te lang duren - geschiedde, waarna zij besloot zelf de bestuursdwang uit te oefenen. Niet valt in te zien - de Gemeente heeft wat dat betreft ook niets gesteld - waarom, nu [eiser] toch uiteindelijk zelf tot ontmanteling was overgegaan, na vier en een half jaar verblijf ter plekke nu plotseling een zodanige urgentie bestond om te ontruimen, mede gelet op het feit, zoals hiervoor reeds overwogen, dat niet van een botte weigering kan worden uitgegaan.
- Van bestuursdwang van een omvang en met dermate hoge kostenposten als ten aanzien van [eiser] op 16 juni 2003 is uitgevoerd, mag worden verwacht dat zulks een ultimum remedium betreft, een laatste middel ter uitvoering van regulier tot stand gekomen besluiten. Daarbij hoort de nodige zorgvuldigheid. Het gaat immers om het toepassen van dwang, hetgeen is voorbehouden aan overheidsinstanties. In die zorgvuldigheid is begrepen het zoveel als mogelijk beperken van kosten voor degene tegen wie de dwang wordt uitgeoefend. Dat laatste brengt mee dat, anders dan de Gemeente stelt, voordat tot uiteindelijke uitoefening van de bevoegdheid wordt overgegaan, een uitdrukkelijke aanzegging aan de betrokkene dient plaats te vinden. Ten aanzien van [eiser] geldt dat temeer, nu de hoedanigheid van zijn verblijf ter plaatse in de loop van de diverse procedures - aanvankelijk was hem ontheffing verleend - niet steeds evident "illegaal" was en mede doordat de desbetreffende dwangbesluiten reeds stammen uit januari, respectievelijk april 2002. De Gemeente heeft nog wel betoogd dat ook [eiser]s raadsman hem kennelijk niet kon bereiken, maar dat strookt niet met haar standpunt dat zij een laatste waarschuwing overbodig achtte, terwijl, zoals hiervoor ook reeds overwogen, zij op de hoogte was van de activiteiten en dus de daadwerkelijke verblijfplaats van [eiser]. Bovendien werden in het verleden kennelijk berichten aan [eiser] overhandigd door de politie en niet valt in te zien waarom dat laatste voorafgaand aan de massale actie niet mogelijk was.
3.3. Vorenstaande leidt tot de slotsom dat de goederen op de lijst die bij de dagvaarding is gevoegd voorzover die in eigendom aan [eiser] toebehoren aan hem worden teruggegeven, dus met uitzondering van de goederen waarop in strafrechtelijke zin beslag is gelegd en die goederen waarvan teruggave niet meer mogelijk is. Wat dat laatste betreft zal ten aanzien van de woonwagen schadevergoeding worden toegekend, vooralsnog € 1.000,- zoals door de deurwaarder begroot en waarvan geen andere taxatie voorhanden is. Een en ander betekent uiteraard niet dat [eiser] de desbetreffende standplaats wederom zal kunnen innemen, want de inhoud van de dwangbesluiten op zichzelf staat niet ter discussie. Teruggave van de straatstenen ligt dan ook niet in de rede. Terzake zal een vergoeding, evenals getaxeerd, van € 200,- worden toegekend.
3.4. Het betoog van de Gemeente voorzover dat betreft het verhaal van kosten en verwijzing naar de desbetreffende artikelen in de Awb, hoeft gelet op het vorenoverwogene geen bespreking.