ECLI:NL:RBALK:2005:AU1166
Rechtbank Alkmaar
- Kort geding
- L.J.L. Koster
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering tot ondertekening koopovereenkomst wegens onvoldoende bewijs mondelinge overeenkomst
In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat gedaagde wordt veroordeeld tot het tekenen van een schriftelijke koopovereenkomst voor een woning en een stolpboerderij. Eiser stelt dat in juni 2005 een mondelinge koopovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij gedaagde het bod van 475.000 euro heeft aanvaard. Gedaagde betwist dit en stelt dat hij nooit akkoord is gegaan met het bod en de verkoop, mede omdat hij de mogelijkheid wil behouden de woning aan een familielid te verkopen.
De voorzieningenrechter overweegt dat een dergelijke verstrekkende vordering in kort geding alleen kan worden toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de vordering in een bodemprocedure zal slagen. De stellingen van eiser over de mondelinge overeenkomst zijn onvoldoende onderbouwd, mede doordat gedaagde gemotiveerd betwist dat hij telefonisch akkoord heeft gegeven en de verklaringen van de makelaar en de dochter van gedaagde niet doorslaggevend zijn.
De rechter concludeert dat een nader feitenonderzoek in een bodemprocedure noodzakelijk is om vast te stellen of er daadwerkelijk een mondelinge koopovereenkomst is gesloten. Daarom wordt de vordering afgewezen en wordt eiser veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot ondertekening van de koopovereenkomst wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een mondelinge overeenkomst.