ECLI:NL:RBALK:2005:AU0073
Rechtbank Alkmaar
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verzoek tot afleggen deugdelijke verklaring ex artikel 476a Wetboek van Rechtsvordering
In deze zaak vordert eiser betaling van een bedrag waarvoor beslag is gelegd onder gedaagde c.s., waarbij gedaagde sub 1 een verklaring ex artikel 476a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering heeft ingevuld waarin zij ontkent een rechtsverhouding met de schuldenaar te hebben. Eiser betwist deze verklaring en stelt dat er wel degelijk een rechtsverhouding bestaat, onder meer vanwege het handelsregister en betaling van huurpenningen door gedaagde c.s.
De kantonrechter stelt vast dat tussen de schuldenaar en gedaagde c.s. een rechtsverhouding bestaat, aangezien de arbeidsovereenkomst was beëindigd maar de schuldenaar als gevolmachtigde verbonden bleef en gedaagde c.s. huurpenningen en een bijdrage in de kosten van levensonderhoud verschuldigd is. De verklaring van gedaagde c.s. voldoet daarom niet aan de eisen van artikel 476a lid 2 sub a Rv.
De kantonrechter geeft gedaagde c.s. alsnog de gelegenheid een deugdelijke gerechtelijke verklaring af te leggen, met de waarschuwing dat bij nalaten zij zal worden veroordeeld tot betaling alsof zij zelf schuldenaar is. De zaak wordt verwezen naar de civiele rolzitting van 17 augustus 2005. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Uitkomst: Gedaagde c.s. moet uiterlijk 17 augustus 2005 een deugdelijke verklaring afleggen, bij nalaten volgt veroordeling tot betaling beslagbedrag.