ECLI:NL:RBALK:2004:AU4501
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling voor minderjarige dochter na scheiding ouders
De vader verzocht de rechtbank om de vrijwel wekelijkse omgang met zijn dochter in het weekeinde te vervangen door een regeling waarbij de omgang éénmaal per twee weken plaatsvindt. De dochter verbleef sinds de scheiding vrijwel elk weekend bij haar vader. Beide ouders werken echter regelmatig in de weekeinden, waardoor opvangproblemen ontstonden.
De rechtbank constateerde dat het geschil niet ging over de omgang zelf, maar over de opvang tijdens weekeinden waarop beiden werken. De rechtbank vroeg partijen om hun werkroosters en opvangmogelijkheden te overleggen. Na ontvangst van deze gegevens bleek dat een regeling mogelijk was waarbij de dochter drie weekeinden per maand bij de vader verblijft, met onderling overleg over de specifieke weekeinden of dagdelen.
De rechtbank wees het verzoek van de vader om een andere regeling af en benadrukte het belang van gezamenlijke verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding, conform artikel 18 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind. Tevens werd gewezen op de mogelijkheid van begeleiding via maatschappelijk werk bij onenigheid.
De uiteindelijke beschikking bepaalde dat de dochter drie weekeinden per maand bij de vader verblijft, met ruimte voor overleg over de invulling, en wees verdere verzoeken af. De uitspraak werd gedaan door kinderrechter D.M. de Feijter op 15 december 2004.
Uitkomst: De rechtbank stelde een omgangsregeling vast waarbij de dochter drie weekeinden per maand bij haar vader verblijft met onderling overleg over de specifieke weekeinden.