3.2.3. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het besluit van verweerder van 20 mei 2003, gelet op de inhoud daarvan, zich uitsluitend richt tot de aanvrager, zodat op verweerder ingevolge artikel 3:41, eerste lid, van de Awb alleen de verplichting rustte om het besluit aan de aanvrager bekend te maken. Verweerder heeft bij brief van 26 mei 2003 aan deze verplichting gevolg gegeven. Dit betekent dat tegen het besluit van 20 mei 2003 tot en met 7 juli 2003 bezwaar kon worden gemaakt. Vastgesteld moet worden dat verzoeker eerst na afloop van die termijn - bij brief van 12 juli 2003, die bij verweerder op 14 juli 2003 is ontvangen - een bezwaarschrift bij verweerder heeft ingediend.
Bij brief van 16 juli 2003, gericht aan de gemeentelijke commissie van advies voor de bezwaarschriften, heeft verzoeker naar voren gebracht dat hij ervan is uitgegaan dat bezwaar kon worden gemaakt gedurende zes weken na 4 juni 2003, de datum waarop van het besluit van 20 mei 2003 mededeling is gedaan in het huis-aan-huisblad de Duinstreek. Verder heeft verzoeker erop gewezen dat hij vanaf 17 mei 2003 vier weken afwezig is geweest en dat na terugkomst bleek dat voornoemd huis-aan-huisblad niet was bezorgd. Vervolgens heeft het, aldus verzoeker, enige moeite gekost om het huis-aan-huisblad te achterhalen. Daarnaast heeft ook het verzamelen van argumenten voor het opstellen van het bezwaarschrift volgens verzoeker meer tijd gekost dan verwacht. Bij zijn nadere memorie van 20 oktober 2003 heeft verzoeker erop gewezen dat in de mededeling van het besluit in de Duinstreek niet is vermeld wanneer de bekendmaking heeft plaatsgevonden.
De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder door van het besluit van 20 mei 2003 mededeling te doen in de Duinstreek van 4 juni 2003 toepassing heeft gegeven aan artikel 3:43, eerste en tweede lid, van de Awb. In de publicatie in de Duinstreek staat vermeld dat tegen de verleende bouwvergunning binnen zes weken na afgifte een bezwaarschrift kan worden ingediend. Onder de publicatie staat een telefoonnummer van de gemeente genoemd waar informatie kan worden ingewonnen over de datum van afgifte van het besluit.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker, wat er verder ook zij van zijn moeilijkheden bij het achterhalen van de publicatie in de Duinstreek, niet heeft betwist dat hij nog tijdig binnen de bezwaartermijn van die publicatie op de hoogte is geraakt. Dat hij zijn bezwaarschrift te laat heeft ingediend, is, gelet op hetgeen hij heeft aangevoerd, te wijten geweest aan een onjuiste lezing van de bezwaarmogelijkheden zoals die in de publicatie in de Duinstreek staan vermeld. Aangezien het tot de eigen verantwoordelijkheid van verzoeker behoort om publicaties goed te lezen, biedt deze omstandigheid geen grond voor het oordeel dat hij redelijkerwijs niet in verzuim is geweest bij het indienen van zijn bezwaarschrift. Aan het vorenstaande doet niet af dat verweerder in strijd met artikel 3:43, derde lid, van de Awb in de publicatie niet heeft vermeld wanneer het besluit van 20 mei 2003 is bekendgemaakt, omdat het naar het oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van verzoeker had gelegen om naar aanleiding van de publicatie in de Duinstreek bij de gemeente navraag te doen naar de datum van bekendmaking van het besluit. Ook als een mededelingsverplichting niet correct is nageleefd, dan ontslaat dat derden niet van de verplichting om, wanneer hun, zoals in dit geval, andere mogelijkheden ten dienste staan om de ontbrekende gegevens te achterhalen, van die mogelijkheden gebruik te maken.
Op basis van het vorenoverwogene gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 20 mei 2003 niet-ontvankelijk zal verklaren. Bij deze stand van zaken acht de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening voorzover het zich richt tegen dit besluit kennelijk ongegrond.