ECLI:NL:RBALK:2005:AT7114

Rechtbank Alkmaar

Datum uitspraak
9 juni 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
230/2005
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Vrakking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Wet tarieven in burgerlijke zakenArt. 33 Wet tarieven in burgerlijke zaken
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beslissing aanhouding zaak wegens ontbreken verzoek tot begroting declaratie bij Raad van Toezicht

Op 19 april 2005 diende verzoekster een verzoek in bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar tot begroting van twee declaraties die zij aan gerekwestreerde had verzonden. Gerekwestreerde gaf aan gehoord te willen worden, waarna op 2 juni 2005 een mondelinge behandeling plaatsvond. Tijdens deze zitting heeft gerekwestreerde het verzoek bestreden met als kernverweer dat de procedure prematuur was omdat verzoekster nagelaten had eerst een verzoek tot begroting bij de Raad van Toezicht in te dienen, zoals voorgeschreven in artikel 32 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken.

Verzoekster stelde dat het indienen van een verzoek bij de Raad van Toezicht niet verplicht was, maar slechts een adviesfunctie vervulde en dat de rechter alsnog kon beslissen op grond van artikel 33 van Pro dezelfde wet. De voorzieningenrechter verwierp dit betoog op basis van de parlementaire geschiedenis van de wet uit 1844, waarin duidelijk werd dat eerst een verzoek tot begroting bij de Raad van Toezicht moet worden ingediend alvorens de rechter kan worden ingeschakeld.

De voorzieningenrechter besloot daarom de zaak pro forma aan te houden voor een periode van zes weken, zodat verzoekster alsnog een verzoek tot begroting bij de Raad van Toezicht kan indienen. De beslissing werd gegeven op 9 juni 2005 door mr. J.M. Vrakking, voorzieningenrechter van de rechtbank Alkmaar.

Uitkomst: De zaak is aangehouden om verzoekster in de gelegenheid te stellen eerst een verzoek tot begroting bij de Raad van Toezicht in te dienen.

Uitspraak

RECHTBANK TE ALKMAAR
Sector civiel recht
KV RK nummer: 230/2005
datum: 9 juni 2005
Beschikking van de voorzieningenrechter,
in de zaak van:
[verzoekster],
gevestigd en kantoor houdende te [plaatsnaam],
VERZOEKSTER,
procureur mr. N.A.M. Oor,
tegen:
[gerekwestreerde],
wonende te [plaatsnaam],
GEREKWESTREERDE,
gemachtigde mr. A.J. Traverso, werkzaam bij Arag Rechtsbijstand.
Partijen zullen verder ook worden genoemd "[verzoekster]" respectievelijk "[gerekwestreerde]".
1. HET VERLOOP VAN HET GEDING
Op 19 april 2005 is bij het bureau voorzieningenrechter van deze rechtbank ingekomen een verzoekschrift van [verzoekster], strekkende tot de begroting van een tweetal door haar aan [gerekwestreerde] verzonden declaraties.
Een afschrift van het verzoekschrift is aan deze beslissing gehecht en geldt als hier ingelast.
[gerekwestreerde] heeft te kennen gegeven op het verzoek te willen worden gehoord. Op 2 juni 2005 heeft dan ook de mondelinge behandeling plaatsgevonden.
[gerekwestreerde] heeft het verzoek bestreden.
Na verder debat hebben partijen de stukken, waaronder van beide zijden pleitnotities, overgelegd. Vervolgens is de datum van de beschikking bepaald op heden.
2. DE GRONDEN VAN DE BESLISSING
[gerekwestreerde] heeft als meest verstrekkende verweer tegen het verzoek van [verzoekster] aangevoerd dat de onderhavige procedure prematuur is, omdat [verzoekster] heeft nagelaten eerst een verzoek tot begroting declaratie voor te leggen aan de Raad van Toezicht, overeenkomstig artikel 32 van Pro de Wet tarieven in burgerlijke zaken. [verzoekster] heeft tegen het verweer van [gerekwestreerde] aangevoerd dat het laten begroten van een declaratie door de Raad van Toezicht niet verplicht is, maar dat het oordeel van de Raad van Toezicht te beschouwen is als een advies afkomstig van een deskundige. Het achterwege blijven van een advies op grond van artikel 32 van Pro vorenbedoelde wet brengt niet mee dat de weg van artikel 33 van Pro diezelfde wet niet openstaat, alles aldus [verzoekster].
Dit betoog van [verzoekster] faalt. Immers, uit de parlementaire geschiedenis uit 1844 van de Wet tarieven in burgerlijke zaken blijkt dat de "de begrooting, in geval van verschil, aan de raden van discipline" is opgedragen en dat "slechts in geval partijen met die begrooting nog geen genoegen mogten kunnen nemen, den regter ter beslissing" is aangewezen. Verder blijkt daaruit dat het beoordeelen, "en het beloop der rekening, zoo noodig bij de begrooting volgens dien maatstaf te reduceren" eigenlijk alleen het werk van de raden van toezicht kan zijn, "die uit de oudsten en met de practijk meest bekende leden der balie zijn samengesteld. Eindelijk blijft, door de gegevene bevoegdheid om zich bij den gewonen regter tegen de begrootingen der raden te voorzien, de gelegenheid nog altijd voor cliënt bestaan, om den in zijne oogen alleen onpartijdigen regter te doen beslissen."
Uit het vorengaande blijkt dat het destijds de bedoeling van de wetgever is geweest dat eerst een verzoek tot begroting bij de Raad van Toezicht moet worden ingediend, alvorens de begroting ter beoordeling aan de rechter kan worden voorgelegd.
Op grond van het vorenstaande wordt de onderhavige zaak voor een periode van zes weken aangehouden, ten einde [verzoekster] in de gelegenheid te stellen alsnog een verzoek bij de Raad van Toezicht in te dienen.
3. DE BESLISSING
De voorzieningenrechter:
- houdt de zaak pro forma aan tot 21 juli 2005.
Gegeven door mr. J.M. Vrakking, voorzieningenrechter van de Rechtbank te Alkmaar op 9 juni 2005, in aanwezigheid van de griffier, mr. F. Vermeij.